Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AT6518

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-05-2005
Datum publicatie
02-06-2005
Zaaknummer
AWB 05/13416
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Herhaalde aanvraag / nieuwe feiten en omstandigheden / artikel 3 EVRM.

De rechtbank volgt in de onderhavige uitspraak de uitspraak AWB 02/57771 van de rechtbank Utrecht, van 7 december 2004 niet. Uit de Afdelingsuitspraak 200410104/1 van 13 april 2005 volgt dat het aan eiser is om in een geval als het onderhavige specifieke zijn persoon betreffende feiten en omstandigheden aannemelijk te maken, waaruit een verhoogd risico voor behandeling in strijd met artikel 3 EVRM valt af te leiden en niet aan verweerder om daar onderzoek naar te doen. Een beoordeling van eventuele doorbreking van de in het nationale recht vastgelegde procedureregels, waaronder artikel 4:6 Awb, is in casu niet aan de orde nu eiser anders dan de vreemdeling waarop die uitspraak betrekking heeft, niet eerder heeft gesteld dat hij bij aankomst op de luchthaven van Kinshasa zal worden gearresteerd. Uit voormelde Afdelingsuitspraak kan overigens worden afgeleid dat het ook in dat geval niet aan verweerder is om onderzoek te verrichten. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Zitting houdende te Zutphen

Registratienummer: Awb 05/13416

Datum uitspraak: 26 mei 2005

UITSPRAAK

op het beroep in het geschil tussen:

A,

geboren op [...] 1982,

burger van de Democratische Republiek Congo,

eiser,

gemachtigde: mr. J.J. Bronsveld, advocaat te Bergen op Zoom,

en

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,

verweerder,

gemachtigde: mr. D. Stevens, werkzaam bij de IND.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 maart 2005 heeft verweerder in een aanmeldcentrum (AC) afwijzend beslist op de herhaalde aanvraag van eiser van 21 maart 2005 om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

Bij brief van 25 maart 2005 is namens eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Het beroep is behandeld ter zitting van 22 april 2005, waar eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van verweerder zijn verschenen.

2. Feiten

Eiser heeft op 9 juni 2002 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hierop is door verweerder bij besluit van 12 juni 2002 afwijzend beslist. Tegen deze afwijzende beslissing is geen rechtsmiddel ingesteld, als gevolg waarvan het besluit van verweerder van 12 juni 2002 in rechte onaantastbaar is geworden.

Op 1 augustus 2003 heeft eiser wederom een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Bij besluit van 3 augustus 2003 heeft verweerder afwijzend op deze aanvraag beslist. Het tegen dit besluit ingestelde beroep is bij uitspraak van deze rechtbank van 21 augustus 2003 (registratienummers: Awb 03/42390 en Awb 03/42389) ongegrond verklaard, als gevolg waarvan het besluit van verweerder van 3 augustus 2003 eveneens in rechte onaantastbaar is geworden.

Vervolgens heeft eiser, na te zijn overgedragen aan de Nederlandse autoriteiten door de Duitse autoriteiten op grond van de Verordening van de Europese Gemeenschappen 343/2003, op 21 maart 2005 onderhavige aanvraag ingediend.

3. Motivering

3.1 Het toetsingskader in deze zaak wordt bepaald door artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), in verbinding met artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000). Ingevolge artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan. Beoordeeld dient te worden of zich na het eerdere besluit dergelijke nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden hebben voorgedaan, die tot heroverweging noopten.

3.2 Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die zijn voorgevallen na het nemen van het eerdere besluit of die niet vóór het nemen van dat besluit konden en derhalve, gelet op artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000, behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder aangevoerde feiten of omstandigheden die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve, gelet op laatstgenoemde bepaling, behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke beoordeling rechtvaardigen, indien op voorhand uitgesloten is dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd kan afdoen aan het eerdere besluit en de overwegingen waarop dat berust.

3.3 Voorts is het ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 aan de vreemdeling om, indien deze dat stelt, aannemelijk te maken dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) strijdige behandeling of bestraffing.

Volgens de uitspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens (hierna: het Hof) van 30 oktober 1991 inzake Vilvarajah (RV 1001,19) dient, wil een dergelijk risico aannemelijk zijn, sprake te zijn van specifieke individuele kenmerken (“special distinguishing features”), waaruit een verhoogd risico voor een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM valt af te leiden. De enkele mogelijkheid (“mere possibility”) van schending is onvoldoende. Uit latere jurisprudentie van het Hof blijkt niet dat het aldus gestelde individualiseringsvereiste is verlaten, doch dat daarnaast betekenis toekomst aan de algemene mensenrechtensituatie in het land van herkomst waaraan het individuele asielrelaas wordt gerelateerd (uitspraak van het Hof van 6 maart 2001, JV 2001/104 en van 17 februari 2004 in de zaak Venkadajalasarma tegen Nederland, nr. 5810/00, NJB 2004/17, nr. 20). Daarom zal de desbetreffende vreemdeling ook in geval van uitzetting naar landen, waar sprake is van georganiseerde grootschalige mensenrechtenschendingen jegens een groep, waartoe hij behoort, specifieke, hem persoonlijk betreffende feiten en omstandigheden aannemelijk moeten maken, wil artikel 3 van het EVRM hem bescherming kunnen bieden.

3.4 Eiser heeft ter onderbouwing van zijn herhaalde asielaanvraag, tijdens zijn gehoor inzake nieuwe feiten en omstandigheden van 21 maart 2005, verklaard dat hij geen adres en geen werk heeft en dat hij niet tegen ziektekosten is verzekerd. Voorts heeft hij verklaard dat zijn moraal niet goed is en dat hij soms gedachten heeft om mensen te doden. Tot slot heeft eiser verklaard dat hij niet terug kan keren naar zijn land van herkomst, omdat er problemen zijn in zijn land.

In de zienswijze is hier namens eiser aan toegevoegd dat eiser lijdt aan een ernstige mentale ziekte waarvoor in het land van herkomst geen behandeling voorhanden is. Bij terugkeer zal gezien de algemene slechte gezondheidszorg in de DRC sprake zijn van een situatie die strijdig is met artikel 3 van het EVRM. Voorts wordt namens eiser gesteld dat terugkeer in strijd zou zijn met artikel 3 van het EVRM op grond van de blijkbaar door de IND gehanteerde handelwijze bij terugkeer. Tevens is aangevoerd dat er altijd een risico bestaat voor uitgeprocedeerde Congolese asielzoekers bij terugkeer en dat dit zeker geldt voor eiser gelet op zijn persoonlijke omstandigheden. Ter onderbouwing is namens eiser verwezen naar de overgelegde informatie van ‘Docu Congo’ van 14 februari 2005 alsmede de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 7 december 2004 (registratienummer: Awb 02/57771, JV 2005/106).

3.5 Ten aanzien van de door eiser afgelegde verklaring dat hij geen adres en geen werk heeft en dat hij niet tegen ziektekosten is verzekerd, overweegt de rechtbank met verweerder dat deze verklaringen niet als nova in de zin van artikel 4:6 van de Awb kunnen worden aangemerkt, nu dit geen asielgerelateerde omstandigheden betreft daar zij enkel betrekking hebben op het verblijf van eiser hier te lande.

3.6 Voor wat betreft eisers beroep op de slechte algehele situatie in zijn land van herkomst verenigt de rechtbank zich met het standpunt van verweerder dat hij deze situatie reeds in het kader van zijn eerste asielprocedure naar voren heeft gebracht en dat deze omstandigheid reeds betrokken is bij en meegewogen is in die eerste beoordeling.

3.7 Voor zover eiser heeft gesteld dat verweerder ten onrechte in de bestreden beschikking de medische situatie van eiser niet in zijn beoordeling heeft betrokken alsmede dat de medische situatie van eiser dient te worden aangemerkt als een novum in de zin van artikel 4:6 van de Awb, heeft verweerder terecht overwogen dat eiser hierin niet kan worden gevolgd. In de bij de zienswijze overgelegde brief van 23 juli 2004 van de arts assistent psychiatrie Van der Hijden van de Krisisdienst Mentrum COW wordt geconcludeerd dat er géén sprake is van een post traumatische stress stoornis alsmede dat er reden is om te veronderstellen dat eisers klachten voortkomen uit de ziekte schizofrenie van het paranoïde type. De rechtbank stelt vast dat een gemachtigde van eiser in een eerdere procedure op 2 augustus 2003 in een reactie op het voornemen dat ten grondslag lag aan het besluit van 3 augustus 2003 heeft gemeld dat hem was gebleken dat eiser tijdens een gesprek met hem uiterst verward was, meermalen wegviel en soms volledig afwezig leek. Hij sprak daarbij het vermoeden uit dat eiser psychisch en lichamelijk niet in orde was. Verweerder heeft naar aanleiding daarvan in het thans in rechte vaststaande besluit van 3 augustus 2003 overwogen dat geenszins is gebleken dat eiser daadwerkelijk met het HIV-virus is besmet dan wel een andere ziekte heeft die bij terugkeer naar zijn land van herkomst een voor eiser mogelijke schending van artikel 3 EVRM zou opleveren. De veronderstelling dat eisers klachten voortkomen uit de ziekte schizofrenie is dan ook geen nieuw feit of veranderde omstandigheid in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Voor zover in de zienswijze is gesteld dat de algemene slechte gezondheidszorg in de DRC een ander standpunt rechtvaardigt, overweegt de rechtbank dat ook deze enkele stelling in combinatie met het voorgaande geen novum oplevert.

3.8 De door eiser overgelegde stukken afkomstig van Docu Congo, een Documentatie- en Informatiecentrum inzake de DRC, leiden in dit verband evenmin tot het daarmee door eiser beoogde resultaat. De rechtbank is daarbij in de eerste plaats van oordeel dat voornoemde stukken het eerder door verweerder ingenomen standpunt dat niet geloofwaardig is dat verzoeker vanwege de gestelde politieke activiteiten van zijn vader in de negatieve aandacht van de autoriteiten zou staan dan wel dat hij daadwerkelijk gezocht wordt op geen enkele wijze in een ander daglicht stellen, nu deze stukken slechts de algehele situatie in de DRC beschrijven.

3.9 Voor zover is gesteld dat op grond van de overgelegde stukken moet worden aangenomen dat van de zijde van verweerder in het kader van de uitzettingsprocedure het rapport van nader gehoor betreffende de asielzoeker aan de autoriteiten van de DRC ter inzage wordt gegeven, blijkt uit de eveneens overgelegde antwoorden van verweerder op vragen van leden van de Tweede Kamer hieromtrent naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk dat daarvan geen sprake is doch dat slechts sprake is van bijvoeging van dit rapport ten behoeve van vooronderzoek aan de zijde van verweerder zelf. Deze stelling van Docu Congo is derhalve geen nieuw feit of nieuwe omstandigheid in de zin van artikel 4:6 van de Awb.

De niet vertaalde brief van de Directeur Generaal a.i. van de Direction Generale de Migration (hierna: DGM) van 2 februari 2005 betreffende een overeenkomst tussen de IND en de DGM van 4 oktober 2002 levert evenmin een nieuw feit of nieuwe omstandigheid op nu het al dan niet bestaan van een dergelijke overeenkomst dan wel het tijdelijk negeren van een dergelijke overeenkomst op zichzelf niet kan afdoen aan de eerdere asielbeslissing ten aanzien van eiser. Overigens spreekt verweerder in eerdergenoemde brief aan de Tweede Kamer over een overeenkomst ten aanzien van de terugkeer van vreemdelingen van Congolese afkomst terwijl Docu Congo kennelijk in navolging van voormelde directeur spreekt over een overeenkomst voor terugname van afgewezen asielzoekers.

In het stuk van Docu Congo van 14 februari 2005 is eveneens vermeld dat de DGM een veiligheidsdienst is en daardoor al een gevaar vormt voor de veiligheid van afgewezen asielzoekers. Dit wordt gebaseerd op een mededeling in het televisieprogramma Factor van een chef van de DGM die mededeelt dat burgers van de DRC als zij op het vliegveld aankomen overgedragen worden aan de DGM die hen systematisch arresteert en gevangen neemt. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet op voorhand worden uitgesloten dat deze informatie kan afdoen aan de eerdere afwijzing voor zover daarbij is overwogen dat eiser bij terugkeer naar het land van herkomst niet een reëel risico loopt dat hij zal worden onderworpen aan een behandeling als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Dit laat evenwel onverlet dat het door eiser aangevoerde gelet ook op hetgeen in rechtsoverweging 3.3 is overwogen geen grond geeft voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat hetgeen eiser aldus aan zijn herhaalde aanvraag te grondslag heeft gelegd niet tot heroverweging van de eerdere afwijzing noopt.

Met name heeft verweerder niet aannemelijk hoeven achten dat juist eiser, wiens asielrelaas door verweerder eerder ongeloofwaardig is bevonden, bij terugkeer een verhoogd risico loopt op een met artikel 3 EVRM strijdige behandeling. Verweerder heeft derhalve in het licht van de door eiser overgelegde informatie van Docu Congo terecht geen aanleiding gezien om terug te komen van zijn eerdere standpunt dat eiser met de door hem bij de eerdere aanvragen aangevoerde individuele feiten en omstandigheden niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn terugkeer naar de DRC in strijd is met artikel 3 van het EVRM

3.10 De verwijzing namens eiser naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 7 december 2004 kan niet leiden tot een ander oordeel. Uit de uitspraak van de Afdeling van 13 april 2005 (zaaknummer: 200410104/1) volgt dat het aan eiser is om in een geval als het onderhavige specifieke zijn persoon betreffende feiten en omstandigheden aannemelijk te maken, waaruit een verhoogd risico voor een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM valt af te leiden en niet aan verweerder om daar onderzoek naar te doen. Een beoordeling van eventuele doorbreking van de in het nationale recht vastgelegde procedureregels, waaronder artikel 4:6 van de Awb, is in casu niet aan de orde nu eiser anders dan de vreemdeling waarop die uitspraak betrekking heeft, niet eerder heeft gesteld dat hij bij aankomst op de luchthaven in Kinshasa zal worden gearresteerd. Uit voormelde uitspraak van de Afdeling kan overigens worden afgeleid dat het ook in dat geval niet aan verweerder is om onderzoek te verrichten.

3.11 Gelet op het voorgaande heeft verweerder de (herhaalde) aanvraag van eiser terecht afgewezen. Verweerder heeft dit zonder schending van de zorgvuldigheid in de AC-procedure gedaan.

3.12 Het beroep dient derhalve ongegrond verklaard te worden.

3.13 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

4. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. M.J.H. Schuurman en in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2005 in tegenwoordigheid van mr. L.M.A. Hansen als griffier.

Rechtsmiddel

Tegen de uitspraak in de hoofdzaak kan binnen één week na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “Hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC Den Haag.

Afschrift verzonden op: 26 mei 2005