Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AT6452

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-05-2005
Datum publicatie
02-06-2005
Zaaknummer
AWB 03/62069
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Toestemmingsverklaring medische informatie / TBV 2003/2 / herstelverzuim.

Toestemmingsverklaring inwinnen medische informatie ten behoeve van vtv medische behandeling ontbreekt. In afwijking van TBV 2003/2 slechts een termijn van één week gegund en voorts geen herstel verzuim termijn gegund. Verweerder kon in redelijkheid niet op deze wijze tot het bestreden besluit komen. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

ZITTINGHOUDENDE TE ’S-HERTOGENBOSCH

sector bestuursrecht

enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken

UITSPRAAK

Zaaknummer : AWB 03/62069

Datum uitspraak: 17 mei 2005

Uitspraak op het beroep in het geschil tussen:

A te B, eiser,

gemachtigde mr. J.C. van Zundert, advocaat te Rotterdam,

en

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie te ’s-Gravenhage, verweerder.

I. PROCESVERLOOP

Op 8 mei 1998 heeft eiser, volgens zijn verklaring staatloos, een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking "ondergaan van medische behandeling".

Bij besluit van 29 november 1999, op diezelfde datum aan eiser bekendgemaakt, heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen, waartegen eiser een bezwaarschrift heeft ingediend.

Bij besluit van 19 juni 2002 heeft verweerder het bezwaarschrift van eiser ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 17 juli 2002 beroep ingesteld. Op dezelfde dag heeft eiser de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht om hangende de beslissing op het beroep een voorlopige voorziening te treffen. Het beroep is geregistreerd onder zaaknummer AWB 02/ 55116 en het verzoek is geregistreerd onder zaaknummer AWB 02/55109.

Bij uitspraak van 31 juli 2003 heeft de rechtbank ‘s-Gravenhage, zittinghoudende te Middelburg het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Bij uitspraak van 1 augustus 2003 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.

Hierop heeft verweerder bij besluit van 31 oktober 2003 opnieuw het bezwaarschrift van eiser ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder eiser meegedeeld dat hij de behandeling van een in te dienen beroepschrift niet in Nederland mag afwachten.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 28 november 2003 beroep ingesteld.

Op dezelfde dag heeft eiser de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht om hangende de beslissing op beroep een voorlopige voorziening te treffen. Het beroep is geregistreerd onder zaaknummer AWB 03/62069 en het verzoek is geregistreerd onder zaaknummer AWB 03/62070.

Bij brief van 15 december 2003 heeft eiser de gronden van het beroep en het verzoek aangevuld.

Verweerder heeft naar aanleiding van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening de op de zaken betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening zijn behandeld ter zitting van 11 april 2005, waar eisers gemachtigde is verschenen. Verweerder is ter zitting vertegenwoordigd door mr. T.H.T.W. Zee.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting met toepassing van artikel 8:64, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geschorst, teneinde partijen in de gelegenheid te stellen nadere schriftelijke reacties in te zenden.

Namens verweerder is bij schrijven van 18 april 2005 een nadere reactie ingezonden, waarna de gemachtigde van eiser niet heeft gereageerd.

Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten waarbij met toestemming van partijen een nadere zitting als bedoeld in artikel 8:64, vijfde lid, van de Awb achterwege is gebleven.

II. OVERWEGINGEN

Aan de orde is de vraag of het besluit van 31 oktober 2003 in rechte stand kan houden.

Verweerder stelt zich blijkens het bestreden besluit op het standpunt dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking “ het ondergaan van medische behandeling”. Hiertoe overweegt verweerder dat eiser geen toestemmingsverklaring ten behoeve van medisch onderzoek heeft ondertekend en geretourneerd. Derhalve kan het beroep op het bestaan van medische klachten niet worden onderzocht en is niet aangetoond dat er een medische behandeling is op grond waarvan eiser verblijf in Nederland zou moeten worden toegestaan.

Voorts is verweerder van mening dat eiser aan artikel 8 van het EVRM geen aanspraak op toelating kan ontlenen.

Daarnaast heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van tijdsverloop in de reguliere procedure.

Voorts ziet verweerder geen aanleiding om af te wijken van het ter zake gevoerde beleid naar aanleiding van eisers verzoek om toepassing van de inherente afwijkingsbevoegdheid in schrijnende gevallen (de zogenaamde 14-1 brieven).

Eiser stelt zich op het standpunt dat de stelling van verweerder, inhoudende dat hij de gevraagde toestemmingsverklaring niet zou hebben toegezonden, onjuist is aangezien zijn gemachtigde op 26 september 2003 de gevraagde toestemmingverklaring aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst heeft toegezonden, waarna deze op 14 oktober 2003 om onverklaarbare redenen is geretourneerd.

Daarnaast stelt eiser zich op het standpunt dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 8 van het EVRM.

Voorts stelt eiser in beroep dat al hetgeen reeds in deze procedure naar voren is gebracht als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank overweegt allereerst dat eiser met zijn stelling, inhoudende dat al hetgeen reeds eerder naar voren is gebracht als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd, kennelijk doelt op de weigering van verweerder om hem in aanmerking te brengen voor een reguliere verblijfsvergunning op grond van tijdsverloop in de reguliere procedure dan wel op grond van de zogenaamde 14-1 problematiek. Door deze enkele verwijzing naar eerder ingenomen standpunten heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank het dienaangaande door verweerder in het bestreden besluit ingenomen standpunt onvoldoende gemotiveerd weersproken.

Derhalve bestaat er in zoverre geen aanleiding voor vernietiging van het bestreden besluit.

De rechtbank komt thans toe aan hetgeen met betrekking tot de door eiser gewenste reguliere verblijfsvergunning ten behoeve van medische behandeling is aangevoerd en overweegt als volgt.

Uit verweerders beleid, zoals dit is neergelegd in het Tussentijds Bericht Vreemdelingencirculaire (TBV 2003/2), blijkt dat medisch advies uitsluitend wordt ingewonnen als de toestemmingsverklaring volledig ingevuld en ondertekend is geretourneerd, waarvoor de vreemdeling een termijn van twee weken wordt gegund.

Indien binnen de gegeven termijn geen (volledig) ingevulde of ondertekende toestemmingsverklaring is ontvangen, wordt de vreemdeling in de gelegenheid gesteld het verzuim te herstellen conform artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daarvoor wordt een termijn van twee weken gegeven. Als een nadere reactie uitblijft, wordt de aanvraag om een verblijfsvergunning voor het ondergaan van medische behandeling afgewezen, omdat niet is aangetoond dat er een medische behandeling plaatsvindt.

De rechtbank acht het vorenomschreven beleid van verweerder niet kennelijk onredelijk.

Met verweerder moet worden vastgesteld dat zich bij de gedingstukken geen door eiser ingevulde en ondertekende “toestemmingsverklaring medische gegevens” bevindt.

Het ter zitting namens eiser overgelegde begeleidingsbriefje d.d.14 oktober 2003 kan niet dienen om aan te tonen dat een dergelijke toestemmingsverklaring wel is toegezonden, waarna deze aan eisers gemachtigde is geretourneerd, nu uit dit begeleidingsbriefje niet eenduidig kan worden afgeleid op welke procedure dit betrekking heeft.

Weliswaar bevindt zich bij de gedingstukken een op 21 oktober 1998 door eiser ondertekende verklaring met betrekking tot de aanvraag van een medisch attest, maar de rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt kan stellen dat ten behoeve van het inwinnen van medisch advies een recente toestemmingsverklaring vereist is, waarbij een termijn van zes maanden niet onredelijk kan worden geacht. Nu de wel aanwezige verklaring dateert van 21 oktober 1998 kon verweerder zich dan ook op het standpunt stellen dat een nieuwe recente toestemmingsverklaring moest worden overgelegd.

Het vorenstaande brengt met zich dat het standpunt van verweerder, inhoudende dat de vereiste “toestemmingsverklaring medische gegevens” ontbreekt, voor juist moet worden gehouden.

Echter, uit de gedingstukken blijkt dat eiser bij brief van 22 september 2003 in de gelegenheid is gesteld om de ingevulde en ondertekende toestemmingsverklaring in te zenden, doch in afwijking van TBV 2003/2 is eiser daartoe slechts een termijn van één week gegund in plaats van de uit verweerders beleid voortvloeiende termijn van twee weken.

Voorts blijkt noch uit de gedingstukken, noch uit het verhandelde ter zitting dat eiser conform artikel 4:5 van de Awb een termijn van twee weken is gegeven om het verzuim te herstellen, zodat het er voor moet worden gehouden dat ook op dit punt is afgeweken van TBV 2003/2.

Derhalve moet worden geconstateerd dat verweerder op onjuiste wijze toepassing heeft gegeven aan zijn hiervoor omschreven beleid.

Het vorenstaande brengt met zich dat moet worden geoordeeld dat verweerder in redelijkheid niet op deze wijze tot het bestreden besluit had kunnen komen, zodat dit besluit dient te worden vernietigd.

Nu het beroep reeds in verband hiermee gegrond wordt verklaard, behoeft hetgeen overigens is aangevoerd geen bespreking meer.

Nu het beroep gegrond wordt verklaard, acht de rechtbank termen aanwezig verweerder onder toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 644,- voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

? 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

? 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

? waarde per punt € 322,-;

? wegingsfactor 1.

Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

Tevens zal de rechtbank bepalen dat door verweerder aan eiser het door hem gestorte griffierecht ad € 116,-- dient te worden vergoed.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten, vastgesteld op

€ 644,--, te vergoeden door de Staat der Nederlanden en te voldoen aan de griffier;

- gelast dat het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 116,-- door de Staat der Nederlanden, namens verweerder, aan eiser wordt vergoed.

Aldus gedaan door mr. E.H.B.M. Potters als rechter en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van drs. S.M. Langenbach-Logister als griffier op 17 mei 2005.

De griffier is

buiten staat om

deze uitspraak te ondertekenen.

.

Ingevolge artikel 120 van de Vw 2000 staat tegen deze uitspraak geen rechtsmiddel open.

Afschriften verzonden: 17 mei 2005