Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AT6323

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-05-2005
Datum publicatie
31-05-2005
Zaaknummer
AWB 04/20515, 04/20516
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Mvv-vereiste / artikel 8 EVRM.

Ten aanzien van de grief van eiser, dat het stellen van het mvv-vereiste in zijn geval in strijd is met artikel 8 EVRM, overweegt de rechtbank als volgt. De door verweerder uit de Afdelingsuitspraak 200403858/1 van 12 oktober 2004 afgeleide stelling, inhoudende dat er bij de vraag of het mvv-vereiste aan een vreemdeling kan worden tegengeworpen in het geheel geen ruimte is voor een toetsing aan artikel 8 EVRM, acht de rechtbank te verstrekkend. Wel is de rechtbank van oordeel dat in het algemeen kan worden gesteld dat de uit het mvv-vereiste voortvloeiende verplichting om Nederland te verlaten in beginsel tijdelijk van aard is, zodat niet snel sprake zal zijn van strijd met artikel 8 EVRM. Dat zal eerst dan aan de orde kunnen komen indien reeds van tevoren vast zou staan dat de mvv-procedure zal leiden tot een langdurige ontwrichting van het familie- of gezinsleven. Van een dergelijke situatie is in het geval van eiser niet gebleken. Beroep ongegrond, afwijzing verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank ’s-Gravenhage

nevenzittingsplaats Haarlem

meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken

voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

artikel 8:77 en 8:81 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

artikel 71 Vreemdelingenwet 2000 (Vw)

reg.nr: AWB 04 / 20515 (beroepszaak)

AWB 04 / 20516 (voorlopige voorziening)

inzake: A, geboren op [...] 1967, van Ghanese nationaliteit, eiser / verzoeker, verder te noemen eiser,

gemachtigde: mr. P. Scholtes, advocaat te ’s-Gravenhage,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,

gemachtigde: mr. W.B. Klaus, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te ’s-Gravenhage.

1. GEGEVENS INZAKE HET GEDING

1.1 Op 29 augustus 2001 heeft eiser een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel: “verblijf bij Nederlandse partner mevrouw B”. Bij besluit van 22 november 2001 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Het hiertegen ingediende bezwaar van 17 december 2001, is bij besluit van 15 april 2004 ongegrond verklaard. Tegen dit laatste besluit heeft eiser op 2 mei 2004 beroep ingesteld.

1.2 Bij verzoekschrift van 2 mei 2004 heeft eiser verzocht om bij wijze van voorlopige voorziening verweerder te verbieden hem uit te zetten voordat op het beroep is beslist.

1.3 Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschrift geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep en afwijzing van het verzoek.

1.4 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 10 maart 2005. Eiser en zijn gemachtigde zijn met bericht van verhindering niet ter zitting verschenen. Verweerder is verschenen bij zijn gemachtigde.

2. OVERWEGINGEN

2.1 In beroep toetst de rechtbank het bestreden besluit aan de hand van de voorgedragen beroepsgronden op rechtmatigheid en ambtshalve aan voorschriften van openbare orde.

2.2 Bij de beoordeling van het geschil gaat de rechtbank uit van de volgende feiten.

Bij besluit van 25 januari 2002 heeft de Minister van Buitenlandse Zaken geweigerd om het uittreksel uit het geboorteregister van eiser te legaliseren, omdat uit verificatieonderzoek is gebleken dat er gerede twijfel bestaat over onder meer de juistheid van de geboortedatum en de geboorteplaats van eiser. Het door eiser daartegen ingediende bezwaar is bij besluit van 10 september 2002 ongegrond verklaard. Het tegen dat laatste besluit ingestelde beroep is niet-ontvankelijk verklaard.

2.3 Eiser heeft aangevoerd dat hij dient te worden vrijgesteld van het vereiste dat hij dient te beschikken over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv), omdat het onredelijk is om van hem te verlangen dat hij terugkeert naar Ghana om aldaar de mvv-procedure af te wachten. Voor de afgifte van de mvv is een gelegaliseerde en inhoudelijk geverifieerde geboorteakte noodzakelijk. Nu de Minister van Buitenlandse Zaken heeft geweigerd om zijn geboorteakte te legaliseren en te verifiëren, zal eiser nimmer aan deze voorwaarde kunnen voldoen. Verweerder heeft in het bestreden besluit ten onrechte geen overwegingen gewijd aan de omstandigheid dat eiser in bewijsnood verkeert. Bovendien bestaat vanwege de bewijsnoodproblematiek de kans dat de mvv-procedure dusdanig lang zal duren dat daarmee artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) wordt geschonden. Nu de mvv reeds op grond van het ontbreken van een gelegaliseerde geboorteakte zal worden afgewezen, kan niet worden gesproken van een welwillend en humaan gezinsbeleid als bedoeld in het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK).

2.4 Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat eiser niet in het bezit is van een geldige mvv. Eiser valt niet onder één van de categorieën van vrijgestelde vreemdelingen ex artikel 17 Vw of artikel 3.71, tweede lid, Vb. Er is geen grond gevonden om aan te nemen dat toepassing van het mvv-vereiste in het onderhavige geval zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. De weigering om aan eiser verblijf hier te lande toe te staan betekent geen schending van artikel 8 EVRM. Bij die beoordeling is van belang dat eiser gedurende de hoorzitting op 12 februari 2004 heeft aangegeven dat het mogelijk is om op termijn het gezinsleven in Ghana uit te oefenen. Het stellen van het mvv-vereiste leidt in het geval van eiser evenmin tot schending van het IVRK, aldus verweerder.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.5 Een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt ingevolge artikel 13 Vw slechts ingewilligd indien internationale verplichtingen daartoe nopen, met de aanwezigheid van de vreemdeling een wezenlijk Nederlands belang is gediend of klemmende redenen van humanitaire aard daartoe nopen.

2.6 Ingevolge artikel 16 Vw kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd worden afgewezen op één van de in dat artikel genoemde gronden. Regels over de toepassing van deze gronden zijn neergelegd in het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).

2.7 Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, Vw kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd worden afgewezen, indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de vergunning is aangevraagd.

In artikel 17 Vw en artikel 3.71, tweede lid, Vb zijn de categorieën vreemdelingen opgesomd aan wie het mvv-vereiste niet wordt tegengeworpen.

Ingevolge het vierde lid van artikel 3.71 Vb kan verweerder afzien van afwijzing van de aanvraag wegens het niet beschikken over een mvv, voor zover afwijzing op die grond naar het oordeel van verweerder zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard (de zogenaamde hardheidsclausule).

2.8 De rechtbank stelt vast dat eiser niet in het bezit is van een geldige mvv die overeenkomt met het doel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser niet behoort tot één van de categorieën vreemdelingen die ingevolge artikel 17, eerste lid, Vw of artikel 3.71, tweede lid, Vb zijn vrijgesteld van het mvv-vereiste.

2.9 Verweerder pleegt van zijn bevoegdheid om de hardheidsclausule toe te passen slechts gebruikt te maken, onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis van deze bepaling, wanneer er sprake is van een zeer bijzondere, individuele gevallen. Van een dergelijk geval is de rechtbank thans niet gebleken. Ingevolge vaste jurisprudentie dient het standpunt van eiser, dat hij nimmer aan het mvv-vereiste zal kunnen voldoen omdat hij in bewijsnood verkeert, aan de orde te worden gesteld in het kader van een in het land van herkomst in te dienen aanvraag om verlening van een mvv. In de mvv-procedure kan de Minister van Buitenlandse Zaken toetsen of er sprake is van bewijsnood in de zin van B2/12 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Hetgeen eiser heeft aangevoerd in het kader van zijn beroep op de hardheidsclausule, heeft verweerder dan ook niet hoeven nopen om hem het mvv-vereiste niet tegen te werpen.

2.10 Ten aanzien van de grief van eiser, dat het stellen van het mvv-vereiste in zijn geval in strijd is met artikel 8 EVRM, overweegt de rechtbank als volgt.

De door verweerder uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 12 oktober 2004 (kenmerk 200403858/1, JV 2004, 436) afgeleide stelling, inhoudende dat er bij de vraag of het mvv-vereiste aan een vreemdeling kan worden tegengeworpen in het geheel geen ruimte is voor een toetsing aan artikel 8 EVRM, acht de rechtbank te verstrekkend. Wel is de rechtbank van oordeel dat in het algemeen kan worden gesteld dat de uit het mvv-vereiste voortvloeiende verplichting om Nederland te verlaten in beginsel tijdelijk van aard is, zodat niet snel sprake zal zijn van strijd met artikel 8 EVRM. Dat zal eerst dan aan de orde kunnen komen indien reeds van tevoren vast zou staan dat de mvv-procedure zal leiden tot een langdurige ontwrichting van het familie- of gezinsleven. Van een dergelijke situatie is in het geval van eiser niet gebleken.

2.11 Ten overvloede wijst de rechtbank erop dat ten gevolge van de uitspraak van de Afdeling van 8 september 2004 (kenmerk 200303055/1, LJN AQ9959, JV 2004, 384), de Minister van Buitenlandse Zaken bij Besluit van 1 november 2004, nr. DJZ/BR/0852-04, is overgegaan tot intrekking van enkele besluiten inzake legalisatie en verificatie van buitenlandse documenten, waaronder documenten afkomstig uit Ghana. De consequentie hiervan is dat het legaliseren van brondocumenten niet meer afhankelijk mag worden gesteld van de uitkomst van het daarop betrekking hebbende verificatieonderzoek. Legalisatie zal dan ook in beginsel slechts kunnen plaats vinden op grond van een oordeel over de formele echtheid van het document.

2.12 Eiser heeft zich beroepen op de artikelen 3, 7, 9 en 10 van het IVRK. Uit de tekst noch uit de wordingsgeschiedenis van dit verdrag valt af te leiden dat uit deze artikelen - indien al rechtstreeks toepasselijk - voor de Nederlandse Staat de verplichting voortvloeit in een geval als dat van eiser een verblijfsvergunning te verlenen in het kader van het gezinsherenigingsbeleid.

2.13 Voorts is niet gebleken dat het bestreden besluit op andere gronden de toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels niet kan doorstaan.

2.14 De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren. Gegeven de beslissing in de hoofdzaak is er voorts geen grond meer voor het treffen van de verzochte voorlopige voorziening, zodat het verzoek zal worden afgewezen.

2.15 Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is niet gebleken.

3. BESLISSING

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter:

3.2 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van de Merwe, voorzitter, tevens voorzieningenrechter, en mrs. J.P. Smit en E.P.W. van de Ven, leden van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken, en uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2005, in tegenwoordigheid van mr. C.M. Woestenburg-Bertels als griffier.

Afschrift verzonden op: 18 mei 2005

Coll:

RECHTSMIDDEL

Partijen kunnen tegen deze uitspraak, voor zover deze de hoofdzaak betreft, hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, postbus 16113, 2500 BC, 's-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak. Van deze uitspraak staat, voor zover deze de voorlopige voorziening betreft, geen hoger beroep open.