Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AT6269

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-01-2005
Datum publicatie
27-05-2005
Zaaknummer
AWB 03/65899, 03/65900
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Medische behandeling / verblijfsalternatief / klemmende redenen van humanitaire aard.

De rechtbank is van oordeel dat verweerders standpunt in de bestreden besluiten, dat de door eisers ondervonden problemen geen verband houden met het asielrelaas, de rechterlijke toets niet kan doorstaan. Daarbij is van belang dat eisers weliswaar geen beroep op artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000 hebben gedaan, maar dat zij wel een beroep op artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000 hebben gedaan en medische aspecten in dat kader kunnen worden beoordeeld. In zoverre houden de door eisers ondervonden problemen in Tuzla met het verkrijgen van medische behandeling voor hun zoon verband met het asielrelaas. Voorts heeft verweerder niet betwist dat deze problemen hebben geleid tot het vertrek uit het land van herkomst. Dat uit het BMA-advies blijkt dat thans in Sarajevo medische behandeling voor de zoon van eisers aanwezig is, leidt vooralsnog niet tot een ander oordeel, omdat niet duidelijk is dat dit verblijfsalternatief beschikbaar was ten tijde van het vertrek van eisers uit het land van herkomst. Uit het voorgaande volgt dat verweerder nader had dienen te motiveren waarom de door eisers ondervonden problemen niet kunnen worden aangemerkt als dusdanige individuele humanitaire omstandigheden dat in redelijkheid niet kan worden verlangd dat zij terugkeren naar het land van herkomst. Mitsdien ontberen de bestreden besluiten een voldoende draagkrachtige motivering. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK TE 's-GRAVENHAGE

Zitting houdende te Assen

Vreemdelingenkamer

Regnr.: AWB 03/65899 BEPTDN S2 en AWB 03/65900 BEPTDN A S2

uitspraak: 25 januari 2005

U I T S P R A A K

inzake: A,

geboren op [...] 1967,

B,

geboren op [...] 1972,

verblijvende te C,

mede namens hun minderjarige kinderen,

van Burger van Bosnië-Herzegovina nationaliteit,

IND dossiernummer: 0006.04.8026,

eisers,

gemachtigde: mr. R. Bosma, advocaat te Assen;

tegen: DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE

(Immigratie- en Naturalisatiedienst)

te 's-Gravenhage,

verweerder,

gemachtigde: mr. mr. S. van der Salm, ambtenaar ten departemente.

PROCESVERLOOP

Op 7 november 2001 hebben eisers aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend als bedoeld in artikel 28 Vreemdelingenwet 2000.

Bij beschikkingen van 18 februari 2002 heeft verweerder de aanvragen niet ingewilligd.

Bij beroepschriften van 21 februari 2002 hebben eisers beroep ingesteld bij de rechtbank tegen deze beschikkingen.

De rechtbank, zittingsplaats Zwolle, heeft bij uitspraak van 5 juni 2002 het beroep gegrond verklaard en de bestreden beschikkingen vernietigd.

Bij beschikkingen van 24 november 2003 heeft verweerder de aanvragen wederom niet ingewilligd.

Bij beroepschriften van 18 december 2003 hebben eisers beroep ingesteld bij de rechtbank tegen deze beschikkingen. De griffier heeft de van verweerder ontvangen stukken aan eisers gezonden en hen in de gelegenheid gesteld nadere gegevens te verstrekken. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Openbare behandeling van de beroepen heeft plaatsgevonden ter zitting van 14 december 2004. Eiser is daarbij verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Eiseres is niet verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

MOTIVERING

Vaststaande feiten

Eisers hebben eerder, op 4 juni 2000, aanvragen om toelating als vluchteling ingediend. Bij besluiten van 14 november 2000 heeft verweerder deze aanvragen niet ingewilligd. Het daartegen door eisers ingediende bezwaar is door de rechtbank, zittingsplaats Zwolle, bij uitspraak van 5 april 2001 (met toepassing van artikel 33b van de Vw) ongegrond verklaard.

Standpunten van partijen

Eisers hebben ter ondersteuning van hun aanvraag, samengevat, het volgende naar voren gebracht. Nadat eisers in Duitsland hebben verbleven, zijn zij in september 1998 teruggekeerd naar Bosnië. Omdat hun zoon diabetes heeft, zijn eisers in Tuzla direct naar het ziekenhuis gegaan. Zij zijn echter weggestuurd. Vervolgens zijn eisers naar een kinderarts gegaan. Deze kinderarts heeft enkel een verklaring opgesteld dat hun zoon insuline nodig heeft. Eiser heeft daarna meerdere malen insuline uit Duitsland gehaald. Eisers zijn ook bij internationale organisaties geweest, maar zij kregen steeds het antwoord dat zij niet geholpen konden worden. Eisers konden het niet meer aan. Nadat zij van het Ministerie van Gezondheid een verklaring hadden gekregen waarin stond dat zij niet geholpen konden worden, zijn eisers wederom naar Duitsland gegaan. Omdat zij van vrienden hadden gehoord dat Nederland een humanitair land is, zijn zij doorgereisd naar Nederland. Eiseres is inmiddels ook ziek geworden. Eisers hebben medische stukken overgelegd ter staving van de ziekte van hun zoon en de ziekte van eiseres.

Verweerder heeft de aanvragen afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat, gelet op de adviezen van het Bureau Medische Advisering (BMA) van 20 oktober 2003 ten aanzien van eiseres en haar zoon, zij niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij bij terugkeer een reëel risico lopen op een met artikel 3 van het (Europees) verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) strijdige behandeling. Eisers voldoen niet aan het strikte criterium zoals dat in de jurisprudentie wordt gesteld. Voorts heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eisers niet in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning op grond van klemmende redenen van humanitaire aard, omdat het niet kunnen verkrijgen van medische behandeling niet valt onder één van de in het traumatabeleid limitatief opgesomde gebeurtenissen. Bovendien zijn de gestelde problemen naar de mening van verweerder geen asielgerelateerde problemen die een beroep op klemmende redenen van humanitaire aard kunnen rechtvaardigen.

Eisers hebben daartegen aangevoerd dat verweerder voorbijgegaan is aan de brief van de heer A. Rengelink, zenuwarts en psychoanalyticus, van 8 november 2002, die is overgelegd bij brief van 11 november 2003. De heer Rengelink kent eiseres persoonlijk, terwijl de medisch adviseur eiseres nog nooit heeft gezien of gesproken. Eisers hebben bij verweerder de stukken opgevraagd waarnaar in de adviezen van het BMA is verwezen. Zij hebben deze stukken echter nimmer ontvangen. Het is derhalve niet mogelijk om op de informatie over behandelingsmogelijkheden in Bosnië te reageren. Voorts hebben eisers aan verweerder een brief van mevrouw C. Vos, kinderarts, en mevrouw A.C. Ruiten, klinisch-psycholoog, van 1 december 2003 overgelegd. Verweerder heeft deze brief slechts ter kennisgeving aangenomen. Eisers hebben zich op het standpunt gesteld dat op grond van genoemde twee brieven aannemelijk is dat zij bij terugkeer een reëel risico lopen op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling. Subsidiair hebben eisers een beroep gedaan op artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000.

Verweerder heeft aan de hand van een verweerschrift gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot ongegrondverklaring van de beroepen.

Beoordeling van het beroep

Gelet op de gronden van beroep ziet de rechtsstrijd op de in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Vw 2000 genoemde inwilligingsgronden.

Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden verleend aan de vreemdeling

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen;

c. van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst;

In het advies van het BMA van 20 oktober 2003 betreffende de zoon van eisers is, kort samengevat, het volgende vermeld:

‘Betrokkene is bekend met insuline afhankelijke suikerziekte. Betrokkene staat onder behandeling van een kinderarts. De behandeling bestaat voornamelijk uit medicatie in de vorm van insulineregime vier maal daags. Deze behandeling is levenslang noodzakelijk. Voor de psychische klachten wordt betrokkene begeleid door een psycholoog van het kinderdiabetes team van het Scheperziekenhuis. Uit een bericht van International SOS van 16 oktober 2003 blijkt dat suikerziekte bij kinderen (insuline afhankelijk) in de Universiteitskliniek in Sarajevo kan worden behandeld. De medicijnen Humalog en NPH insuline, welke betrokkene gebruikt, zijn volgens dit bericht verkrijgbaar in Bosnië-Herzegovina. Bij het uitblijven van behandeling zal er op korte termijn sprake zijn van een medische noodsituatie van langdurige aard.’

In het advies van het BMA van 20 oktober 2003 betreffende eiseres is, kort samengevat, het volgende vermeld:

‘Bij betrokkene is sprake van psychische klachten, onder andere slaapstoornis, nachtmerries, angst, depressieve klachten en paniekaanvallen. Bij haar is de diagnose gesteld op een Post Traumatische Stress Stoornis (PTSS), een depressieve stoornis en paniekaanvallen. Betrokkene staat onder behandeling van een zenuwarts. De behandeling bestaat uit gesprekken en medicatie, te weten een anti-depressivum en een middel voor de paniekstoornis. De behandeling is van tijdelijke aard. Volgens de behandelaar zal de behandeling echter nog jaren geïndiceerd zijn. Uit een bericht van International SOS van 6 oktober 2003 blijkt dat psychische klachten in Bosnië-Herzegovina behandeld worden in onder andere Clinical Center Sarajevo, Department of Psychiatry en Institute for Psychology Medical Faculty of Sarajevo. Anti-depressiva, anti-psychotica en anxiolytica zijn aldaar eveneens verkrijgbaar volgens dit bericht. Ook uit een vertrouwelijk rapport van een gezamenlijke missie van de IND en BFF van oktober 2001 blijkt dat psychische klachten (ook PTSS) in Bosnië-Herzegovina behandeld worden in onder andere de Universiteitskliniek van Sarajevo (psychiatrische afdeling) en de Universiteitskliniek te Tuzla. Tevens blijkt uit de WHO Atlas Country Profile van Bosnië-Herzegovina dat aldaar de gebruikelijke anti-depressiva, anti-psychotica en anxiolytic voorhanden zijn. Bij het uitblijven van behandeling zullen de klachten bij betrokkene naar verwachting persisteren en mogelijk verergeren. Gelet op de ernst en het beloop van de klachten zal er zonder behandeling naar verwachting in dit geval geen sprake zijn van een medische noodsituatie op korte termijn, echter wel op de (middel)lange termijn.’

De heer Rengelink heeft in zijn brief van 8 november 2002 geschreven dat het advies van het BMA betreffende eiseres een ernstige onderschatting van de actuele situatie van eiseres is. Geen rekening is gehouden met de medische situatie van haar zoon. Eiseres maakt zich ernstige zorgen over haar gezin. Zij is ernstig belast en staat onder grote druk. Bij verstoring van het gevonden evenwicht valt ernstige desintegratie van het gezin te vrezen. De heer Rengelink kan suïcide niet uitsluiten.

In de brief van 1 december 2003 hebben mevrouw Vos en mevrouw Ruiten geschreven dat het BMA de door hun collega’s in de universiteitskliniek in Tuzla geschreven brieven volledig terzijde heeft geschoven. Meerdere malen hebben hun collega’s in Tuzla aangegeven geen adequate behandelmogelijkheden te hebben voor dit kind met suikerziekte. De strijd om insuline in Bosnië hebben eisers als zeer traumatiserend en levensbedreigend ervaren. Van eisers kan niet verwacht worden dat zij voor de tweede keer naar dezelfde situatie terugkeren. Zolang de artsen in Tuzla niet garanderen dat zij de behandeling kunnen overnemen, achten mevrouw Vos en mevrouw Ruiten het niet verantwoord om de behandeling over te dragen. Het is niet reëel om te verwijzen naar de kliniek in Sarajevo, die honderden kilometers verderop ligt; insuline moet in Tuzla voorhanden zijn.

De rechtbank overweegt als volgt.

Artikel 4:6 Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag is gedaan, de aanvrager is gehouden nieuw gebleken feiten of veranderende omstandigheden te melden. Het bestuursorgaan kan de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking, indien er geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden die van zodanige aard zijn dat zij tot een andere beschikking aanleiding zouden moeten geven.

Bij uitspraak van 5 juni 2002 heeft de rechtbank, zittingsplaats Zwolle, in de onderhavige procedure, die een aanvraag in de zin van artikel 4:6 van de Awb betreft, geoordeeld dat sprake is van nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden. Van een zelfde zaak is derhalve geen sprake, zodat de ne bis in idem-regel niet in de weg staat aan een hernieuwd rechterlijk oordeel over deze zaak.

Zoals de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, samengevat, heeft overwogen in de uitspraak van 18 december 2002, 200205419/1 (NJL: AI0042), heeft de wetgever bij artikel 28 Vw 2000 het oog gehad op de gevallen, waarbij de terugkeer van de vreemdeling in strijd zou komen met uit internationale verdragen op het gebied van de rechten van de mens, waaronder artikel 3 EVRM, voortvloeiende verplichtingen. Voorts valt uit de uitspraken van het Europees Hof voor de rechten van de mens van 2 mei 1997, St. Kitts (RV 1997/70) en 6 februari 2001, Bensaid, (JV 2001/103), af te leiden dat uitzetting alleen onder uitzonderlijke omstandigheden en wegens dwingende redenen van humanitaire aard, gebrek aan medische voorzieningen en sociale opvang in het land, kan leiden tot schending van artikel 3 EVRM.

De rechtbank stelt allereerst vast dat uit het BMA-advies van 20 oktober 2003 ten aanzien van de zoon van eisers blijkt dat in Tuzla -de voormalige woonplaats van eisers- geen adequate medische behandeling voor hem aanwezig is, maar dat hij wel in Sarajevo kan worden behandeld.

Verweerder heeft zich primair op het standpunt gesteld dat bij terugkeer naar het land van herkomst geen sprake is van een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM, omdat medische behandeling aanwezig is. Dat de medische behandeling niet in de voormalige woonplaats van eisers aanwezig is, is daarbij niet van belang, nu dat ingevolge eerdergenoemd criterium geen vereiste is. Van belang is dat de medische behandeling in het land van herkomst aanwezig is.

Eisers hebben zich op het standpunt gesteld dat de medische behandeling in Tuzla aanwezig dient te zijn.

De rechtbank volgt verweerder niet in evenvermeld primair standpunt, omdat verweerder bij de beoordeling van een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd de gevreesde gebeurtenissen, die in een bepaalde plaats of gebied van het land van herkomst hebben plaatsgevonden, als uitgangspunt neemt en beziet of deze aannemelijk en voldoende zwaarwegend zijn voor verlening van een verblijfsvergunning asiel. Dat in de onderhavige procedure enkel sprake is van medische aspecten en niet van een (gestelde) vrees voor vervolging, doet hieraan niet af, nu vaste jurisprudentie is dat medische aspecten onder (weliswaar uitzonderlijke) omstandigheden een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM kunnen opleveren. Aangezien artikel 3 van het EVRM is verwoord in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 en eisers deswege rechtens de juiste weg hebben gevolgd door een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in te dienen, is het wettelijk en beleidskader van de asielprocedure van toepassing.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op voornoemd BMA-advies, de zoon van eisers bij terugkeer naar Tuzla een reëel risico loopt op een schending van artikel 3 van het EVRM. Bij het uitblijven van behandeling zal er op korte termijn immers sprake zijn levensbedreigende complicaties, zoals een diabetische coma.

Ingevolge hoofdstuk C1/3.3.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) komt de asielzoeker, van wie is vastgesteld dat hij een gegrond vrees voor vervolging heeft, of dat hij een reëel risico loopt op een behandeling in de zin van artikel 3 van het EVRM, niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel, indien is vastgesteld dat hij zich aan de gevreesde gebeurtenissen kan onttrekken door zich elders in het land van herkomst te vestigen. Indien wordt vastgesteld dat de asielzoeker anders dan als vluchteling in aanmerking zou komen voor een verblijfsvergunning asiel en hij zich aan dit risico kan onttrekken door zich elders in het land van herkomst te vestigen, spreekt men van een binnenlands vestigingsalternatief.

Bij de beoordeling van een binnenlands vestigingsalternatief dient de vraag gesteld te worden of in redelijkheid van de vreemdeling mag worden verwacht dat hij zich naar elders in het land van herkomst begeeft. Hierbij dient te worden bezien of er feitelijk een gebied bestaat waar de vreemdeling geen gevaar loopt en of de veiligheid in het gebied bestendig is. Voorts is van belang dat het gebied voor de vreemdeling toegankelijk en bereikbaar moet zijn. Dit betekent dat bij de reis naar het gebied in kwestie de persoonlijke veiligheid en waardigheid van de vreemdeling gewaarborgd dient te zijn. Ten slotte dient beoordeeld te worden of de vreemdeling een leven kan leiden onder omstandigheden, die naar plaatselijke maatstaven niet als abnormaal zijn aan te merken.

Verweerder heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat eisers zich elders in het land van herkomst kunnen vestigen.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder in de bestreden besluiten onvoldoende draagkrachtig heeft gemotiveerd dat eisers in het land van herkomst een binnenlands vestigingalternatief hebben. In de bestreden besluiten is enkel vermeld dat, gelet op het BMA-advies, in het land van herkomst de noodzakelijke medische voorzieningen aanwezig zijn. Niet is gebleken dat verweerder de in hoofdstuk C1/3.3.3 van de Vc 2000 voorgeschreven toets heeft verricht en heeft beoordeeld of Sarajevo -waar de medische behandeling zou moeten plaatsvinden- voor eisers toegankelijk en bereikbaar is en dat eisers aldaar een leven kunnen leiden onder omstandigheden, die naar plaatselijke maatstaven niet als abnormaal zijn aan te merken. Mitsdien is sprake van schending van het motiveringsvereiste (artikel 3:46 van de Awb).

Ten aanzien van het beroep van eiseres op artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 overweegt de rechtbank als volgt.

Een advies van het BMA kan worden aangemerkt als een deskundigenadvies. De Minister mag bij de besluitvorming van de juistheid van die informatie uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan.

Nadat het BMA-advies op 20 oktober 2003 is verschenen en voordat verweerder het bestreden besluit van 24 november 2003 heeft genomen, heeft eiseres bij brief van 11 november 2003 een brief van de heer A. Rengelink, zenuwarts en psychoanalyticus, van 8 november 2002, overgelegd. De heer Rengelink spreekt over een ernstige onderschatting van de actuele situatie van eiseres en het niet uit te sluiten risico van suïcide. Gelet op deze brief mist verweerders standpunt in het bestreden besluit dat geen concrete, met bewijsstukken onderbouwde, aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van het BMA-advies bestaan, feitelijke grondslag. Bovendien heeft verweerder in het bestreden besluit niet gemotiveerd waarom de brief van de heer Rengelink niet kan worden aangemerkt als een concreet aanknopingspunt voor twijfel aan de juistheid van het BMA-advies. Aan de (enkele) stelling van verweerder dat de kritiek van de heer Rengelink niet wordt gevolgd, kan geen waarde worden gehecht, nu verweerder geen medische expertise bezit. Verweerder had de beoordeling van de kritiek van de heer Rengelink moeten overlaten aan een deskundige, te weten het BMA.

De rechtbank is van oordeel dat de brief van de heer Rengelink concrete aanknopingspunten biedt voor het oordeel dat de informatie in het BMA-advies onjuist, dan wel onvolledig is. Verweerder had daarom niet zonder meer van de juistheid van de informatie van het BMA-advies mogen uitgaan, maar had het BMA om een nadere reactie dienen te vragen. Nu verweerder heeft nagelaten om nader onderzoek te verrichten, is het bestreden besluit dat betrekking heeft op eiseres tevens onvoldoende zorgvuldig voorbereid en derhalve in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Voorts hebben eisers zich op het standpunt gesteld dat zij op grond van klemmende redenen van humanitaire aard in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eisers niet in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning op grond van het traumatabeleid, omdat de door hen ondervonden problemen niet onder één van de in het beleid limitatief opgesomde gebeurtenissen vallen.

Ingevolge het beleid inzake bijzondere individuele klemmende redenen van humanitaire aard dient sprake te zijn van dusdanige individuele humanitaire omstandigheden, die verband houden met de redenen van het vertrek uit het land van herkomst en met het asielrelaas, dat in redelijkheid niet kan worden verlangd dat de vreemdeling terugkeert naar het land van herkomst.

De rechtbank is van oordeel dat verweerders standpunt in de bestreden besluiten dat de door eisers ondervonden problemen geen verband houden met het asielrelaas de rechterlijke toets niet kan doorstaan. Daarbij is van belang dat, zoals reeds is overwogen, eisers weliswaar geen beroep op artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 hebben gedaan, maar dat zij wel een beroep op artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 hebben gedaan en medische aspecten in dat kader kunnen worden beoordeeld. In zoverre houden de door eisers ondervonden problemen in Tuzla met het verkrijgen van medische behandeling voor hun zoon verband met het asielrelaas. Voorts heeft verweerder niet betwist dat deze problemen hebben geleid tot het vertrek uit het land van herkomst. Dat uit het BMA-advies blijkt dat thans in Sarajevo medische behandeling voor de zoon van eisers aanwezig is, leidt vooralsnog niet tot een ander oordeel, omdat niet duidelijk is dat dit verblijfsalternatief beschikbaar was ten tijde van het vertrek van eisers uit het land van herkomst. Uit het voorgaande volgt dat verweerder nader had dienen te motiveren waarom de door eisers ondervonden problemen niet kunnen worden aangemerkt als dusdanige individuele humanitaire omstandigheden dat in redelijkheid niet kan worden verlangd dat zij terugkeren naar het land van herkomst. Mitsdien ontberen de bestreden besluiten ook op dit onderdeel een voldoende draagkrachtige motivering.

De rechtbank concludeert dat verweerders standpunt dat eisers niet in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Vw 2000 de rechterlijke toets niet kan doorstaan. De beroepen zijn derhalve gegrond.

De bestreden besluiten dienen te worden vernietigd wegens schending van het motiveringsvereiste (artikel 3:46 van de Awb). Het besluit met betrekking tot eiseres dient tevens vernietigd te worden vanwege schending van het beginsel van een zorgvuldige voorbereiding (artikel 3:2 van de Awb). Verweerder dient nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Voor veroordeling van een partij in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, bestaat aanleiding.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond en vernietigt de bestreden besluiten;

- draagt verweerder op nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad EUR 644,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan eisers moet voldoen.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC te ‘s-Gravenhage Ingevolge artikel 85 Vw 2000 dient het beroepschrift één of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 Awb is niet van toepassing.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.I. Klaassens en in het openbaar uitgesproken op 25 januari 2005 in tegenwoordigheid van mr. A.T. Boerema als griffier.

Afschrift verzonden op: