Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AT6255

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-05-2005
Datum publicatie
01-06-2005
Zaaknummer
AWB 03/5147 MAWKMA
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2007:BB8074, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser, gewezen militair bij de Koninklijke Marine, heeft verweerder verzocht aansprakelijkheid te erkennen voor de door hem geleden gezondheidsschade als gevolg van zijn uitzending naar Cambodja.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank ‘s-Gravenhage

sector bestuursrecht

tweede afdeling, enkelvoudige kamer

Reg. nr. AWB 03/5147 MAWKMA

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de Staatssecretaris van Defensie, verweerder.

Ontstaan en loop van het geding

Eiser, gewezen militair bij de Koninklijke Marine, heeft verweerder bij brief van 31 oktober 1996 verzocht aansprakelijkheid te erkennen voor de door hem geleden gezondheidsschade als gevolg van zijn uitzending naar Cambodja.

Bij besluit van 18 april 2001 heeft verweerder dit verzoek afgewezen.

Bij besluit van 20 oktober 2003 heeft verweerder het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 1 december 2003 beroep ingesteld bij deze rechtbank. De gronden zijn daarna aangevuld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en bij brief van 1 juli 2004 een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 28 april 2005 ter zitting behandeld.

Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. H.J.M.G.M. van der Meijden.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. van Reigersberg Versluys.

Motivering

In 1992 en 1993 werden ongeveer 2900 Nederlandse militairen naar Cambodja uitgezonden om deel te nemen aan de United Nations Transitional Authority in Cambodia (hierna: UNTAC).

In de periode van 12 juni 1993 tot 28 oktober 1993 heeft ook eiser deelgenomen aan deze UNTAC missie.

Een half jaar na afloop van de vredesmissie in Cambodja werden bij verweerder de eerste meldingen gedaan van militairen die naar Cambodja waren uitgezonden en die aangaven last te hebben van klachten als ernstige vermoeidheid, geheugenproblemen, concentratieproblemen, hoofdpijn, coördinatieproblemen en aanhoudende diarree, die zij toeschreven aan hun verblijf in Cambodja (kort aangeduid als: Cambodja klachtencomplex, oftewel Ckc).

Medio 1994 had zich een groep van 27 militairen gevormd, de zogenaamde “groep van 27”, die aandacht vroeg voor haar klachten. In 1995 werden 26 leden van de toenmalige “groep van 27” medisch en psychologisch onderzocht door internisten van het Reinier de Graaf Gasthuis te Delft en psychologen van de Afdeling Individuele Hulpverlening (hierna: AIH) van de Koninklijke Landmacht. Dit onderzoek leverde geen eenduidige verklaring op voor de klachten van de “groep van 27”. Aangezien de “groep van 27” teleurgesteld was met de uitkomst van dit onderzoek, heeft verweerder in de zomer van 1996 toegezegd dat een onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek zou worden ingesteld. Op 8 november 1996 werd daartoe een onafhankelijke begeleidingscommissie, onder de leiding van mevr. J.L.E. Tiesinga, in het leven geroepen. Doel van het Post-Cambodja Klachten Onderzoek Fase 1 (hierna: Onderzoek I) was aard, omvang en ontstaanswijze van post-Cambodja klachten te onderzoeken. Dit onderzoek, waarvan het rapport op 21 september 1998 aan de toenmalige staatssecretaris van Defensie is aangeboden, bestond uit twee delen: een algemeen deel en een individueel deel. In het algemeen deel is geprobeerd de vraagstelling naar aard, omvang en ontstaanswijze te beantwoorden door middel van vragenlijsten. Hierbij werden de rol van het anti-malaria medicijn mefloquine (Lariam), de voor uitzending toegediende vaccinaties, tijdens de uitzending opgelopen ziektes en traumatisch ervaringen onderzocht. In het individueel deel dat bestond uit medisch en psychologisch onderzoek van de individuele leden van de “groep van 27”, is onderzocht of er voor de klachten van de leden van de “groep van 27” een lichamelijke of psychologische verklaring kon worden gevonden en is tevens onderzocht of er een verband met de uitzending naar Cambodja bestond. Aangezien het eerste onderzoek geen eenduidige oorzaak kon aanwijzen die het ontstaan van de klachten kon verklaren, heeft de commissie geadviseerd om een vervolgonderzoek te verrichten. Dit vervolgonderzoek, het Post-Cambodja Klachten Onderzoek Fase II (hierna: Onderzoek II) dat in december 2000 is afgerond, bestond wederom uit twee delen: een follow-up onderzoek middels vragenlijsten en een individueel somatisch en psychologisch onderzoek. Onderzoek II was er met name op gericht om onder een grotere groep militairen de oorzaken van de klachten te achterhalen, behandeltrajecten voor de verschillende te onderscheiden groepen te vinden en adviezen voor preventie te verkrijgen. Uit het onderzoek komt naar voren dat zes jaar na terugkeer een aanzienlijk deel van de militairen die naar Cambodja zijn uitgezonden nog last bleek te hebben van vermoeidheid en daaraan verwante klachten. Ook in onderzoek II is geen eenduidige somatische (lichamelijke) verklaring voor de lichamelijke klachten van uitgezonden militairen met Ckc gevonden.

De resultaten van Onderzoek I en II laten wel zien dat de (duur van de) voorbereiding en de verstrekte informatie rondom een uitzending van grote invloed zijn op de fysieke en psychische gesteldheid van de uitgezonden militair. De manier waarop ingrijpende gebeurtenissen worden ervaren, alsmede de ervaren mate van ingrijpendheid, alsook het idee zelf weinig invloed op de klachten te kunnen uitoefenen en problemen in de thuissituatie bleken eveneens risico-factoren voor het ontstaan en instandhouden van klachten te zijn.

Op 26 januari 1999 heeft verweerder het Stappenplan Ckc vastgesteld. Met het uitgangspunt dat bij een groep ex-Cambodjagangers klachten voorkomen, zoals vergeetachtigheid, concentratieproblemen en vermoeidheid, die zo ernstig kunnen zijn dat een onderzoek naar de dienstgeschiktheid aangewezen is, is een drietal criteria ontwikkeld die, indien een individuele militair met Ckc daaraan voldoet, leiden tot de aanname dat sprake is van een aandoening met dienstverband, waarna de mate van invaliditeit wordt bepaald aan de hand van de WPC-schaal.

De criteria zijn (1) de klachten bestonden niet vóór de uitzending of er is een niet verklaarbare verergering van klachten opgetreden, (2) de klachten zijn ontstaan tijdens of binnen een jaar na de uitzending en (3) betrokkene heeft zich onder behandeling gesteld van een arts.

Ook eiser heeft na de uitzending klachten opgelopen. Deze klachten bestaan uit maagklachten, darmklachten, vermoeidheid, concentratieproblemen, rugklachten, gewrichtsklachten, verminderd gezichtsvermogen, ontstekingen aan ogen, ontstekingen aan kaak en gebit, spierpijn, verminderde kracht in armen en benen, infecties in de keelholte, depressiviteit en gebrek aan energie.

Eiser heeft op 25 maart 1999 een Militair Geneeskundig Onderzoek (MGO) ondergaan. De medische diagnose luidde “post Cambodjaklachten”. In het op 7 december 1999 uitgebrachte rapport is geoordeeld dat eiser voor een deel van de klachten voldoet aan de criteria van het Stappenplan Ckc en dat deze klachten dus moeten worden beschouwd als ware het een aandoening waarvoor verband met de uitoefening van de militaire dienst wordt aanvaard. De mate van invaliditeit is per 25 maart 1999 bepaald op 45%.

De rechtbank moet de vraag beantwoorden of verweerder aansprakelijk kan worden gehouden voor de door eiser gestelde gezondheidsschade, voor zover niet op grond van de rechtspositionele regelingen vergoed

Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat toepassing van de nieuwe norm van de Centrale Raad van Beroep, zoals geformuleerd in zijn uitspraak van 22 juni 2000, niet leidt tot aansprakelijkheid zijnerzijds nu het causale verband tussen de gestelde klachten en de uitzending niet vaststaat. Daarnaast heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat hij voorafgaande aan, tijdens en ook na de uitzending voor wat betreft de begeleiding van de uitgezonden militairen, alsook ten aanzien van de medische zorg en de voorgeschreven malariamedicatie zorgvuldig heeft gehandeld en aansprakelijkheid analoog aan het bepaalde in artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) niet aan de orde is. Tot slot heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de omstandigheden van de uitzending naar Cambodja niet zodanig bijzonder waren dat op grond van goed werkgeverschap een schadevergoeding op basis van artikel 115 AMAR dient te worden toegekend. Deze omstandigheden zijn immers verdisconteerd in de militaire rechtspositie. Daarbij komt nog, aldus verweerder, dat hij voldoende invulling heeft gegeven aan het principe van goed werkgeverschap door het stappenplan in het leven te roepen.

Eiser meent dat toepassing van de nieuwe norm van de CRvB er wel toe leidt dat verweerder aansprakelijk is voor de door eiser geleden schade. In dit verband verwijst hij naar de uitkomst van het MGO. Voorts stelt hij dat verweerder ten aanzien van de voorgeschreven malariamedicatie, alsook ten aanzien van de rond de uitzending geboden medisch zorg onzorgvuldig heeft gehandeld en in die zin analoog aan het bepaalde in artikel 6:162 BW aansprakelijk is wegens onrechtmatig handelen jegens hem. Tot slot heeft eiser aangevoerd dat de situatie rondom hem zodanig bijzonder was dat van de zijde van verweerder wel degelijk sprake is van een schadevergoedingsplicht op grond van artikel 7:611 BW, althans de daarin opgeslagen norm, subsidiair artikel 115 AMAR.

De Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) heeft bij zijn uitspraak van 22 juni 2000, gepubliceerd in TAR 2000, nummer 112, een herformulering gegeven van de te hanteren norm voor schade die door de ambtenaar beweerdelijk in de uitoefening van zijn dienstbetrekking is geleden. De Raad heeft in genoemde uitspraak, verwijzend naar hetgeen in artikel 7:658 van het BW tot uitdrukking is gebracht, als norm geformuleerd dat de ambtenaar - voor zover zulks niet reeds voortvloeit uit van toepassing zijnde rechtspositionele voorschriften - recht heeft op vergoeding van de schade die hij lijdt in de uitoefening van zijn werkzaamheden, tenzij het betrokken bestuursorgaan aantoont dat het zijn verplichtingen is nagekomen de werkzaamheden van de ambtenaar op zodanige wijze in te richten, alsmede voor het verrichten van die werkzaamheden zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de ambtenaar in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt, of aantoont dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de ambtenaar.

De ambtenaar die stelt schade te lijden ten gevolge van een ziekte dient feiten te stellen waaruit blijkt welke medische klachten hij ondervindt. In de bewoordingen ‘in de uitoefening van zijn werkzaamheden’ is tot uitdrukking gebracht dat er tussen de uitoefening van de werkzaamheden en de schade causaal verband moet bestaan.

Gelet op de hiervoor beschreven norm, dient de rechtbank allereerst de vraag te beantwoorden of eiser aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van schade en dat hij die schade lijdt c.q. geleden heeft in de uitoefening van zijn werkzaamheden.

Nu verweerder eisers klachten heeft aangemerkt als Post Cambodjaklachten waarvoor verband met de dienst wordt aangenomen, staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat sprake is van gezondheidsschade en ook, dat deze is veroorzaakt door de werkzaamheden en/of werkomstandigheden. Dat de gezondheidsklachten niet wetenschappelijk konden worden verklaard doet aan het bestaan daarvan niet af. Het zijn immers de beperkingen, de verminderde functionele mogelijkheden, die hebben geleid tot het aannemen van invaliditeit met dienstverband op grond van het stappenplan. Deze beperkingen vormen de gezondheidsschade.

Het bijzondere aspect van het stappenplan is dat de Ckc-klachten worden beschouwd als een aandoening, ondanks het feit dat zij niet medisch-wetenschappelijk kunnen worden verklaard. Dat de klachten in en door de dienst zijn veroorzaakt is bij het opstellen van het stappenplan het vanzelfsprekend uitgangspunt geweest. Dit is immers de reden waarom verweerder het zijn verantwoordelijkheid als werkgever heeft geacht een voorziening te treffen voor de betrokken militairen. Het causaal verband tussen de gezondheidsschade en de dienst staat, gelet op de bevindingen van het MGO, vast. Dit verband kan door verweerder in de onderhavige procedure niet meer in twijfel worden getrokken.

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd, dat eiser onvoldoende heeft aangetoond dat hij schade heeft geleden en evenmin dat deze schade het gevolg is van de aard of omstandigheden van de werkzaamheden.

Het bestreden besluit berust daarmee op een ondeugdelijke motivering en moet worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

De overige gronden van het beroep behoeven geen bespreking.

Het beroep is gegrond.

Verweerder wordt veroordeeld in de door eiser in verband met de behandeling van dit beroep gemaakte kosten. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op

€ 644,-- . Daarbij is 1 punt toegekend aan het opstellen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter terechtzitting met een wegingsfactor van 1 en een waarde per punt van € 322,--

Beslissing

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat verweerder een nieuw besluit zal nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

bepaalt dat de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Defensie) aan eiser het door hem betaalde griffierecht, te weten € 116,-- vergoedt;

veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 644,--, welke kosten voormelde rechtspersoon aan eiser moet vergoeden.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Aldus gegeven door mr. C.C. Dedel-van Walbeek en in het openbaar uitgesproken op 24 mei 2005, in tegenwoordigheid van de griffier

mr. A.P.J. Heesen.

Voor eensluidend afschrift,

de griffier van de Rechtbank 's-Gravenhage,

Verzonden op: