Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AT5581

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
01-04-2005
Datum publicatie
27-05-2005
Zaaknummer
AWB 04/46842
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Zwaarwegendheid / subsidiair standpunt.

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of er een toetsing van de zwaarwegendheid van de asielmotieven van eiseres heeft plaatsgevonden. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het primaire besluit is ingelast in het bestreden besluit. Derhalve dient het in het primaire besluit ingenomen standpunt thans te worden aangemerkt als subsidiair standpunt, aldus verweerder. De rechtbank volgt dit standpunt evenwel niet en is met eiseres van oordeel dat nu in het bestreden besluit expliciet is overwogen dat geen inhoudelijke beoordeling van het relaas heeft plaatsgevonden, niet kan worden geoordeeld dat verweerder een standpunt op de vraag naar de zwaarwegendheid heeft ingenomen; van een integrale heroverweging op dit punt kan gezien deze opmerking geen sprake zijn geweest. Het enkele incorporeren van het primaire besluit in het bestreden besluit is hiertoe onder deze omstandigheden onvoldoende. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 04/46842 OVERIO

inzake: A, geboren op [...] 1975, van Rwandese nationaliteit, wonende te B, eiseres,

gemachtigde: mr. F.L.M. van Haren, advocaat te Amsterdam,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder.

I. PROCESVERLOOP

1. Op 27 oktober 1999 heeft eiseres een aanvraag ingediend om toelating als vluchteling, thans aan te merken als een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Bij besluit van 15 februari 2000 - welk besluit op 7 juni 2000 aan eiseres is uitgereikt - heeft verweerder de aanvraag om toelating als vluchteling niet ingewilligd wegens de kennelijke ongegrondheid ervan. Eiseres is ambtshalve in het bezit gesteld van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv), met ingang van 27 oktober 1999, geldig tot 27 oktober 2000. Bij bezwaarschrift van 5 juli 2000 heeft eiseres tegen dit besluit, voor zover strekkende tegen de niet-inwilliging van de aanvraag om toelating als vluchteling, bezwaar gemaakt.

2. Bij besluit van 22 maart 2001 is de aan eiseres verleende vvtv ingetrokken. Bij bezwaarschrift van 28 maart 2001 heeft eiseres tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 13 mei 2002 is zowel het bezwaar tegen de niet inwilliging van de aanvraag om toelating als vluchteling, alsmede het bezwaar tegen de intrekking van de aan eiseres verleende vvtv, ongegrond verklaard.

3. Bij beroepschrift van 10 juni 2002 heeft eiseres tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij uitspraak van 11 juni 2004 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep gegrond verklaard (AWB 02/44352 OVERIO). Op 4 oktober 2004 is eiseres gehoord door een ambtelijke commissie. Bij besluit van 7 oktober 2004 heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard.

4. Bij gemotiveerd beroepschrift van 25 oktober 2004 heeft eiseres tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij brief van 22 december 2004 heeft eiseres nadere stukken overgelegd en op grond daarvan verzocht de behandeling van haar zaak naar voren te halen en buiten zitting af te doen. Op 24 december 2004 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. Bij brief van 19 januari 2005 heeft verweerder meegedeeld dat aan de rechtbank geen toestemming wordt verleend de zaak buiten zitting af te doen. In het verweerschrift van 15 februari 2005 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep. Bij brief van 21 februari 2005 heeft eiseres aanvullende stukken overgelegd. Verweerder heeft bij brief van 24 februari 2005 zijn standpunt nader onderbouwd.

5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 februari 2005. Eiseres is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich - met voorafgaande schriftelijke kennisgeving - niet doen vertegenwoordigen. Tevens was V.M. Corcelle, als tolk in de Franse taal, ter zitting aanwezig.

II. FEITEN

In dit geding gaat de rechtbank uit van het volgende feit.

Bij brief van 22 december 2004 heeft eiseres, ter bevestiging van de door haar ingenomen stelling, een brief van de Minister van de Buitenlandse Zaken van 15 november 2004 overgelegd. Dit betreft een aanpassing van de algemene ambtsberichten inzake Rwanda van november 2002 en december 2003. In het bericht is het volgende opgenomen:

In het algemeen ambtsbericht Rwanda, versies november 2002 en november 2003, is op pagina 48 de verplichte leeftijd voor het dragen van een identiteitskaart in Rwanda foutief vermeld. Het gestelde dat de identificatieplicht geldt vanaf de leeftijd van 18 jaar is niet correct, dit moet 16 jaar zijn.

III. ASIELRELAAS

Eiseres heeft het volgende relaas aan haar aanvraag ten grondslag gelegd.

Eiseres is afkomstig uit Rwanda en behoort tot de Hutu-bevolkingsgroep. Op 10 december 1996 zijn haar ouders, twee broers en een zus gedood door regeringssoldaten. De vader van eiseres stond in de negatieve belangstelling vanwege zijn activiteiten voor de Mouvement Républicain National pour la Démocratie et le Développement (MRND). Eiseres is samen met een zus en het zoontje van haar andere zus achtergebleven in het ouderlijk huis. Op 20 december 1996 is eiseres thuis door militairen opgepakt. Eiseres heeft de periode van 20 december 1996 tot 15 februari 1997 in de gevangenis doorgebracht, waar zij veelvuldig werd mishandeld en verkracht. Op 15 februari 1997 werd eiseres door de commandant van de gevangenis meegenomen naar zijn huis en daar door hem verkracht. Eiseres wist uit het huis te ontsnappen en is naar Kigali gegaan. Hier heeft zij ruim drie maanden doorgebracht bij een vriendin. Daarna heeft zij een eigen huisje betrokken, samen met haar zus en neefje. Eiseres is in Kigali naar een grotere woning gegaan die eigendom was van haar ouders. Op haar verzoek hebben de bewoners het huis verlaten. Eiseres had de intentie het huis te verhuren, maar militairen in Kigali plaatsten het gezin van een militair in het vrijgekomen huis. Kort daarna heeft C, een vriend van de familie, aan eiseres voorgesteld het land te verlaten. Met zijn hulp heeft eiseres Rwanda op 16 oktober 1999 op illegale wijze verlaten. Vanuit Tanzania is zij de volgende dag per vliegtuig naar Nederland gereisd.

IV. STANDPUNTEN PARTIJEN

1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000.

Voor zover het de beoordeling van het bezwaar aangaande de intrekking van de vvtv betreft, wordt overwogen dat dit bezwaar kennelijk ongegrond is. Immers, de Tweede Kamer heeft ingestemd met de beleidswijziging om de categoriale bescherming ten aanzien van Rwandezen te beëindigen. Derhalve is sprake van een geaccordeerd beleid.

Voor zover het de beoordeling van het bezwaar gericht tegen de afwijzing van de aanvraag om toelating als vluchteling betreft, wordt het volgende overwogen. Eiseres heeft nimmer documenten overgelegd waaruit de door haar gestelde nationaliteit blijkt, noch documenten aangaande haar reis terwijl zij stelt met een vliegtuig Nederland te zijn ingereisd. Hierdoor wordt de geloofwaardigheid van haar relaas aangetast. Van het relaas dient dan een positieve overtuigingskracht uit te gaan, hetgeen niet het geval is. Eiseres heeft onder andere in het eerste gehoor verklaard in het bezit te zijn geweest van een identiteitskaart, die in de gevangenis zou zijn afgenomen. Zij heeft verklaard deze reeds op elfjarige leeftijd te hebben gekregen. Ter zitting van de ambtelijke commissie heeft eiseres dit nogmaals bevestigd. Na te zijn geconfronteerd met hetgeen in het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van december 2003 hierover is opgenomen, heeft zij verklaard dat ze zich heeft vergist en dat de leeftijd waarop zij de identiteitskaart heeft gekregen zestien jaar moet zijn. Nu uit voornoemd ambtsbericht blijkt dat identiteitskaarten destijds pas werden verstrekt op de leeftijd van achttien jaar en tot het bereiken van die leeftijd kinderen werden bijgeschreven op de kaart van de vader, is duidelijk dat eiseres niet de waarheid heeft gesproken omtrent haar identiteitskaart. Derhalve bezit het relaas geen positieve overtuigingskracht en is het relaas niet geloofwaardig. Er zal dan ook geen inhoudelijke beoordeling van het relaas plaatsvinden. Eiseres komt gelet op het vorenoverwogene niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b of c, van de Vw 2000.

2. Eiseres legt aan het beroep ten grondslag dat zij in aanmerking komt voor de gevraagde verblijfsvergunning.

Het bestreden besluit berust op een ondeugdelijke motivering. Bij brieven van 8 en 13 oktober 2004 is aangetoond dat de leeftijd waarop men in Rwanda een identiteitsbewijs krijgt, vóór het bewind van Paul Kagame en dus vóór de zomer van 1994 zestien jaar was, en vanaf de zomer van 1994 achttien jaar. Eiseres was in 1991 zestien jaar oud. Volgens de toen geldende wetgeving van Rwanda was het dragen van een identiteitsdocument op die leeftijd verplicht. Bewijzen hiervan zijn al voor de verzending van het bestreden besluit naar verweerder gestuurd, maar deze gegevens hebben geen invloed meer gehad op de besluitvorming van verweerder. De onjuistheid van de door verweerder gehanteerde informatie, voor zover het de periode van voor de zomer van 1994 betreft, heeft ten onrechte geleid tot gehele ongeloofwaardigheid van het relaas van eiseres. Hierdoor zijn de aangedragen medische gegevens met betrekking tot de aanwezigheid van een trauma ten onrechte buiten de beoordeling gelaten.

V. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit, in het licht van de daartegen aangevoerde beroepsgronden, in rechte stand kan houden.

2. Op 1 april 2001 is de Vw 2000 in werking getreden en is de Vreemdelingenwet 1965 (Vw) ingetrokken. Ingevolge de Vw 2000 houdt het bestreden besluit de beslissing in over de verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000.

3. Ingevolge artikel 13 van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning slechts ingewilligd indien met de aanwezigheid van de vreemdeling een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel indien internationale verplichtingen of klemmende redenen van humanitaire aard daartoe nopen.

4. Ingevolge artikel 28, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 is de Minister bevoegd de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in te willigen, af te wijzen dan wel niet in behandeling te nemen.

5. Op grond van artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000 kan -voor zover hier van belang- een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen;

c. van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst;

d. voor wie terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van Onze Minister van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar.

6. Artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 bepaalt dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 wordt afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zich zelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

7. Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder f, van genoemd artikel wordt bij het onderzoek naar de aanvraag mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

8. De rechtbank stelt vast dat verweerder aan eiseres heeft tegengeworpen dat zij toerekenbaar ongedocumenteerd is als bedoeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000. Eiseres heeft dit niet weersproken. Gelet hierop heeft verweerder in redelijkheid kunnen concluderen dat op voorhand afbreuk is gedaan aan de geloofwaardigheid van het asielrelaas van eiseres.

9. Nu artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 in redelijkheid kon worden tegengeworpen, mogen ingevolge artikel 31 van de Vw 2000, mede gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling (Memorie van Toelichting, p. 40/41) en volgens de ter uitvoering daarvan vastgestelde beleidsregels, in het relaas ook geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden voorkomen; van het asielrelaas moet dan een positieve overtuigingskracht uitgaan (Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS), 27 januari 2003, nr. 200206297/1, JV 2003/103).

10. Verweerder heeft vervolgens tot ongeloofwaardigheid van het asielrelaas van eiseres geconcludeerd. De rechtbank stelt vast dat verweerder in dit verband enkel aan eiseres tegenwerpt dat zij heeft verklaard op zestienjarige leeftijd een identiteitsdocument in haar bezit te hebben gekregen, terwijl uit het ambtsbericht van december 2003 blijkt dat identiteitskaarten destijds pas werden verstrekt op de leeftijd van achttien jaar. Dit standpunt kan in het licht van het onder II genoemde bericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 15 november 2004 niet langer stand houden. Naar het oordeel van de rechtbank is het bestreden besluit ten aanzien van de geloofwaardigheid dan ook ondeugdelijk gemotiveerd en moet het relaas van eiseres vooralsnog voor waar worden gehouden.

11. Hierop ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of er een toetsing van de zwaarwegendheid van de asielmotieven van eiseres heeft plaatsgevonden. In zijn brief van 24 februari 2005 stelt verweerder dat het primaire besluit is ingelast in het bestreden besluit. Derhalve dient het in het primaire besluit ingenomen standpunt thans te worden aangemerkt als subsidiair standpunt, aldus verweerder. De rechtbank volgt dit standpunt evenwel niet en is met eiseres van oordeel dat nu in het bestreden besluit expliciet is overwogen dat geen inhoudelijke beoordeling van het relaas heeft plaatsgevonden, niet kan worden geoordeeld dat verweerder een standpunt op de vraag naar de zwaarwegendheid heeft ingenomen; van een integrale heroverweging op dit punt kan gezien deze opmerking geen sprake zijn geweest. Het enkele incorporeren van het primaire besluit in het bestreden besluit is hiertoe onder deze omstandigheden onvoldoende. Dit staat nog los van de omstandigheid dat in het primaire besluit geen overwegingen zijn gewijd aan het gemotiveerde beroep van eiseres op met name artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000, dat in de bezwaarfase is gevoerd.

12. Hieruit volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 7:12 van de Awb. Derhalve zal het beroep gegrond worden verklaard, het bestreden besluit worden vernietigd en bepaald worden dat verweerder binnen een termijn van vier weken een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak.

13. De rechtbank wijst het door eiser ter zitting gedane verzoek tot oplegging van een dwangsom af. Uit het dossier blijkt niet van een dermate bijzondere omstandigheid die noopt tot het opleggen van een dwangsom. De rechtbank gaat er hierbij vanuit dat verweerder gevolg zal geven aan de in het dictum van deze uitspraak te noemen termijn.

14. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1).

VI . BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder binnen vier weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

4. wijst het verzoek tot het opleggen van een dwangsom af;

5. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 644,-- (zegge: zeshonderd vierenveertig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier.

Gewezen door mr. J. Recourt, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.E. Kolk, griffier, en openbaar gemaakt op 1 april 2005.

De griffier De voorzitter

Afschrift verzonden op 1 april 2005.

Conc: MK

Coll:

Bp: -

D: B

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.