Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AT5393

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-04-2005
Datum publicatie
24-05-2005
Zaaknummer
AWB 05/15356, e.v.
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Vrijheidsbeperkende maatregel / zicht op uitzetting / toepassing artikel 57 Vw 2000.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter valt uit de overgelegde stukken niet op te maken dat sprake is van een medische noodsituatie en evenmin dat de aanwijzing om zich in het vertrekcentrum op te houden zou leiden tot een zodanige verslechtering van de medische situatie van verzoekers, dat verweerder daaruit heeft moeten afleiden dat het opleggen van die maatregel onverantwoord zou zijn. De enkele stelling van verzoekers dat zij een reguliere aanvraag hebben ingediend, leidt evenmin tot het oordeel dat verweerder niet de maatregel ex artikel 57 Vw 2000 heeft mogen opleggen. Niet is gebleken dat hierdoor zicht op uitzetting ontbreekt. Beroep ongegrond, afwijzing verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Zitting houdende te Zutphen

Registratienummers: Awb 05/15356 en Awb 05/15358 (verzoeken)

Awb 05/15355 en Awb 05/15357 (beroepen)

Datum uitspraak: 12 april 2005

UITSPRAAK

op de verzoeken om een voorlopige voorziening, tevens uitspraak in de hoofdzaken, in de geschillen tussen:

A

geboren op [...] 1969,

verzoeker,

en zijn echtgenote

B

geboren op [...] 1972,

verzoekster,

beiden van Iraanse nationaliteit,

gemachtigde: mr. P.H. Hillen, advocaat te Tilburg,

en

DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE

verweerder,

gemachtigde: mr. M. van Bruggen, werkzaam bij de IND.

1. Procesverloop

Bij uitspraak van 26 februari 2004 (zaak nr. 200307150/1) van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) zijn verweerders afzonderlijke meeromvattende besluiten van 26 oktober 2001, strekkende tot afwijzing van de asielaanvragen van verzoekers, in rechte onaantastbaar geworden.

Bij besluiten van 5 april 2005 heeft verweerder verzoekers de aanwijzing gegeven zich vanaf 14 april 2005 voor de terugkeer op te houden in het Vertrekcentrum te Vlagtwedde en zich daar te gedragen overeenkomstig de hen gegeven aanwijzingen, waaronder de aanwijzing zich twee keer daags te melden bij de vreemdelingenpolitie op het Vertrekcentrum.

Op 5 april 2005 hebben verzoekers tegen deze besluiten beroep ingesteld bij de rechtbank en verzocht om een voorlopige voorziening.

De verzoeken zijn behandeld ter zitting van 11 april 2005, waar de gemachtigde van verweerder is verschenen. Verzoekers en hun gemachtigde zijn – met kennisgeving – niet verschenen.

2. Motivering

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, indien tegen het besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Indien de voorzieningenrechter na de behandeling ter zitting van een verzoek om een voorlopige voorziening van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, kan hij, ingevolge artikel 8:86 van de Awb, onmiddellijk uitspraak doen in de bij de rechtbank aanhangige hoofdzaak. Van deze bevoegdheid wordt in dit geval gebruik gemaakt.

Ingevolge artikel 93, eerste lid van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) is de aanwijzing als bedoeld in artikel 57 van die wet aan te merken als een besluit als bedoeld in artikel 8:1, eerste lid, van de Awb. Gelet op het bepaalde in artikel 75 onder b van de Vw 2000 is tegen dat besluit geen bezwaar mogelijk, maar dient beroep te worden ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank is derhalve bevoegd om kennis te nemen van de hoofdzaak.

2.2 Op 5 april 2005 hebben verzoekers beroep ingesteld tegen de aanwijzing om zich op 14 april 2005 in het Vertrekcentrum te Vlagtwedde te melden en tevens verzocht om een voorlopige voorziening. Daarbij hebben verzoekers verzocht bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat de aanwijzing zal worden opgeschort, primair totdat verweerder een beslissing heeft genomen op de door verzoekers ingediende aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘het ondergaan van een medische behandeling’, subsidiair totdat verweerder advies heeft verkregen van Bureau Medische Advisering en meer subsidiair totdat de rechtbank op de beroepen zal hebben beslist.

De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting het standpunt ingenomen, dat een voorlopig oordeel over de vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 57 van de Vw 2000 zich niet verdraagt met de onomkeerbaarheid van een eventuele uitspraak waarmee de werking van de maatregel wordt opgeschort. Daartoe is verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 18 september 2003, zaaknummer 200306102/3 (niet gepubliceerd). Verweerder is van mening, dat het treffen van een voorlopige voorziening in een zaak als de onderhavige niet een voorlopig, maar een onomkeerbaar karakter heeft, omdat hiermee de voorbereiding van de uitzetting zou worden doorkruist. Dit zou volgens verweerder tot niet-ontvankelijkheid van het verzoek dienen te leiden.

De voorzieningenrechter volgt dit standpunt niet. Uit de door verweerder aangehaalde uitspraak blijkt immers dat de Voorzitter van de Afdeling wel een voorlopig oordeel uitspreekt over het aanhangig gemaakte hoger beroep en tevens beoordeelt of er aanleiding is een voorlopige voorziening te treffen, waarbij de onomkeerbaarheid van de uitvoering van het bevel tot invrijheidsstelling het handhaven van de reeds getroffen voorlopige voorziening, dat de Minister geen uitvoering hoeft te geven aan het bevel om de bewaring op te heffen noodzakelijk maakt.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan uit de ingeroepen uitspraak dan ook niet worden afgeleid dat het onderhavige verzoek niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Dit neemt niet weg, dat de onomkeerbaarheid van een eventueel te treffen voorziening, inhoudende dat vooralsnog geen uitvoering mag worden gegeven aan de vrijheidsbeperkende maatregel, een onderdeel is van de belangenafweging en een terughoudende opstelling van de voorzieningenrechter noodzakelijk maakt.

2.3 Thans staat ter beoordeling of de aanwijzing ex artikel 57 van de Vw 2000 ten aanzien van verzoekers in rechte stand kan houden. In artikel 57 van de Vw 2000 is bepaald dat de Minister de vreemdeling wiens aanvraag om een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 38 van de wet is afgewezen een aanwijzing kan geven zich op te houden in een bepaalde ruimte of op een bepaalde plaats en daar de aanwijzingen van de bevoegde autoriteiten in acht te nemen, ook indien de beschikking waarbij de aanvraag is afgewezen nog niet onherroepelijk is dan wel het beroep de werking van de beschikking opschort.

In het geval van verzoekers zijn de asielaanvragen bij besluiten van 26 oktober 2001 afgewezen, welke besluiten door de uitspraak van de Afdeling van 26 februari 2004 onherroepelijk zijn geworden. Gelet hierop rust op verzoekers de rechtsplicht Nederland uit eigen beweging te verlaten. Verweerder kon derhalve gebruik maken van de in artikel 57 van de Vw 2000 opgenomen bevoegdheid tot het geven van een aanwijzing. Dat er nog een procedure loopt bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens staat daaraan niet in de weg.

Verzoekers hebben aan hun verzoek ten grondslag gelegd dat sprake is van een acute medische noodsituatie en dat in verband daarmee het opleggen van een vrijheidsbeperkende maatregel disproportioneel is, althans in strijd met het beginsel van subsidiariteit. Daartoe hebben verzoekers diverse rapportages van GGZ Midden Brabant overgelegd, een rapport van de medische onderzoeksgroep van Amnesty International en een medische verklaring van psychotherapeut drs. A.J. Oortwijn. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter valt uit de overgelegde stukken niet op te maken, dat sprake is van een medische noodsituatie en evenmin dat de aanwijzing om zich in het Vertrekcentrum op te houden zou leiden tot een zodanige verslechtering van de medische situatie van verzoekers, dat verweerder daaruit heeft moeten afleiden dat het opleggen van die maatregel onverantwoord zou zijn. Daarbij neemt de rechter in aanmerking dat, naar de gemachtigde van verweerder ter zitting heeft aangegeven, ook in het Vertrekcentrum medische zorg beschikbaar is.

Volgens de gemachtigde van verzoekers zou er op 7 april 2005 een aanvraag worden ingediend voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘het ondergaan van een medische behandeling’. Het indienen van een reguliere aanvraag – overigens is niet komen vast te staan of er sprake is van feitelijke indiening van een aanvraag die voldoet aan de daaraan gestelde vormvereisten – brengt evenwel niet mee, dat aanspraak bestaat op verstrekkingen. Voorzover verzoekers beogen te stellen, dat indiening van een reguliere aanvraag betekent dat zij voorlopig niet zullen worden uitgezet en dat de aanwijzing van artikel 57 van de Vw 2000 door het ontbreken van zicht op uitzetting niet mag worden gegeven, volgt de voorzieningenrechter deze stelling niet. Zoals de gemachtigde van verweerder ter zitting heeft betoogd, kan de beoordeling van de aanvraag plaatsvinden binnen de periode van verblijf van in beginsel acht weken in het Vertrekcentrum. Geen rechtsregel staat eraan in de weg dat daarnaast de voorbereiding van de uitzetting doorgang vindt.

2.4 De voorzieningenrechter ziet gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen aanleiding voor het oordeel dat het besluit, inhoudende de aanwijzing aan verzoekers om zich op te houden in het Vertrekcentrum te Vlagtwedde, niet in stand kan blijven. Nader onderzoek kan redelijkerwijs niet bijdragen aan beoordeling van de zaak, zodat de rechter met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb het beroep ongegrond zal verklaren.

2.5 Nu het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening.

2.6 Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart de beroepen ongegrond;

- wijst de verzoeken af.

Aldus gegeven door mr. R.J. van Lochem en in het openbaar uitgesproken op 12 april 2005 in tegenwoordigheid van drs. P.F. Lammers als griffier.

Rechtsmiddel:

Tegen de uitspraak in de hoofdzaken staat gelet op het bepaalde in artikel 84, aanhef en onder a, van de Vw 2000 geen hoger beroep open. Tegen de uitspraak op de verzoeken staat evenmin hoger beroep open.

Afschrift verzonden op: