Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AT5065

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-03-2005
Datum publicatie
13-05-2005
Zaaknummer
AWB 03/9248, 03/9245
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Toepasselijk recht na vernietiging beschikking / rechtszekerheid.

In het ambtelijk gehoor is op geen enkele wijze aangegeven dat niet meer zou worden uitgegaan van de eerdere uitspraak van de rechtbank noch dat bij de beoordeling van het bezwaar van het nieuwe recht zou worden uitgegaan. Het thans bestreden besluit is hierom op onzorgvuldige wijze voorbereid. Eiser heeft zich in de bezwaarfase niet kunnen uitlaten over de thans gehanteerde weigeringsgrond, hetgeen strijdt met het beginsel van hoor en wederhoor. Op grond van de rechtszekerheid die is gediend met de eerbiediging van de oordelen vervat in een in rechte onaantastbare uitspraak, moet in beginsel worden uitgegaan van de eerdere uitspraak van de rechtbank. Het feit dat door de vernietiging van het eerdere besluit de bezwaarfase weer openviel en verweerder gehouden was een nieuw besluit te nemen, welke onvermijdelijk gedateerd zou zijn na invoering van het nieuwe recht, doet daaraan in dit geval niet af. Dit gegeven was immers bekend op het moment dat de rechtbank uitspraak deed op 8 januari 2002, op welke datum het nieuwe recht al was ingevoerd. Verweerder had de uitspraak van de rechtbank als uitgangspunt moeten nemen en opnieuw een beslissing op bezwaar moeten nemen waarbij de aanvraag om een vergunning tot vestiging had moeten worden getoetst aan het oude recht, met inachtneming van hetgeen de rechtbank in haar uitspraak had overwogen. De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. De stelling van verweerder dat niet is voldaan aan het vereiste van vijf jaar hoofdverblijf achtte de rechtbank in de uitspraak van 8 januari 2002 onvoldoende deugdelijk onderbouwd. Nu verweerder de gelegenheid heeft voorbij laten gaan om nader onderzoek op dit punt te doen, is naar het oordeel van de rechtbank ook niet langer in geschil is dat sprake is van een hoofdverblijf van langer dan vijf jaar. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank ’s-Gravenhage

nevenzittingsplaats Haarlem

enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken

voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

artikel 8:77 en 8:81 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

artikel 71 Vreemdelingenwet 2000 (Vw)

reg.nr: AWB 03 / 9248 (beroepszaak)

AWB 03 / 9245 (voorlopige voorziening)

inzake: A, geboren op [...] 1969, van Marokkaanse nationaliteit, eiser / verzoeker, verder te noemen eiser,

gemachtigde: mr. M.E. Muller, advocaat te Gouda,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, voorheen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. J.C.J. de Ridder, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te ’s-Gravenhage.

1. GEGEVENS INZAKE HET GEDING

1.1 Op 2 april 1997 heeft eiser een aanvraag ingediend om een vergunning tot vestiging. Bij besluit van 6 januari 1998 heeft verweerder deze aanvraag niet ingewilligd. Het hiertegen ingediende bezwaar van 29 januari 1998 heeft verweerder bij besluit van 4 januari 2000 ongegrond verklaard. Tegen dit laatste besluit heeft eiser op 25 januari 2000 beroep ingesteld.

1.2 Deze rechtbank, nevenzittingsplaats Utrecht, heeft dit beroep bij uitspraak van 8 januari 2002, kenmerk AWB 00 / 855, gegrond verklaard en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van 29 januari 1998.

1.3 Bij besluit van 24 januari 2003 heeft verweerder het bezwaar van 29 januari 1998 opnieuw ongegrond verklaard, waarbij de aanvraag van eiser is aangemerkt als een aanvraag om een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd in de zin van artikel 20 Vw. Hiertegen heeft eiser op 13 februari 2003 beroep ingesteld.

1.4 Eiser heeft op 13 februari 2003 tevens gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Hij verzoekt verweerder te verbieden hem uit te zetten en de in artikel 45 Vw genoemde rechtsgevolgen niet in te laten treden, voordat op het beroep is beslist.

1.5 Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden.

1.6 De openbare behandeling heeft plaatsgevonden op 28 januari 2005. Daarbij hebben eiser en verweerder bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader uiteengezet.

2. OVERWEGINGEN

2.1 In beroep toetst de rechtbank het bestreden besluit aan de hand van de voorgedragen beroepsgronden op rechtmatigheid en ambtshalve aan voorschriften van openbare orde.

2.2 Eiser is op 13 februari 1992 in het bezit gesteld van een vergunning tot verblijf met als doel ‘Studie hoger onderwijs aan de Hogeschool Rotterdam & Omstreken, studierichting: medische laboratoriumopleiding, lokatie Delft’. Deze verblijfsvergunning voor studie is laatstelijk verlengd tot 1 september 1999.

2.3 Naar aanleiding van zijn bezwaar van 29 januari 1998 tegen het besluit in primo van 6 januari 1998 is eiser op 22 oktober 1999 gehoord door de Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken (ACVZ). De ACVZ heeft op basis van deze hoorzitting verweerder geadviseerd het bezwaar ongegrond te verklaren. Verweerder heeft dit advies in zijn besluit op bezwaar van 4 januari 2000 overgenomen en heeft het bezwaar ongegrond verklaard wegens het niet voldoen aan het vereiste van vijf jaar rechtmatig verblijf hier te lande en het niet beschikken over voldoende middelen van bestaan. Bij uitspraak van 22 januari 2002 heeft deze rechtbank, nevenvestigingsplaats Utrecht, het beroep van eiser tegen dit besluit gegrond verklaard en het besluit vernietigd wegens een onvoldoende deugdelijke motivering. Vervolgens is eiser op 18 oktober 2002 opnieuw gehoord, nu ten overstaan van een ambtelijke commissie.

2.4 Verweerder heeft zich thans, voor zover relevant, op het volgende standpunt gesteld. Met de vernietiging van het besluit op bezwaar van 4 januari 2000 dient opnieuw op het bezwaar te worden beslist. Gelet op de in de bezwaarfase vereiste ‘ex nunc’-toetsing is het nieuwe recht op de aanvraag van eiser van toepassing. Ingevolge de nieuwe wet kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd worden afgewezen indien de vreemdeling op de dag waarop de aanvraag is ontvangen een verblijfsrecht van tijdelijke aard heeft. Op grond van geldend beleid wordt een aanvraag in een dergelijk geval afgewezen. Eiser was ten tijde van de aanvraag houder van een verblijfsvergunning voor studie. Dit is een verblijfsrecht van tijdelijke aard. Eiser komt derhalve niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd.

2.5 In beroep is hiertegen aangevoerd dat de aanvraag van eiser dient te worden getoetst aan de wet en beleidsregels zoals deze golden op het moment van de aanvraag. Destijds bestond geen wettelijke basis voor weigering van een vergunning tot vestiging indien vreemdelingen in het bezit zijn van een verblijfsvergunning van tijdelijke aard. In het toenmalige beleid staat expliciet dat verblijf voor een tijdelijk doel onvoldoende is voor weigering van een dergelijke vergunning. Het van toepassing verklaren van het nieuwe recht op de aanvraag van eiser is in strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur. In het vreemdelingenrecht geldt dat een aanvraag moet worden getoetst aan het recht op het moment van de aanvraag, tenzij het nieuwe recht gunstiger is, aldus eiser.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.6 De rechtbank stelt allereerst vast dat in de uitspraak van 8 januari 2002 is overwogen dat het toen te beslechten geschil diende te worden beoordeeld aan de hand van de bepalingen van de Vw (oud), aangezien het in die procedure bestreden besluit dateerde van voor 1 april 2001. De rechtbank heeft vervolgens in het dictum van die uitspraak, na toetsing van het bestreden besluit aan het voor 1 april 2001 geldende recht, verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in de overwegingen van die uitspraak is opgenomen.

2.7 De rechtbank stelt vervolgens vast dat verweerder op generlei wijze het besluit heeft genomen in overeenstemming met hetgeen de rechtbank heeft overwogen, doch een inhoudelijk geheel nieuw besluit op bezwaar heeft genomen, waarbij verweerder de aanvraag heeft getoetst aan het recht zoals dat geldt met ingang van 1 april 2001.

2.8 De rechtbank is allereerst van oordeel dat, nu in het ambtelijk gehoor van 18 oktober 2002 op geen enkele wijze is aangegeven dat niet meer zou worden uitgegaan van de uitspraak van de rechtbank, noch dat bij de beoordeling van het bezwaar van het nieuwe recht zou worden uitgegaan, het thans bestreden besluit op onzorgvuldige wijze is voorbereid. Eiser heeft zich in de bezwaarfase niet kunnen uitlaten over de thans gehanteerde weigeringsgrond, hetgeen strijdt met het beginsel van hoor en wederhoor.

2.9 De rechtbank is voorts van oordeel dat, op grond van de rechtszekerheid die is gediend met de eerbiediging van de oordelen vervat in een in rechte onaantastbare uitspraak, in beginsel moet worden uitgegaan van de uitspraak van de rechtbank van 8 januari 2002. Het feit dat door de vernietiging van het eerdere besluit de bezwaarfase weer openviel en verweerder gehouden was een nieuw besluit te nemen, welke onvermijdelijk gedateerd zou zijn na invoering van het nieuwe recht, doet daaraan in dit geval niet af. Dit gegeven was immers bekend op het moment dat de rechtbank uitspraak deed op 8 januari 2002, op welke datum het nieuwe recht al was ingevoerd.

2.10 De rechtbank is van oordeel dat verweerder de uitspraak van de rechtbank van 8 januari 2002 als uitgangspunt had moeten nemen en opnieuw een beslissing op bezwaar had moeten nemen waarbij de aanvraag om een vergunning tot vestiging had moeten worden getoetst aan het oude recht, met inachtneming van hetgeen de rechtbank in haar uitspraak had overwogen. Dat heeft verweerder niet gedaan.

2.11 De rechtbank is van oordeel dat verweerder, op die wijze handelend, het thans bestreden besluit op onzorgvuldige wijze heeft voorbereid en dat aan dit besluit een deugdelijke motivering ontbreekt.

2.12 De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikelen 3:2 en7:12 Awb.

2.13 De rechtbank ziet vervolgens aanleiding om zelf, op de voet van artikel 8:72, vierde lid, Awb in de zaak te voorzien.

2.14 Allereerst stelt de rechtbank vast dat in geschil is een aanvraag om een vergunning tot vestiging die is ingediend op 2 april 1997, ofwel bijna acht jaar geleden. Verweerder heeft al twee keer een beslissing op bezwaar heeft genomen, beide beslissingen hebben in rechte geen stand gehouden en in het kader van de bezwaarprocedures is eiser gehoord door zowel de toenmalige ACVZ als, in de tweede bezwaarprocedure, door een ambtelijke commissie. Deze omstandigheden, alsmede tijdsverloop, noopt er naar het oordeel van de rechtbank toe om na te gaan of op deze aanvraag niet definitief kan worden beslist.

2.15 In de uitspraak van 8 januari 2002 heeft de rechtbank overwogen dat de inkomsten uit het slagersbedrijf niet noodzakelijkerwijs hebben meegebracht dat eiser daar meer arbeid heeft verricht dan arbeid van bijkomende aard, mede gezien hetgeen eiser verklaarde over de wijze van overname en exploitatie van het slagersbedrijf. De stelling van verweerder dat niet is voldaan aan het vereiste van vijf jaar hoofdverblijf achtte de rechtbank onvoldoende deugdelijk onderbouwd.

2.16 Nu verweerder de gelegenheid heeft voorbij laten gaan om nader onderzoek op dit punt te doen, is de rechtbank van oordeel, uitgaande van hetgeen zich in het dossier bevindt en hetgeen eiser heeft gesteld, dat niet gezegd kan worden dat eiser op de datum van aanvraag niet duurzaam beschikte over voldoende middelen van bestaan, zodat verweerder het ontbreken daarvan niet heeft kunnen tegenwerpen. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank ook niet langer in geschil is dat sprake is – op de datum van aanvraag – van een hoofdverblijf van langer dan vijf jaar. Tevens is niet gebleken van bezwaren ter zake van de openbare orde of nationale veiligheid. De rechtbank komt tot de conclusie dat geen andere beslissing mogelijk is dan dat eiser op 2 april 1997 aanspraak had op een vergunning tot vestiging.

2.17 De rechtbank zal derhalve bepalen dat, mede gezien artikel 115 en 117 Vw, verweerder aan eiser een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd dient te verlenen, met als ingangsdatum 2 april 1997.

2.18 Gegeven de beslissing in de hoofdzaak is er geen grond meer voor het treffen van de verzochte voorlopige voorziening, zodat het verzoek zal worden afgewezen.

2.19 De rechtbank ziet aanleiding verweerder in de hoofdzaak met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten, zulks met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De kosten zijn op voet van het bepaalde in het bovengenoemde Besluit voor het beroep vastgesteld op € 644,-- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1). Voor de procedure ter verkrijging van een voorlopige voorziening zijn de kosten vastgesteld op € 322,-- (1 punt voor het verzoekschrift, wegingsfactor 1; er is geen aanleiding voor toekenning van een afzonderlijk punt voor de behandeling van dat verzoek ter zitting).

2.20 Uit de gegrondverklaring volgt dat verweerder het betaalde griffierecht ad tweemaal € 109,-- dient te vergoeden.

3. BESLISSING

De rechtbank:

ten aanzien van de hoofdzaak:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit van 24 januari 2003;

3.3 bepaalt dat verweerder aan eiser een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd verleent, met als ingangsdatum 2 april 1997;

3.4 bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

3.5 veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten eiser dient te vergoeden;

3.6 wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht ad € 109,--.

De voorzieningenrechter:

ten aanzien van de gevraagde voorlopige voorziening:

3.7 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

3.8 veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 322,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan eiser dient te vergoeden;

3.9 wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht ad € 109,--.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.P. Smit, lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingen-zaken, tevens voorzieningenrechter, en uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2005, in tegenwoordigheid van mr. A.M. den Dulk als griffier.

Afschrift verzonden op: 25 maart 2005

Coll:

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.