Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AT4530

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-04-2005
Datum publicatie
28-04-2005
Zaaknummer
AWB 03/25369
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Amv / schadevergoeding op grond van eerdere bewaring als volwassene / artikel 5 EVRM.

Naar aanleiding van een herhaalde aanvraag kent verweerder de vreemdeling het voordeel van de twijfel toe en verleent haar na een eerdere weigering alsnog een verblijfsvergunning regulier als alleenstaande minderjarige vreemdeling. Vervolgens vraagt de vreemdeling schadevergoeding wegens het feit dat zij in bewaring heeft verbleven onder de condities voor volwassenen. Verweerder heeft de vreemdeling meegedeeld geen grond te zien voor toekenning van een schadevergoeding. Vervolgens is het bezwaarschrift tegen die weigering ongegrond verklaard. In beroep heeft verweerder zich op het - nadere - primaire standpunt gesteld dat het voornoemde schrijven geen besluit is en dat het bezwaarschrift niet-ontvankelijk had dienen te worden verklaard. Verweerder heeft verklaard dat gelet op artijel 34j Vw 1994 en artikel 106 Vw 2000 door de wetgever is bedoeld als een bijzonder en exclusieve bevoegdheid voor de vreemdelingenrechter als het gaat om het toekennen van schadevergoeding na opheffing van de bewaring. Met dit stelsel is, aldus verweerder, niet te verenigen dat buiten een verzoek om opheffing van de bewaringsmaatregel bij de rechtbank alsnog in rechte getracht wordt om schadevergoeding te krijgen met betrekking tot een in het verleden ondergane maatregel van inbewaringstelling. Bovendien is de onrechtmatigheid van de bewaring niet erkend door verweerder. De rechtbank overweegt allereerst dat voormelde artikelen uit de Vw 2000 niet in de weg staan aan een eventuele schadevergoeding nu die zijn grondslag kan vinden in artikel 5 EVRM. Vervolgens wordt overwogen dat er geen grondslag is voor schadevergoeding nu verweerder de onrechtmatigheid van de wijze van bewaring niet heeft erkend. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

ZITTINGHOUDENDE TE ROERMOND

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Vreemdelingenkamer

UITSPRAAK

van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Proc.nr.: AWB 03/25369

Inzake: A, eiseres,

gemachtigde drs. J.W. de Haan, werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand Asiel,

tegen : de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie te ‘s-Gravenhage, verweerder.

I. PROCESVERLOOP

Eiseres heeft bij schrijven van 3 juli 2001 bij verweerder een verzoek om schadevergoeding ingediend. Bij schrijven van 20 september 2001 heeft verweerder afwijzend beslist op dat verzoek. Eiseres heeft tegen dit schrijven op 18 oktober 2001 een bezwaarschrift ingediend. Bij besluit van 4 april 2003 heeft verweerder het bezwaarschrift van eiseres ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft eiseres per fax, gedateerd 4 april 2003 en bij de rechtbank binnengekomen op 28 april 2003, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn bij fax van 27 mei 2003 en bij fax van 14 oktober 2004 aangevuld.

Verweerder heeft naar aanleiding van het beroep de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2004, alwaar eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde

drs. J.W. de Haan. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door

mr. A. Elkhannaji.

II. OVERWEGINGEN

Eiseres is geboren op [...] september] 1984 en van Chinese nationaliteit. Op 23 april 1998 is eiseres op grond van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a van de Vreemdelingenwet (Vw 1965) in bewaring gesteld. Eiseres heeft gedurende de periode van 23 april 1998 tot en met 15 september 1998 in bewaring gezeten. Bij beroepschrift van 7 september 1998 heeft eiseres beroep ingesteld tegen de inbewaringstelling.

Voornoemd beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, op 15 september 1998, alwaar het beroep gegrond is verklaard en de opheffing van de bewaring is bevolen met ingang van dezelfde dag. Er is door de rechtbank destijds geen schadevergoeding toegekend. Hiertegen is namens eiseres geen hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof in Den Haag, zijnde de toenmalige hogere beroepsinstantie. Derhalve heeft de uitspraak van 15 september 1998 gezag van gewijsde verkregen.

Bij besluit van 14 juni 2001 is eiseres naar aanleiding van een op 6 oktober 1998 ingediende, herhaalde, aanvraag tot toelating als vluchteling in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, onder de beperking ‘verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling’, met ingang van 6 oktober 1998, onder gelijktijdige verlenging van de geldigheidsduur met telkens een jaar, laatstelijk tot

9 september 2000. Met ingang van 9 september 2000 is eiseres vervolgens in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘voortgezet verblijf’, geldig tot 9 september 2005.

Bij brief van 3 juli 2001 heeft eiseres verweerder vervolgens verzocht haar in aanmerking te brengen voor schadevergoeding, nu zij bij voornoemd besluit van

14 juni 2001 alsnog in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling’ en zij achteraf gezien ten onrechte in de periode van 23 april 1998 tot 15 september 1998 in vreemdelingenbewaring heeft gezeten, zo begrijpt de rechtbank uit het bezwaarschrift van eiseres van 16 november 2001, als volwassene. Eiseres heeft destijds op de volwassenafdeling van het Grenshospitium in bewaring gezeten, terwijl verweerder, gelet op voormeld besluit, achteraf erkend heeft dat zij ten onrechte niet als minderjarige is aangemerkt en eiseres derhalve ook ten onrechte voor de bewaring niet is aangemerkt als minderjarige.

Verweerder heeft zich bij schrijven van 20 september 2001 op het standpunt gesteld dat eiseres niet voor schadevergoeding in aanmerking komt in verband met de periode waarin zij – als volwassene - in vreemdelingenbewaring heeft verbleven. Op 18 oktober 2001 is tegen deze beslissing bezwaar gemaakt.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het bezwaarschrift van eiseres ongegrond verklaard en zich ook in heroverweging op het standpunt gesteld dat eiseres niet voor schadevergoeding in aanmerking komt. Verweerder heeft hiertoe verwezen naar de uitspraak van de rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 15 september 1998, waarbij het beroep, gericht tegen de opheffing van de maatregel tot bewaring, gegrond is verklaard en geen schadevergoeding is toegekend. Van de mogelijkheid beroep in te stellen tegen die uitspraak heeft eiseres geen gebruik gemaakt. Derhalve dient, aldus verweerder, te worden uitgegaan van de formele rechtskracht. Bovendien dient het verzoek om schadevergoeding gekoppeld te zijn aan het verzoek om opheffing van de bewaring, dan wel uiterlijk gedaan te worden op de zitting naar aanleiding van de bewaring. Hiervan is in casu geen sprake, aldus verweerder. Overigens is verweerder niet gebleken dat eiseres destijds onrechtmatig in vreemdelingenbewaring heeft gezeten en was de reden voor de opheffing van de bewaring gelegen in het niet voortvarend handelen door de rechtsvoorganger van verweerder teneinde uitzetting te bewerkstelligen.

In beroep heeft eiseres – kort gezegd – aangevoerd dat de omstandigheid dat de rechtbank Amsterdam in voornoemde uitspraak geen aanleiding heeft gezien schadevergoeding toe te kennen enkel te wijten is aan het feit dat verweerder tot aan dat moment geweigerd heeft haar minderjarigheid te erkennen. Nu verweerder alsnog erkend heeft dat eiseres ten onrechte niet als minderjarige is aangemerkt, had verweerder tevens dienen te erkennen dat de bewaring onrechtmatig is geweest en mitsdien schadevergoeding dienen toe te kennen aan eiseres.

Wat de hoogte van de schadevergoeding betreft, stelt eiseres zich in de nadere gronden van het beroep op het standpunt dat haar niet de gebruikelijke compensatie van € 70,-- per dag dient te worden toegekend, maar dat, vanwege de omstandigheid dat zij als alleenstaande minderjarige vreemdeling onterecht zes maanden is vastgehouden, de norm € 95,-- schadevergoeding per dag te zijn, zijnde de norm die geldt voor onterechte bewaring op een politiebureau. Tevens is eiseres van mening dat zij gecompenseerd dient te worden voor geleden immateriële schade waarbij gedacht dient te worden aan een extra compensatiebedrag van 5.000,-- euro.

In het verweerschrift en ter zitting heeft verweerder zich nader op het standpunt gesteld dat het bezwaarschrift van eiseres niet-ontvankelijk had dienen te worden verklaard. Daarbij heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het bezwaar is gericht tegen het schrijven van verweerder van 20 september 2001 en dat dit geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Verweerder heeft geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep en de rechtbank verzocht om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk te verklaren.

De rechtbank overweegt naar aanleiding van de door verweerder in zijn verweerschrift en ter zitting – overigens voor het eerst - ingenomen standpunt het volgende.

Het besluit waartegen het beroep is gericht, is onmiskenbaar een besluit in de zin van de Awb, nu een besluit op bezwaar reeds als zodanig een publiekrechtelijke rechtshandeling behelst, daargelaten of het besluit waartegen het bezwaar is gericht is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Het beroep daartegen kan derhalve door de rechtbank worden

ontvangen. Met betrekking tot de vraag of het schrijven van verweerder van

20 september 2001 een besluit is in de zin van de Awb overweegt de rechtbank als volgt.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft in een uitspraak van 6 mei 1997 (AB 1997, 229) overwogen:

“Een publiekrechtelijke rechtshandeling is een op rechtsgevolg gerichte beslissing van een bestuursorgaan, dat de bevoegdheid tot het nemen van die beslissing ontleent aan het publiekrecht. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 29 nov. 1996 inzake nr. E03.94.1703 (AB 1997, 66) berust de bevoegdheid van een bestuursorgaan tot het nemen van een beslissing op een verzoek om vergoeding van schade, voorzover het schade betreft ten gevolge van de onrechtmatige uitoefening van een aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid, op het - in art. 6:162 van het BW en in art. 8:73 van de Awb tot uiting komende - algemeen geldende rechtsbeginsel, volgens hetwelk degene die door aan hem toerekenbaar onrechtmatig handelen of nalaten schade heeft veroorzaakt, is gehouden die aan de benadeelde te vergoeden.

Dit rechtsbeginsel is publiekrechtelijk van aard indien het zijn werking doet voelen in een door de uitoefening van een aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid ontstane rechtsverhouding. (…)

Het rechtsgevolg waarop een beslissing van een bestuursorgaan op een verzoek om vergoeding van schade, veroorzaakt binnen het kader van de uitoefening van een aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid, is gericht, is dat naar publiekrecht al dan niet een aanspraak op betaling van schadevergoeding wordt gevestigd.

(…)

Nu de beweerdelijk geleden schade derhalve is veroorzaakt binnen het kader van de uitoefening van een aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid, volgt uit het vorenoverwogene dat, anders dan appellant meent, de brief van 20 november 1995, voorzover daarbij het verzoek van (…) om schadevergoeding is afgewezen, een besluit is als bedoeld in art.1:3 van de Awb.

Vervolgens dient de Afdeling de vraag te beantwoorden of tegen dit besluit beroep op de bestuursrechter openstond. De Afdeling overweegt in dit verband het volgende.

Aan het stelsel van afdeling 8.1.1 van de Awb ligt blijkens de parlementaire geschiedenis het streven ten grondslag naar een in de rechtspraktijk goed hanteerbare afbakening van bevoegdheden tot beoordeling van de uitoefening van publiekrechtelijke bevoegdheden door de algemene bestuursrechter, de bijzondere bestuursrechters en de burgerlijke rechter. Met name uit de parlementaire geschiedenis van art. 8:3 van de Awb kan worden afgeleid dat de wetgever heeft beoogd zoveel mogelijk te voorkomen dat binnen een reeks van uit elkaar voortvloeiende of anderszins nauw met elkaar samenhangende beslissingen van een bestuursorgaan een scheiding zou moeten worden aangebracht wat betreft de rechters die bevoegd zijn tot toetsing van de verschillende beslissingen.

Naar het oordeel van de Afdeling past het in dit stelsel de algemene dan wel bijzondere bestuursrechter slechts bevoegd te achten tot kennisneming van beroepen tegen een zuiver schadebesluit, indien die rechter ook bevoegd is te oordelen over beroepen tegen de schadeveroorzakende uitoefening van de publiekrechtelijke bevoegdheid zelf. Indien derhalve tegen de schadeveroorzakende uitoefening van de publiekrechtelijke bevoegdheid geen beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld, dan is er ook geen beroep mogelijk tegen een besluit naar aanleiding van een verzoek om vergoeding van schade die daardoor is veroorzaakt. Een wettelijke belemmering in de bevoegdheid van de bestuursrechter kennis te nemen van een beroep tegen de schadeveroorzakende uitoefening van een publiekrechtelijke bevoegdheid werkt aldus door in zijn bevoegdheid kennis te nemen van een beroep tegen een naar aanleiding van die bevoegdheidsuitoefening genomen schadebesluit.

Het vorenstaande laat onverlet, zoals hierboven is overwogen, dat een beslissing op een buitenwettelijk verzoek om schadevergoeding naar aanleiding van een niet voor beroep bij de bestuursrechter vatbare wijze van uitoefening van een schadeveroorzakende publiekrechtelijke bevoegdheid, een besluit is in de zin van art. 1:3 van de Awb.”

De rechtbank stelt vast dat de door eiseres gestelde schade, schade is die volgens eiseres is voortgevloeid uit het – achteraf – onrechtmatig te achten bevel tot bewaring van verweerder.

Het besluit van verweerder van 20 september 2001 is op grond van het vorenstaande dan ook een zuiver schadebesluit, inhoudende de schriftelijke weigering van verweerder om eiseres de door haar gestelde schade te vergoeden als gevolg van de door eiseres gestelde onrechtmatigheid van haar bewaring onder een volwassenenregime in plaats van onder het ten tijde van die bewaring voor minderjarigen geldende regime. Aangezien de vreemdelingenrechter bevoegd is ten aanzien van verzoeken om schadevergoeding in relatie tot een (onrechtmatige) bewaring is de vreemdelingenrechter bevoegd terzake van het onderhavige geschil.

Vervolgens ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het systeem van artikel 34j van de Vreemdelingenwet 1965 in samenhang bezien met de meergenoemde uitspraak van de rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, er aan in de weg staat dat thans alsnog schadevergoeding wordt gevorderd. In een schrijven van

25 oktober 2004 heeft verweerder nog aangevoerd dat artikel 106 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) door de wetgever is bedoeld als een bijzonder en exclusieve bevoegdheid voor de vreemdelingenrechter als het gaat om het toekennen van schadevergoeding na opheffing van de bewaring. Met dit stelsel is, aldus verweerder, niet te verenigen dat buiten een verzoek om opheffing van de bewaringsmaatregel bij de rechtbank alsnog in rechte getracht wordt om schadevergoeding te krijgen met betrekking tot een in het verleden ondergane maatregel van inbewaringstelling.

De rechtbank overweegt dat verweerder allereerst over het hoofd ziet dat het thans aan de rechtbank voorliggende besluit, evenals dat van 20 september 2001, geen besluit is berustende op artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000 na opheffing van een bewaring, maar, zoals hiervoor reeds is overwogen, een zuiver schadebesluit betreft. Bovendien blijkt uit de wetsgeschiedenis ter zake van dit artikel dat er enkel mee is beoogd te komen tot een exclusieve bevoegdheid van de vreemdelingenrechter voor verzoeken om schadevergoeding na opheffing van de vreemdelingenbewaring in het kader van de bevoegdheidsafbakening tussen bestuursrechter en burgerlijke rechter.

De rechtbank leidt dit af uit de passage in de wetsgeschiedenis (TK 1999-2000, 26 732, nr. 7 pagina 61) waar wordt vermeldt:

“Ten aanzien van de mogelijkheid om schadevergoeding te vragen terzake van een onrechtmatig besluit, waar de leden van de VVD-fractie eveneens naar hebben gevraagd, wijzen wij op het arrest van de Hoge Raad van 17 december 1999 (Raatgever/Groningen), waarbij de Hoge Raad heeft uitgesproken dat zowel de burgerlijke rechter als de bestuursrechter bevoegd zijn te oordelen over een verzoek om schadevergoeding. Wij zien vooralsnog geen aanleiding om in vreemdelingenzaken een andere bevoegdheidsverdeling voor te stellen dat in de overige bestuursrechtelijke zaken. Dat betekent, dat ter gelegenheid van de vijfde tranche van de Awb terzake besloten wordt of de huidige bevoegdheidsverdeling blijft gehandhaafd. Overigens merken wij op dat het voorgestelde artikel 103 een exclusieve bevoegdheid voor de vreemdelingenrechter beoogt te vestigen ten aanzien van het verzoek om schadevergoeding na opheffing van de vreemdelingenbewaring.”

Hieruit blijkt derhalve niet dat de wetgever ook beoogd heeft de mogelijkheid tot het vragen van een schadevergoeding enkel te beperken tot de situatie als genoemd in artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000. Die bepaling heeft immers enkel betrekking op de situatie van een opgeheven bewaring en de alsdan bestaande mogelijkheid voor de vreemdelingenrechter voor het toekennen van een schadevergoeding. Aan het vorenstaande doet naar dezerzijds oordeel verder niet af dat blijkens de door verweerder bij zijn schrijven van 25 oktober 2004 overgelegde uitspraak van de Afdeling van 18 december 2003 (JV 2004, 76) artikel 106 van de Vw 2000 aangemerkt dient te worden als een lex specialis ten aanzien van het bepaalde in artikel 8:73 van de Awb.

De rechtbank vindt voor het vorenstaande ook steun in de uitspraak van de Afdeling van 31 maart 2004, nr. 200400799/1. In die zaak betrof het een verzoek om vergoeding van schade vanwege een te lang verblijf in een politiecel. De Afdeling overweegt:

“2.1. In de enige grief klaagt de minister dat de rechtbank de vreemdeling ten onrechte krachtens artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) voor de elfde dag van zijn verblijf in een politiecel schadevergoeding heeft toegekend, nu artikel 106 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) een bijzondere en exclusieve bevoegdheid behelst ten aanzien van de schadevergoeding bij opheffing van de vreemdelingenbewaring en die bepaling daarin niet voorziet.

2.1.1. Ingevolge artikel 8:73, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank, indien zij het beroep gegrond verklaart en indien daarvoor gronden zijn, op verzoek van een partij de door haar aangewezen rechtspersoon veroordelen tot vergoeding van de schade die die partij lijdt.

Ingevolge artikel 106, eerste lid, eerste volzin, van de Vw 2000, zoals die bepaling sinds 1 september 2003 luidt, kan de rechtbank aan de vreemdeling een vergoeding ten laste van de Staat toekennen, indien zij de opheffing van de maatregel strekkende tot vrijheidsontneming beveelt, dan wel de vrijheidsontneming reeds voor de behandeling van het verzoek om opheffing van die maatregel wordt opgeheven.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, aanhef en onder f van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM), voorzover thans van belang, heeft een ieder recht op vrijheid of veiligheid van zijn persoon en mag niemand zijn vrijheid worden ontnomen, behalve in het geval van rechtmatige detentie van een persoon waartegen een uitwijzings- of uitzettingsprocedure hangende is en overeenkomstig een wettelijk voorgeschreven procedure.

Ingevolge het vijfde lid heeft een ieder die het slachtoffer is geweest van een arrestatie of een detentie in strijd met de bepalingen van dit artikel, recht op schadeloosstelling.

2.1.2. De bevoegdheid om schadevergoeding toe te kennen komt de rechtbank ingevolge artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000 uitsluitend toe bij opheffing van de bewaring. Nu de wetgever blijkens de geschiedenis van de totstandkoming ervan (TK 1999-2000, 26 732, nr. 7, p. 225-226) met die bepaling heeft beoogd een bijzondere en exclusieve bevoegdheid voor de vreemdelingenrechter te vestigen ten aanzien van de schadevergoeding terzake van de onrechtmatige inbewaringstelling van de vreemdeling, staat het die rechter niet vrij om met toepassing van artikel 8:73 van de Awb aan de vreemdeling schadevergoeding toe te kennen die het gevolg is van onjuiste tenuitvoerlegging, indien wijziging van die tenuitvoerlegging wordt bevolen.

Derhalve klaagt de minister terecht dat de rechtbank ten onrechte op de voet van artikel 8:73 van de Awb aan de vreemdeling schadevergoeding heeft toegekend. De grief leidt in verband met hetgeen hierna wordt overwogen evenwel niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

2.1.3. Nu de rechtbank de voortduring van de inbewaringstelling in een politiecel vanaf 19 januari 2004 in strijd heeft geacht met artikel 5.4, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000, gelezen in samenhang met paragraaf A5/5.3.6.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000, was die wijze van tenuitvoerlegging vanaf dat moment strijdig met artikel 5, eerste lid, aanhef en onder f, van het EVRM. Gelet op het bepaalde in het vijfde lid van dat artikel, heeft de vreemdeling aanspraak op schadeloosstelling terzake.

De rechtbank heeft derhalve terecht, zij het niet op juiste gronden, de minister tot schadevergoeding veroordeeld.”

Uit voormelde uitspraak blijkt derhalve dat de grondslag voor de veroordeling van de Minister tot het betalen van een schadevergoeding in het kader van een op onjuiste wijze ten uitvoer gelegde bewaring is te vinden in artikel 5 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden en om die reden ook, anders dan bij artikel 106 van de Vw 2000, de Minister het betalen van een schadevergoeding is opgelegd en er geen sprake is van een door de rechtbank opgelegde schadevergoeding ten laste van de Staat der Nederlanden, als bedoeld in voormeld artikel 106.

Naar het oordeel van de rechtbank staat ook het bepaalde in artikel 34j van de Vreemdelingenwet 1965, dat overigens gelijkluidend is aan voormeld artikel 106, eerste lid, er niet in aan de weg dat een betrokkene alsnog een schadevergoeding kan worden toegekend indien achteraf gezegd moet worden dat verweerders besluit onrechtmatig is te achten. Daaraan doet niet af dat de rechtbank destijds, rekening houdende met de toentertijd bekende feiten en omstandigheden, geen aanleiding heeft gezien om te komen tot een schadevergoeding ten laste van de Staat der Nederlanden.

De vraag of verweerder in casu gehouden is de gestelde schade te vergoeden die voortvloeit uit de volgens eiseres onjuiste omstandigheden waarop zij destijds in bewaring heeft verbleven, beoordeelt de rechtbank vervolgens aan de hand van de bepalingen van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek, met name artikel 6:162, en de terzake daarvan door de burgerlijke rechter gevormde jurisprudentie.

Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat, indien een overheidslichaam een besluit neemt en handhaaft dat naderhand door de rechter wordt vernietigd wegens strijd met de wet, dat lichaam jegens de door dat besluit getroffene een onrechtmatige daad begaat. Daarmee is de schuld van het overheidslichaam in beginsel, in de terminologie van artikel 6:162 van het BW, gegeven. Zelfs wanneer het overheidslichaam geen enkel verwijt treft, moet worden aangenomen dat deze onrechtmatige daad in beginsel voor rekening van het overheidslichaam komt. In het onderhavige geval is echter geen sprake van een door de rechter vernietigd besluit, maar sprake van een besluit dat gezag van gewijsde heeft verkregen en waarbij aan eiseres door de rechtbank destijds een schadevergoeding is geweigerd.

De rechtbank overweegt vervolgens dat uit de jurisprudentie van de Afdeling (uitspraak van 25 juni 2003, gepubliceerd in AB 2004, 81) ten aanzien van de doorbreking van formele rechtskracht van een besluit in relatie tot een eventueel nadien erkende onrechtmatigheid van dat besluit het volgende blijkt:

“Appellant betoogt in dit verband dat hem de formele rechtskracht van het besluit niet kan worden tegengeworpen, omdat namens de gemeente de onrechtmatigheid van het besluit is erkend. Daartoe beroept appellant zich in de eerste plaats op een uitspraak van de rechtbank van 22 mei 2000, waarin volgens hem zulk een erkenning besloten ligt; in de tweede plaats beroept hij zich erop dat de raad van de Gemeente Ede door in zijn besluit van 6 juli 2000 tot afwijzing van het verzoek van appellant om planschadevergoeding het advies van de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken van 18 mei 2000 over te nemen de onrechtmatigheid van het besluit heeft erkend.

Dit betoog faalt, reeds omdat de gestelde erkenningen van de onrechtmatigheid van het besluit, wat daarvan ook zij, niet hebben plaatsgevonden vóór het verstrijken van de termijn voor het aanwenden van de openstaande bestuursrechtelijke rechtsmiddelen. Verwezen wordt in dit verband naar de overwegingen onder 3.5.1 en 3.5.2 in het arrest van HR 24 januari 2003, (AB 2003, 120).”

Niet alleen moet gezegd worden dat door verweerder niet binnen bedoeld tijdsbestek sprake is geweest van een erkenning door verweerder van de onrechtmatigheid van de (wijze van) bewaring van destijds, ook kan niet gezegd worden dat verweerder uitdrukkelijk de onrechtmatigheid van de wijze van uitvoering van de bewaring van destijds heeft erkend. Blijkens de gedingstukken is immers in eerste instantie een door eiseres ingediende aanvraag voor een verblijfsvergunning afgewezen. Het door verweerder in dit verband genomen besluit, waarbij tevens geweigerd is om eiseres verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling toe te staan, heeft formele rechtskracht verkregen. Eerst na opheffing van haar bewaring, die heeft geduurd tot en met 15 september 1998, heeft eiseres op 6 oktober 1998 een herhaalde aanvraag ingediend. Verweerder heeft eiseres in het kader van de beoordeling van die aanvraag, blijkens een telefoonnotitie van een medewerker van de IND met de gemachtigde van eiseres van 11 juni 2001, besloten eiseres, gelet op “een dreigende termijnoverschrijding” het voordeel van de twijfel te gunnen en haar alsnog met ingang van de datum van die herhaalde aanvraag een reguliere verblijfsvergunning te verlenen in het kader van het beleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen. Ook in een schrijven van 14 juni 2001 aan de gemachtigde van eiseres wordt uitdrukkelijk te kennen gegeven dat eiseres het voordeel van de twijfel wordt gegund en om die reden alsnog wordt overgegaan tot verlening van een verblijfsvergunning per 6 oktober 1998. Onder die omstandigheden kan naar dezerzijds oordeel niet gezegd worden dat verweerder door aan eiseres alsnog per een datum die is gelegen ná het einde van haar bewaring, een verblijfsvergunning regulier voor verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling te verlenen, daarmee uitdrukkelijk de onjuistheid van de (wijze van) bewaring van destijds heeft erkend.

Het bestreden besluit kan op grond van het vorenstaande de rechterlijke toets doorstaan.

Van omstandigheden op grond waarvan één van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet

gebleken.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. F.H. Machiels in tegenwoordigheid van mr. S.F.L. Muurmans als griffier en uitgesproken in het openbaar op 12 april 2005

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

Afschrift verzonden op: 12 april 2005

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van "hoger beroep vreemdelingenzaken", Postbus 16113, 2500 BC te 's-Gravenhage. Ingevolge artikel 85 van de Vw 2000 bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak. Artikel 6:5 van de Awb bepaalt onder meer dat bij het beroepschrift een afschrift moet worden overgelegd van de uitspraak.