Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AT4514

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-03-2005
Datum publicatie
31-05-2005
Zaaknummer
AWB 05/10093
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / staandehouding / redelijk vermoeden van illegaal verblijf.

Eiseres stelt dat niet duidelijk is op grond waarvan zij is staande gehouden. De rechtbank oordeelt dat de betrokken GSD-ambtenaren in de woning waren ter controle van de uitvoering van de sociale wetgeving, en niet krachtens de Vw of in het kader van de uitvoering van algemene politietaken en dat zij daarom niet bevoegd is zich hierover uit te spreken. Voorts overweegt de rechtbank dat bij de staandehoudende ambtenaren van de vreemdelingendienst een redelijk vermoeden van illegaal verblijf heeft kunnen rijzen naar aanleiding van binnengekomen informatie, i.c. van de ambtenaren van de GSD.

Ten aanzien van het binnentreden van de woning overweegt de rechtbank dat op het tijdstip van de melding van mogelijk illegaal verblijf de vreemdelingendienst reeds was binnengetreden als bedoeld in de Algemene wet op het binnentreden. De rechtbank is van oordeel dat eiseres haar stelling dat, indien een woning eenmaal is binnengetreden, daarop volgende binnentredingen van andere ambtenaren of toezichthouders opnieuw moet worden voorafgegaan door toestemming van de bewoner, dan wel door het tonen van een machtiging tot binnentreden, niet nader heeft onderbouwd. In dit verband moet worden opgemerkt dat niet is gesteld of gebleken dat eiseres bezwaren tegen het binnentreden door ambtenaren van de vreemdelingendienst heeft geuit. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

zittinghoudende te Utrecht

Reg.nr.: AWB 05/10093 VRONTN

UITSPRAAK

op het beroep tegen de maatregel van bewaring op grond van artikel 59 Vreemdelingenwet 2000 (Vw) toegepast ten aanzien van de vreemdeling genaamd, althans zich noemende:

A, geboren op [...] 1966, van Chinese nationaliteit, eiseres, verblijvende in het Detentiecentrum te Zeist,

gemachtigde: mr. L. Sinoo, advocaat te Utrecht,

tegen een besluit van

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,

gemachtigde: mr. O.J. Elbertsen, werkzaam bij de onder verweerder ressorterende Immigratie- en Naturalisatiedienst te Den Haag.

1. INLEIDING

Verweerder heeft op 4 maart 2005 aan eiseres met het oog op de uitzetting de maatregel van bewaring ex artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw opgelegd.

Eiseres heeft hiertegen op 7 maart 2005 beroep ingesteld bij deze rechtbank. Ingevolge artikel 94, eerste lid, Vw strekt dit beroep tevens tot toekenning van schadevergoeding.

Het geding is behandeld ter zitting van 14 maart 2005. Eiseres en verweerder hebben ter zitting bij monde van hun gemachtigden hun standpunten toegelicht.

2. OVERWEGINGEN

Ingevolge artikel 94, vierde lid, Vw verklaart de rechtbank het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan, indien zij van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is.

Eiseres heeft de rechtbank verzocht de opheffing van de maatregel van bewaring te bevelen en schadevergoeding toe te kennen en voert daartoe aan dat zij in een woning is aangetroffen door twee ambtenaren van het Team Handhaving Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de gemeente Utrecht, die haar hebben vastgehouden tot de vreemdelingendienst kwam. Onduidelijk is echter op grond van welke wet en op grond van welke bevoegdheden eiseres werd vastgehouden tot de vreemdelingendienst het pand betrad. Eiseres verwijst naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 17 juli 2001, nummer 200102627/1, waaruit blijkt dat de vreemdelingenrechter bevoegd is tot toetsing van in het kader van algemene politietaken uitgeoefende bevoegdheden. Nu de ambtenaren van Team Handhaving Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de gemeente Utrecht het concrete vermoeden van illegaal verblijf hebben gekregen moet worden vastgesteld wat zij deden in het pand, hoe men daar is binnengetreden. Bovendien is uit de stukken niet duidelijk op grond waarvan de vreemdelingendienst vervolgens is binnengetreden.

Verweerder heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep en tot afwijzing van het verzoek om schadevergoeding.

De rechtbank overweegt als volgt.

Niet bestreden is dat er voldoende gronden bestaan die de maatregel van bewaring kunnen dragen.

Ten aanzien van de grief van eiser dat er onrechtmatig is binnengetreden in de woning waarin eiseres verbleef en dat zij onrechtmatig is vastgehouden in deze woning in afwachting van de komst van de vreemdelingendienst overweegt de rechtbank als volgt.

Uit het proces-verbaal van 8 maart 2005 (processtuk 1) blijkt dat twee ambtenaren van het Team Handhaving Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de gemeente Utrecht een controle krachtens de Sociale wetgeving hebben gehouden in het pand B te C. Tijdens deze controle werd eiseres aangetroffen, die zich desgevraagd niet kon legitimeren. De betrokken ambtenaren hebben vervolgens de vreemdelingendienst hiervan op de hoogte gesteld.

Zoals de AbRS eerder heeft overwogen (onder andere in de uitspraak van 26 juli 2001, JV 2001/234 en de uitspraak van 17 juni 2002, JV 2002/338) is het niet aan de rechter in vreemdelingenzaken te oordelen over de aanwending van andere dan bij of krachtens de Vw toegekende bevoegdheden. De bevoegdheid van de bijzondere rechter in vreemdelingenzaken is in de Vw beperkt tot de beoordeling van op die wet gebaseerde vrijheidsontneming. Die wet biedt de rechtbank derhalve geen ruimte om zich een oordeel te vormen over de rechtmatigheid van aan de bewaring voorafgaande aanwending van uit andere dan de Vw voortvloeiende bevoegdheden. Daartoe moet men zich wenden tot de terzake van toetsing van strafvorderlijk optreden aangewezen rechter of tot een rechter met algemene bevoegdheid.

Voor zover eiseres zich hierbij beroept op de uitspraak van de AbRS van 17 juli 2001, nummer 200102627/1, gepubliceerd als JV 2001/235, overweegt de rechtbank dat in de bedoelde uitspraak is bepaald dat de vreemdelingenrechter in het kader van een procedure als de onderhavige, optreden van verbalisanten in het kader van algemene politietaken als bedoeld in artikel 2 van de Politiewet 1993 door de vreemdelingenrechter dient te worden getoetst, maar in de onderhavige zaak is sprake van uitoefening van controletaken die voortvloeien uit de sociale wetgeving, welke gelet op de uitspraken van de AbRS van 26 juli 2001 en 17 juni 2002, buiten het toetsingskader van de vreemdelingenrechter liggen en derhalve door de rechtbank niet in dit geschil kunnen worden betrokken.

Ten aanzien van het binnentreden in de woning door de vreemdelingendienst overweegt de rechtbank dat op 4 maart 2005, om 11:30 uur, het tijdstip van de melding van mogelijk illegaal verblijf aan de vreemdelingendienst, reeds was binnengetreden als bedoeld in de Algemene wet op het binnentreden. De rechtbank is van oordeel dat eiseres haar stelling dat, indien een woning eenmaal is binnengetreden, daarop volgende binnentredingen van andere ambtenaren of toezichthouders opnieuw moet worden voorafgegaan door toestemming van de bewoner, dan wel door het tonen van een machtiging tot binnentreden, niet nader heeft onderbouwd. In dit verband moet worden opgemerkt dat uit het proces-verbaal van 8 maart 2005 onder meer blijkt dat behalve eiseres een andere persoon, aangeduid als huisgenoot, in de woning aanwezig was, dat deze, anders dan eiseres, de Nederlandse en Chinese taal sprak, dat deze huisgenoot kennelijk geen bezwaar heeft gemaakt tegen het binnentreden van zijn woning door verbalisanten en dat ook eiseres zich kennelijk niet tot deze huisgenoot heeft gewend om aan haar – zo al aanwezige – bezwaren tegen het binnentreden uiting te geven. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de door eiseres aangevoerde omstandigheden niet kunnen leiden tot de conclusie dat de maatregel van bewaring ten aanzien van eiseres onrechtmatig is.

Ten aanzien van de voortgang met de verwijdering van eiseres overweegt de rechtbank dat eiseres op 8 maart 2005 is gehoord en haar personalia heeft opgegeven. Er is nog geen aanvraagformulier voor een laissez-passer. Op grond hiervan is de rechtbank, mede gelet op de korte termijn die is verstreken sinds de datum dat eiseres haar personalia heeft verstrekt, van oordeel dat er sprake is van onvoldoende voortvarendheid in een zodanige mate dat de bewaring om die reden onrechtmatig moet worden geacht.

Gelet op het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat de toepassing noch tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring ten aanzien van eiseres in strijd zijn met de Vw. Evenmin is gebleken dat bij afweging van alle daarbij betrokken belangen de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten.

Het beroep dient derhalve ongegrond verklaard te worden. De opheffing van de maatregel van bewaring wordt niet bevolen. Gelet hierop bestaat evenmin grond voor het toekennen van schadevergoeding, zodat het verzoek daartoe wordt afgewezen.

Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken.

3. BESLISSING

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond;

wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Linschoten, lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken, en uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2005, in tegenwoordigheid van mr. P. Bruins-Langedijk, als griffier.

afschrift verzonden op:

RECHTSMIDDEL

Ingevolge artikel 95 Vw staat tegen deze uitspraak binnen een week na de dag van bekendmaking hiervan voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag. Het beroepschrift dient één of meer grieven tegen deze uitspraak te bevatten.