Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AT4195

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-04-2005
Datum publicatie
21-04-2005
Zaaknummer
09/535009-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

[...] Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere (fiets)diefstallen. Uit het uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 4 januari 2005, dat 28 bladzijden telt, blijkt dat verdachte sinds 1992 regelmatig met politie en justitie in aanraking is gekomen. Ook blijkt hieruit dat verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan de diefstallen die de rechtbank thans bewezen heeft verklaard, vele male wegens soortgelijke feiten onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf is veroordeeld. [...]

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummers 09/535009-05; 09/037459-02 (tul)

rolnummers 0008; 0007

's-Gravenhage, 19 april 2005

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

adres: [adres].

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting "Haaglanden - Zoetermeer" te Zoetermeer.

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 5 april 2005.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr R.J. van Eenennaam, advocaat te Zoetermeer, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr Degeling heeft gevorderd dat verdachte terzake van het hem bij dagvaarding onder 5 telastgelegde wordt vrijgesproken, en voorts dat verdachte ter zake van het bij dagvaarding telastgelegde onder 1 (primair), 2 (primair), 3, 4 (primair), 6 (primair) en 7 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 142 dagen, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht. Tevens vordert de officier van justitie dat verdachte voor de duur van twee jaren wordt geplaatst in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel).

Ten aanzien van de schriftelijke vordering tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf, waartoe verdachte bij vonnis van de politierechter in deze rechtbank d.d. 16 december 2002 is veroordeeld, heeft de officier van justitie geconcludeerd tot verlenging van de proeftijd voor de duur van een jaar.

De telastlegging.

Aan de verdachte is telastgelegd hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A.

Vrijspraak.

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte bij dagvaarding onder 4 en 5 is telastgelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.

Overweging ten aanzien van het bewijs.

Ten aanzien van de onder 1 (primair), 2 (primair) en 6 (primair) telastgelegde feiten heeft de raadsman van verdachte telkens aangevoerd dat vrijspraak dient te volgen nu er onvoldoende bewijs voor een voltooide diefstal zou zijn.

De rechtbank verwerpt hetgeen door de raadsman is bepleit. In alle drie de hiervoor genoemde gevallen is er sprake geweest van wegneming van een fiets door verdachte. Daaraan doet niet af het feit dat deze wegneming telkens is ontdekt. Op het moment van betrapping had verdachte zodanige heerschappij over de fietsen verworven dat de wegnemingen niet meer als pogingen aangemerkt kunnen worden.

De bewijsmiddelen.

P.M.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast. Op grond daarvan is de rechtbank tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat de verdachte de op de dagvaarding onder 1 (primair), 2 (primair), 3 (primair), 6 (primair) en 7 telastgelegde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straf en maatregel zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere (fiets)diefstallen. Uit het uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 4 januari 2005, dat 28 bladzijden telt, blijkt dat verdachte sinds 1992 regelmatig met politie en justitie in aanraking is gekomen. Ook blijkt hieruit dat verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan de diefstallen die de rechtbank thans bewezen heeft verklaard, vele male wegens soortgelijke feiten onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf is veroordeeld.

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de zogenaamde ISD maatregel wordt opgelegd. Tijdens de behandeling ter terechtzitting heeft de raadsman van verdachte het verweer gevoerd dat niet aan alle voorwaarden voor het opleggen van zo'n maatregel is voldaan. In de visie van de verdediging zou namelijk niet zijn voldaan aan de in artikel 38m lid 4 Sr gestelde voorwaarde, nu uit het door Parnassia opgestelde en ondertekende rapport, gedagtekend d.d. 31 maart 2005, niet expliciet blijkt dat de oplegging van de maatregel noodzakelijk of wenselijk is.

De rechtbank overweegt dat artikel 38m een dergelijke voorwaarde niet stelt. Lid 4 bepaalt 'dat een ISD maatregel slechts kan worden opgelegd nadat een met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend advies over de wenselijkheid of noodzakelijkheid van de maatregel is overlegd'. De wet verlangt derhalve niet een tot plaatsing strekkend advies.

Uit het bovengenoemde rapport van Parnassia komt naar voren dat verdachte al vanaf zijn vijftiende jaar experimenteert met drugs. De rapporteur merkt op dat vooral het gebruik van cocaïne en weed zodanig uit de hand liep dat er gesproken kon worden van een verslaving. Blijkens het rapport is verdachte inmiddels aangemeld bij Parnassia Verslavingszorg voor ambulante gesprekken. Het rapport gaat verder in op de invloed die de ziekte van verdachte, Multiple Sclerose, heeft op zijn leven en de wenselijkheid verdachte gedragskundig te laten onderzoeken in verband met mogelijke ADHD problematiek. De rapporteur adviseert de rechtbank om aan verdachte de ISD maatregel voorwaardelijk op te leggen, met als voorwaarde dat hij zich houdt aan de voorwaarden die de reclassering hem zal opleggen.

De rechtbank is van oordeel dat een dergelijke voorwaardelijke maatregel thans een gepasseerd station is. Verdachte is de afgelopen vijf jaar al tot twee maal toe tot een deels voorwaardelijke straf veroordeeld met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht. Deze stok achter de deur heeft kennelijk - gelet op de door verdachte gepleegde strafbare feiten na deze voorwaardelijke veroordelingen - geen enkel effect gesorteerd. Voorts is verdachte recentelijk, zowel door de rechter commissaris als de raadkamer van deze rechtbank, gewaarschuwd dat voor hem de ISD-maatregel in beeld zou komen als hij strafbare feiten zou blijven plegen. Ook deze waarschuwingen hebben verdachte er niet van kunnen weerhouden om zich schuldig te maken aan strafbare feiten. De rechtbank houdt er dan ook ernstig rekening mee dat verdachte wederom misdrijven zal plegen. De veiligheid van goederen is daarmee in het geding. De rechtbank zal daarom aan verdachte de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders opleggen voor de duur van twee jaren. In de duur van de maatregel ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat na zes maanden een tussentijdse beoordeling van de noodzaak van voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel waaronder mede begrepen een beoordeling van de mogelijkheid van toeleiding naar een traject van behandeling en/of begeleiding.

De rechtbank is tenslotte van oordeel dat, gelet op het hetgeen in het rapport van Parnassia is opgemerkt, gedurende deze eerste zes maanden nader omtrent verdachte dient te worden gerapporteerd. Naast gedragskundige rapportage acht de rechtbank onderzoek door een neuroloog noodzakelijk. De neuroloog dient zich uit te laten omtrent de diagnose MS bij verdachte en dient aan te geven of gegeven de diagnose MS er alternatieven bestaan voor het voorschrijven van weedgebruik. De neuroloog dient in aanmerking te nemen dat weedgebruik, met of zonder medisch voorschrift, een behandeling en/of begeleiding in een strafrechtelijk kader wellicht onmogelijk zal maken.

Naast deze maatregel zal de rechtbank een gevangenisstraf opleggen van na te melden duur met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

Vordering tenuitvoerlegging.

De rechtbank is ten aanzien van de vordering van de officier van justitie van 28 januari 2005 tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in deze rechtbank d.d. 16 december 2002 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van oordeel, dat de bij vonnis vastgestelde proeftijd met één jaar moet worden verlengd.

De toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

- 14f, 38m, 38n, 38s, 57, 63, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding onder 4 en 5 telastgelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding onder 1 (primair), 2 (primair), 3, 6 (primair) en 7 telastgelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

Ten aanzien van feit 1 (primair):

Diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming

Ten aanzien ven feit 2 (primair), 3, 6 (primair) en 7:

Diefstal, meermalen gepleegd

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 156 dagen;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

Ten aanzien van 09/037600-04:

in verzekering gesteld op : 12 augustus 2004,

in voorlopige hechtenis gesteld op : 13 augustus 2004,

welke voorlopige hechtenis werd opgeschort met ingang van : 13 augustus 2004;

heft op het opgeschorte bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;

Ten aanzien van 09/037641-04:

in verzekering gesteld op : 28 augustus 2004,

in voorlopige hechtenis gesteld op : 31 augustus 2004,

in vrijheid gesteld op : 10 september 2004;

Ten aanzien van 09/037753-04:

in verzekering gesteld op : 12 oktober 2004,

in voorlopige hechtenis gesteld op : 14 oktober 2004,

in vrijheid gesteld op : 18 november 2004;

Ten aanzien van 09/535009-05:

in verzekering gesteld op : 4 januari 2005,

in voorlopige hechtenis gesteld op : 5 januari 2005;

en legt voorts op de maatregel tot plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD) voor de duur van twee jaren;

bepaalt dat in deze zaak uiterlijk zes maanden na aanvang van de maatregel een tussentijdse beoordeling zal plaatsvinden omtrent de noodzaak van voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel en bepaalt dat de officier van justitie uiterlijk veertien dagen vóór dat tijdstip de rechtbank bericht zal doen toekomen als bedoeld in artikel 38s, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht;

bepaalt dat gedurende de eerste zes maanden van de tenuitvoerlegging van de maatregel gedragskundig en neurologisch onderzoek naar verdachte dient plaats te vinden;

verlengt de proeftijd als vermeld in het vonnis van de politierechter in deze rechtbank van 16 december 2002, gewezen onder parketnummer 09/037459-02, met een termijn van 1 jaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mrs Hensen, voorzitter,

Van de Kar en Glass, rechters,

in tegenwoordigheid van mr Dingley, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 april 2005.