Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AT4177

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-04-2005
Datum publicatie
20-04-2005
Zaaknummer
AWB 05/13479, 05/13477
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

AC-procedure / 48-uurstermijn.

Onder omstandigheden kan sprake zijn van onderzoekshandelingen door verweerder die met zich brengen dat de 48-uurstermijn een aanvang neemt, maar een dergelijke situatie doet zich uitsluitend voor indien gesproken kan worden van daadwerkelijk onderzoek, gericht op de beoordeling van de asielaanvraag. Dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden voordat verzoekster zich volgens afspraak bij het AC Schiphol meldde, kan uit de stukken niet worden afgeleid. Het maken van een afspraak voor het indienen van een aanvraag is niet als onderzoek aan te merken en ook het feit dat verzoeksters dossier reeds naar het AC was toegezonden impliceert nog niet dat aan de hand daarvan onderzoek is verricht. Nu het eerste gehoor om 13.15 uur is aangevangen kan die conclusie ook niet worden verbonden aan het feit dat de gehoorambtenaar op de hoogte was van de inhoud van de hem toegezonden stukken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank ’s-Gravenhage

nevenzittingsplaats Haarlem

voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

artikel 8:81 en 8:86 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

artikel 71 Vreemdelingenwet 2000 (Vw)

reg.nr: AWB 05 / 13479 (voorlopige voorziening)

AWB 05 / 13477 (beroepszaak)

inzake: A, geboren op [...] 1985, van Maleisische nationaliteit, verzoekster,

gemachtigde: P. Scholtes, advocaat te 's-Gravenhage,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,

gemachtigde: mr. M. Nurdogan-Ferwerda, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te ’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Verzoekster heeft op 21 maart 2005 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 25 maart 2005 afgewezen. Verzoekster heeft tegen het besluit op 26 maart 2005 beroep ingesteld.

1.2 Verzoekster heeft op 26 maart 2005 gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Zij verzoekt verweerder te verbieden haar uit te zetten voordat de rechtbank op het beroep heeft beslist.

1.3 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 5 april 2005. Verzoekster is vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Voorts is gehoord E. Hesselink, werkzaam bij de Stichting Nidos te Leeuwarden.

2. Overwegingen

2.1 Indien tegen een besluit beroep is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, Awb heeft de voorzieningenrechter na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Er bestaat in dit geval aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.

2.3 In de hoofdzaak toetst de voorzieningenrechter het bestreden besluit aan de hand van de voorgedragen beroepsgronden op rechtmatigheid en ambtshalve aan voorschriften van openbare orde.

2.4 De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is afgewezen in het kader van de zogenoemde aanmeldcentrumprocedure (verder te noemen ac-procedure). Een aanvraag kan in dat kader worden afgewezen, indien dit zonder schending van eisen van zorgvuldigheid binnen 48 proces-uren kan geschieden.

2.5 Een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kan worden verleend op de in artikel 29 Vw genoemde gronden.

2.6 Ingevolge artikel 31, eerste lid, Vw wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. Bij de beoordeling worden de in artikel 31, tweede lid, Vw bedoelde omstandigheden betrokken.

2.7 Verzoekster heeft ter onderbouwing van haar aanvraag het volgende aangevoerd. Zij is het kind van een Chinese vader en een Maleisische moeder. Zij is na de zelfmoord van haar moeder door haar vader meegenomen naar China. Na verloop van tijd is zij met haar vader naar Duitsland gereisd. Haar vader is in januari 2004 tijdens een zakenreis in Zuid-Amerika vermoord. Verzoekster bleef achter bij een vriend van haar vader. Deze heeft haar tot vier maal toe verkracht. Zij heeft wat geld mee kunnen nemen en is in april 2004 naar Nederland gereisd.

2.8 Verweerder heeft zich blijkens het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de asielmotieven van verzoekster onvoldoende zwaarwegend zijn, zodat zij niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, onder a of b, Vw. Evenmin voldoet zij aan de vereisten voor enig andere in die bepaling genoemde verleningsgrond. Aan de hand van de resultaten van het op 22 maart 2005 uitgevoerde leeftijdsonderzoek stelt verweerder vast dat verzoekster evenmin in aanmerking komt voor toelating als alleenstaande minderjarige vreemdeling.

2.9 Verzoekster heeft aangevoerd dat verweerder het maximale aantal proces-uren, als bedoeld in artikel 1.1, aanhef en onder f, Vb heeft overschreden. Het stond verweerder dan ook niet meer vrij de aanvraag in het Aanmeldcentrum af te handelen. Voorts heeft zij betoogd dat verweerders onderzoek naar de achtergronden van haar aanvraag onzorgvuldig is geweest. Verweerder heeft ten onrechte nagelaten een ‘Dublin-onderzoek’ te starten. Ook heeft verweerder volgens verzoekster onzorgvuldig gehandeld door haar niet te wijzen op de mogelijkheid haar leeftijd op andere wijze aan te tonen dan door het ondergaan van een leeftijdsonderzoek. Er is geen sprake geweest van ‘informed consent’ bij het verlenen van toestemming aan het leeftijdsonderzoek.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

2.10 Verzoekster kan niet worden gevolgd in haar stelling dat de 48-uurstermijn is overschreden. Weliswaar kan onder omstandigheden sprake zijn van onderzoekshandelingen door verweerder die met zich brengen dat de termijn een aanvang neemt, maar een dergelijke situatie doet zich uitsluitend voor indien gesproken kan worden van daadwerkelijk onderzoek, gericht op de beoordeling van de (in te dienen) asielaanvraag. Dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden voorafgaande aan 21 maart 2005, toen verzoekster zich om 11.40 uur volgens afspraak bij het AC Schiphol meldde, kan uit de stukken niet worden afgeleid. Voorts is ter zitting genoegzaam vast komen te staan dat verzoekster eerst nadat op 24 januari 2005 haar bewaring op grond van artikel 59 Vw was opgeheven asiel heeft aangevraagd. Het maken van een afspraak voor het indienen van een aanvraag is niet als onderzoek aan te merken en ook het feit dat verzoeksters dossier reeds voor 21 maart 2005 naar het AC was toegezonden impliceert nog niet dat aan de hand daarvan onderzoek is verricht. Nu het eerste gehoor om 13.15 uur is aangevangen kan die conclusie ook niet worden verbonden aan het feit dat de gehoorambtenaar op de hoogte was van de inhoud van de hem toegezonden stukken. Evenmin slaagt de grief dat verweerder verzoeksters aanspraak op toelating als alleenstaande minderjarige vreemdeling reeds ten tijde van de bewaring had dienen te onderzoeken. Uit artikel 3.56, eerste lid, aanhef en sub a, Vb volgt immers dat een dergelijke ambtshalve toets eerst aan de orde is, indien de asielaanvraag is afgewezen. Van een asielaanvraag was destijds evenwel nog geen sprake.

De voorzieningenrechter gaat er dan ook van uit dat de 48-uurstermijn is aangevangen op 21 maart 2005 om 11.40 uur, waarmee tevens vaststaat dat de 48-uurstermijn niet is overschreden.

2.11 Het entameren van een onderzoek naar de mogelijkheid dat een ander land verantwoordelijk is voor de afhandeling van een asielaanvraag, is geen verplichting. Het staat verweerder in beginsel vrij de aanvraag in behandeling te nemen en daarop te beslissen. Dat de redelijkheid in het onderhavige geval een andere opstelling van verweerder had gevergd, is niet aannemelijk gemaakt. Van belang is daarbij dat ook verzoekster na de opheffing van de bewaringsmaatregel en voorafgaande aan haar aanmelding op het AC Schiphol geen stappen heeft ondernomen duidelijkheid te verkrijgen over haar verblijfstatus in de Bondsrepubliek Duitsland.

2.12 Evenmin kan verweerder bij de gevolgde procedure op andere gronden onzorgvuldigheid worden verweten. Dat verzoekster aan een leeftijdsonderzoek is onderworpen, is niet onredelijk, nu zij niet in staat was haar leeftijd met enig document aan te tonen, terwijl haar uiterlijke verschijnen voor meer dan één IND-medewerker aanleiding vormt voor twijfel over de door verzoekster opgegeven leeftijd. Voorts blijkt niet uit het dossier dat verzoekster bezwaren had tegen het onderzoek. De gang van zaken bij het onderzoek is haar tijdens het eerste gehoor met behulp van een tolk uiteengezet en zij is daarbij ook gewezen op de mogelijke consequenties die het weigeren van medewerken aan het onderzoek kan hebben. De stelling van verzoekster dat dat laatste als onzorgvuldig moet worden aangemerkt deelt de voorzieningenrechter niet. Verzoekster is aan het begin van het gehoor ook gewezen op het belang van documenten met betrekking tot haar identiteit en nationaliteit. Uitgangspunt in het asielrecht is de op de aanvrager rustende verplichting zijn persoonsgegevens te onderbouwen. Bij het ontbreken van documenten en bij geobjectiveerde twijfel aan de opgegeven leeftijd kan verweerder in redelijkheid gevolgen verbinden aan de weigering medewerking te verlenen aan een leeftijdsonderzoek. Dat verzoekster daarop is gewezen, is niet onzorgvuldig. Ook is niet gesteld dat verzoekster door verweerders handelwijze in haar belangen is geschaad.

2.13 De voorzieningenrechter zal het beroep gelet op het vorenstaande ongegrond verklaren.

2.14 Nu in de hoofdzaak wordt beslist, zal de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

2.15 Er is geen grond een van de partijen te veroordelen in de door de andere partij gemaakte proceskosten.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

3.1 verklaart het beroep ongegrond;

3.2 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A.C. Hofman, voorzieningenrechter en uitgesproken in het openbaar op 11 april 2005, in tegenwoordigheid van E.H. Mazel als griffier.

Afschrift verzonden op :

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak, voor zover deze de hoofdzaak betreft, hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen een week na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak. Van deze uitspraak staat, voor zover deze de voorlopige voorziening betreft, geen hoger beroep open.