Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AT3892

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-04-2005
Datum publicatie
18-04-2005
Zaaknummer
09/757011-04; 09/051385-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

[...] Verdachte heeft samen met anderen een man en een vrouw in hun woning overvallen, waarbij goederen en geld zijn buitgemaakt. Daartoe zijn verdachte en een van haar mededaders, beiden voor de slachtoffers zichtbaar een vuurwapen dragend en door middel van een bivakmuts gemaskerd, de woning van de slachtoffers binnengedrongen, terwijl de andere mededaders van verdachte buiten bleven wachten. Verdachte en genoemde mededader richtten vervolgens hun vuurwapen op de man, terwijl de vrouw daarvan getuige was, en zij dwongen de slachtoffers op de grond te gaan liggen, waarna verdachte de slachtoffers heeft vastgebonden. [...]

Hangt samen met LJN AT4095, AT3888

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummers 09/757011-04 (dagvaarding I); 09/051385-04 (dagvaarding II, gev. ttz.)

rolnummer 0003

's-Gravenhage, 13 april 2005

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[C],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

adres: [adres],

thans gedetineerd in Penitentiaire Inrichting voor Vrouwen te Breda.

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 6 december 2004 en 31 maart 2005.

De verdachte, bijgestaan door haar raadsvrouwe mr. C.L. Koets-Bolhuis, advocaat te 's-Gravenhage, is op beide terechtzittingen verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr. M.D.J. Teengs Gerritsen heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het haar bij - gewijzigde - dagvaarding I onder primair telastgelegde wordt vrijgesproken en dat verdachte ter zake van het haar bij - gewijzigde - dagvaarding I onder subsidiair en dagvaarding II telastgelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

De telastlegging.

Aan de verdachte is telastgelegd - na wijziging van de telastlegging ter terechtzitting - hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopieën van dagvaarding I en dagvaarding II, beiden gemerkt A, alsmede hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de vordering wijziging telastlegging ten aanzien van dagvaarding I, gemerkt A1.

Vrijspraak ten aanzien van het bij dagvaarding I primair en subsidiair telastgelegde.

De rechtbank acht - evenals de officier van justitie - op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte bij - gewijzigde - dagvaarding I primair is telastgelegd, zodat zij daarvan dient te worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt ten aanzien van het bij - gewijzigde - dagvaarding I subsidiair telastgelegde dat weliswaar uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte en haar mededader een man door middel van messteken om het leven hebben gebracht en dat zij daarna uit diens woning geld en een mobiele telefoon hebben gestolen, maar dat geenszins is komen vast te staan dat er bij verdachte en haar mededader sprake is geweest van oogmerk op die diefstal op het moment dat de man de fatale messteken werden toegebracht. Daarom volgt ook vrijspraak ten aanzien van het subsidiair telastgelegde.

De bewijsmiddelen.

P.M.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast. Op grond daarvan is de rechtbank tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat de verdachte het bij

- gewijzigde - dagvaarding I meer subsidiair telastgelegde feit alsmede het bij dagvaarding II telastgelegde feit heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Bewijsverweren ten aanzien van het bij dagvaarding I meer subsidiair telastgelegde.

Door de raadsvrouwe is namens verdachte ten aanzien van het bij dagvaarding I meer subsidiair telastgelegde betoogd dat het opzet bij verdachte op de levensberoving van het slachtoffer heeft ontbroken, nu zij zichzelf en medeverdachte [S] tegen de aanranding van het slachtoffer heeft verdedigd door met een mes te steken, aan welke verwonding het slachtoffer niet is overleden, en dat verdachte door haar handelwijze evenmin de kans heeft aanvaard dat [S] het slachtoffer fatale messteken zou toebrengen.

Door de raadsvrouwe is voorts betoogd dat op grond van de voorhanden zijnde bewijsmiddelen niet is komen vast te staan dat de door verdachte en [S] toegebrachte messteken tot de dood van het slachtoffer hebben geleid. Daartoe heeft zij aangevoerd dat het slachtoffer, op het moment dat verdachte en [S] zijn woning verlieten, nog in leven was, dat zij later zijn terug gekomen bij de woning en toen hebben gezien dat er een raam van de woning was opengezet en dat door de politie een klauwhamer bij het stoffelijk overschot is aangetroffen, die geen rol heeft gespeeld bij de vechtpartij tussen het slachtoffer enerzijds en verdachte en [S] anderzijds. Deze omstandigheden laten volgens de raadsvrouwe de mogelijkheid open dat een ander dan verdachte en [S] het slachtoffer heeft gedood.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen, waaronder de door verdachte en haar mededader [S] afgelegde verklaringen, volgt dat verdachte en [S] met het slachtoffer zijn meegegaan naar zijn woning, waar het slachtoffer, die reeds zwaar onder invloed was van alcohol en cocaïne, na het drinken van wodka en het snuiven van cocaïne, [S] seksueel begon lastig te vallen.

Verdachte probeerde het slachtoffer te doen stoppen door meermalen een fles op zijn hoofd te slaan, waarna het slachtoffer over [S] heen viel en een mes pakte. Het slachtoffer begon met dat mes stekende bewegingen te maken in de richting van zowel [S] als verdachte. Er ontstond een worsteling tussen [S] en het slachtoffer. Op enig moment heeft [S] het mes van het slachtoffer afgepakt, waarna het slachtoffer een ander mes pakte. Aannemelijk is dat het slachtoffer een steekwond in de borst/buikstreek heeft opgelopen tijdens de worsteling met [S]. Ten aanzien daarvan geldt dat [S] deze steek niet bewust heeft toegebracht en dat dus geen sprake is van (voorwaardelijk) opzet op de dood van het slachtoffer. Maar daarna zijn het slachtoffer wonden toegebracht door gerichte messteken van zowel [S], te weten nog twee steekwonden in de borst/buikstreek, als verdachte, te weten een steekwond in de halsstreek. Verdachte heeft die laatste steek toegebracht nadat [S] haar het mes, dat [S] op dat moment in haar hand hield, had overgegeven. Aldus is sprake geweest van bewuste samenwerking en gezamenlijke uitvoering tussen [S] en verdachte, die immers beiden bewust het slachtoffer hebben gestoken. Uiteindelijk is het slachtoffer overleden mede ten gevolge van de door [S] bewust toegebrachte steekwonden in de borst/buikstreek.

De door de raadsvrouwe gestelde situatie dat na het vertrek van verdachte en [S] uit de woning mogelijk een ander het slachtoffer heeft gedood, wordt naar het oordeel van de rechtbank voldoende weerlegd door de verklaringen van verdachte en [S] alsmede de bevindingen van de patholoog en de bevindingen van het toxicologisch rapport, in onderlinge samenhang bezien.

De rechtbank komt op basis hiervan tot de conclusie dat het slachtoffer is overleden binnen twee uren nadat verdachte en [S] diens woning hadden verlaten.

De rechtbank verwerpt derhalve de door de raadsvrouwe gevoerde bewijsverweren.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Ten aanzien van dagvaarding I:

De raadsvrouwe heeft namens verdachte ten aanzien van het bij dagvaarding I telastgelegde meer subsidiair een beroep gedaan op noodweer. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Verdachte en [S] zijn met het slachtoffer meegegaan naar zijn woning.

[S] zat met het slachtoffer op de bank op het moment dat deze handtastelijk werd. Verdachte ging ook op de bank zitten en probeerde de aanranding van [S] door het slachtoffer te doen stoppen door meermalen met een fles op diens hoofd te slaan, waarna het slachtoffer over [S] heen viel. Terwijl [S] nog onder het slachtoffer beklemd zat, pakte het slachtoffer - die zwaar onder invloed was van cocaïne en alcohol - een mes, waarmee hij stekende bewegingen begon te maken in de richting van zowel verdachte als [S] en werd laatstgenoemde in haar hand getroffen bij haar poging om de stekende bewegingen af te weren.

De rechtbank houdt het ervoor dat daarmee een situatie is ontstaan waarvan [S] en verdachte zich niet konden distantiëren doordat weglopen feitelijk onmogelijk was en waarvan - ook objectief beschouwd - een onmiddellijk dreigend gevaar voor [S] alsmede voor verdachte uitging.

Op dat moment was naar het oordeel van de rechtbank sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van het lijf van [S] alsmede het lijf van verdachte als bedoeld in artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank acht immers aannemelijk dat [S] en verdachte bewust met het mes hebben gestoken, maar met de uitsluitende bedoeling om aan die bedreigende situatie een einde te maken. Het steken met het mes onder deze omstandigheden en met deze bedoeling, acht de rechtbank een daad die geboden was voor de noodzakelijke verdediging van [S] alsmede van haarzelf.

Verdachte heeft derhalve uit noodweer gehandeld en dient te worden ontslagen van rechtsvervolging.

Ten aanzien van dagvaarding II:

Het bij dagvaarding II bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering ten aanzien van dagvaarding II.

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende overwogen.

Verdachte heeft samen met anderen een man en een vrouw in hun woning overvallen, waarbij goederen en geld zijn buitgemaakt. Daartoe zijn verdachte en een van haar mededaders, beiden voor de slachtoffers zichtbaar een vuurwapen dragend en door middel van een bivakmuts gemaskerd, de woning van de slachtoffers binnengedrongen, terwijl de andere mededaders van verdachte buiten bleven wachten. Verdachte en genoemde mededader richtten vervolgens hun vuurwapen op de man, terwijl de vrouw daarvan getuige was, en zij dwongen de slachtoffers op de grond te gaan liggen, waarna verdachte de slachtoffers heeft vastgebonden.

Dit is een zeer ernstig feit. De handelwijze van verdachte en haar mededader heeft gevoelens van angst en onveiligheid bij de slachtoffers teweeggebracht. De ervaring leert dat slachtoffers van een feit als dit nog geruime tijd psychische schade daarvan plegen te ondervinden. Uit het onderzoek ter terechtzitting is bovendien gebleken dat de overval inderdaad psychische gevolgen voor de slachtoffers heeft gehad.

De rechtbank houdt anderzijds rekening met de leeftijd van verdachte alsmede met de omstandigheid dat verdachte blijkens een op haar naam staand uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen.

De rechtbank heeft acht geslagen op de inhoud van de in de zaak onder parketnummer 09/757011-04 uitgebrachte psychiatrische en psychologische rapportage van de observatie van verdachte in het Pieter Baan Centrum. De rechtbank zal de conclusie met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid van verdachte buiten beschouwing laten, nu deze ziet op de feiten van dagvaarding I en niet op het bewezenverklaarde in dagvaarding II.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

De voorlopige hechtenis.

De verdachte bevindt zich in voorlopige hechtenis ter zake het haar bij dagvaarding I telastgelegde feit. Nu ten aanzien van dat feit geen strafoplegging volgt dient dit bevel tot voorlopige hechtenis te worden opgeheven. De rechtbank zal evenwel de gevangenneming van verdachte bevelen ter zake het bewezenverklaarde bij dagvaarding II. Deze gevangenneming wordt apart geminuteerd.

De toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen straf is gegrond op artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij -gewijzigde- dagvaarding I primair en subsidiair telastgelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij -gewijzigde- dagvaarding I meer subsidiair telastgelegde feit alsmede het bij dagvaarding II telastgelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

t.a.v. dagvaarding I meer subsidiair:

- medeplegen van doodslag;

t.a.v. dagvaarding II:

- diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

verklaart het bewezenverklaarde bij dagvaarding I niet strafbaar en ontslaat verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging;

verklaart het bewezenverklaarde bij dagvaarding II en de verdachte deswege strafbaar en veroordeelt de verdachte te dier zake tot:

- een gevangenisstraf voor de duur van 3 JAREN;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de haar opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

t.a.v. 09/757011-04 (dagvaarding I):

in verzekering gesteld op: 20 januari 2004;

in voorlopige hechtenis gesteld op: 23 januari 2004;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mrs R. Elkerbout, voorzitter,

A.M.H. Geerars en M.B.Th.G. Steeghs, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. Gest, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 13 april 2005.