Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AT3623

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-04-2005
Datum publicatie
12-04-2005
Zaaknummer
AWB 05/1757 WW44
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

[...] ten aanzien van het besluit van 28 december 2004 van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag, verweerder, waarbij aan Parnassia Projectbureau een reguliere bouwvergunning is verleend voor het gedeeltelijk inwendig veranderen van het pand aan de Van der Vennestraat 85 te Den Haag tot welzijnsvoorziening voor dak- en thuisloze verslaafden, waar onder toezicht harddrugsgebruik is toegestaan en een breed zorgpakket wordt aangeboden op de begane grond van voormeld pand.

Derde-partij: Parnassia Projectbureau, gevestigd te Den Haag, vergunninghouder.

Tegen dit besluit hebben verzoekers bij brief van 27 januari 2005 bij verweerder een bezwaarschrift ingediend. Voorts hebben verzoekers bij brief van 16 maart 2005 bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.[...]

Uit het vorenstaande volgt dat de bouwvergunning niet kon worden geweigerd wegens strijd met het bestemmingsplan. Evenmin is er sprake van een weigeringsgrond wegens strijd met de Verordening. Voor een belangenafweging als door [verzoeker 2] voorgestaan, laat hetgeen dwingend is bepaald in artikel 44, eerste lid, van de Wow en artikel 17 van de WSDV, geen ruimte. De voorzieningenrechter gaat er derhalve van uit dat het bestreden besluit in bezwaar zal worden gehandhaafd.

Gelet op het voorgaande bestaat er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. [...]

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

Reg. nr. AWB 05/1757 WW44

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:84

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening van

[verzoeker 1] (hierna: de Stichting), gevestigd te Den Haag en [verzoeker 2] (hierna: [verzoeker 2]), wonende te [woonplaats], verzoekers,

ten aanzien van het besluit van 28 december 2004 van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag, verweerder, waarbij aan Parnassia Projectbureau een reguliere bouwvergunning is verleend voor het gedeeltelijk inwendig veranderen van het pand aan de Van der Vennestraat 85 te Den Haag tot welzijnsvoorziening voor dak- en thuisloze verslaafden, waar onder toezicht harddrugsgebruik is toegestaan en een breed zorgpakket wordt aangeboden op de begane grond van voormeld pand.

Derde-partij: Parnassia Projectbureau, gevestigd te Den Haag, vergunninghouder.

Tegen dit besluit hebben verzoekers bij brief van 27 januari 2005 bij verweerder een bezwaarschrift ingediend. Voorts hebben verzoekers bij brief van 16 maart 2005 bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 5 april 2005. De Stichting heeft zich laten vertegenwoordigen door [secretaris] (secretaris), bijgestaan door mr M.R. Plug, advocaat te Delft. [verzoeker 2] heeft zich eveneens laten vertegenwoordigen door mr Plug, voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr H.J.M. Besselink, advocaat te Den Haag. Vergunninghouder heeft zich laten vertegenwoordigen door [gemachtigde].

Beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor zover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

Het bouwplan waarvoor verweerder vergunning heeft verleend, voorziet in het geschikt maken van de begane grond van het pand aan de Van der Vennestraat 85 voor de dagopvang van dak- en thuisloze verslaafden, waar onder toezicht ten behoeve van deze doelgroep harddrugsgebruik is toegestaan en een breed zorgpakket wordt aangeboden.

De voorzieningenrechter dient allereerst de vraag te beantwoorden of verzoekers, ieder voor zich, zijn aan te merken als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2 van de Awb.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

De voorzieningenrechter overweegt dat het bij belangen van een rechtspersoon als bedoeld in artikel 1:2, derde lid, van de Awb moet gaan om een aan de statutaire doelstellingen ontleend collectief belang, dat door een besluit direct wordt of dreigt te worden aangetast, waarbij het belang los kan worden gezien van dat van individuele leden, en waarvan de behartiging de trekken dient te vertonen van behartiging van bovenindividuele belangen (zie ondermeer ABRvS 18 september 2002, JB 2002/330).

Blijkens artikel 2 van de statuten van de Stichting heeft deze ten doel de bevordering van de Islamitische samenleving in de Nederlandse samenleving met behoud van de Islamitische godsdienst.

De voorzieningenrechter ziet niet in dat bovenvermelde doelstelling mede impliceert het opkomen tegen een vergunning als in onderhavige zaak is verleend. Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat de Stichting niet als belanghebbende kan worden aangemerkt, zodat het bezwaar van de Stichting tegen het bestreden besluit naar verwachting niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Het verzoek voorzover door de Stichting gedaan wordt derhalve ook in deze procedure niet-ontvankelijk verklaard.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het bezwaar van [verzoeker 2] overweegt de voorzieningenrechter als volgt. [verzoeker 2] woont in de [adres], een zijstraat van de Van der Vennestraat. Of hij aan het wonen op dat adres een persoonlijk, rechtstreeks belang kan ontlenen, is uit de stukken, noch uit hetgeen ter zitting is verhandeld voldoende duidelijk geworden. [verzoeker 2]s gemachtigde heeft ter zitting verklaard dat [verzoeker 2] op 25 tot 30 meter afstand van het in geding zijnde pand woont. Verweerders gemachtigde heeft dit bestreden en gesteld dat [verzoeker 2] op grotere afstand woont en waarschijnlijk ook geen zicht op het onderhavige pand heeft. Gelet op het feit dat er tegen de bestreden vergunning vele (ontvankelijke) bezwaren zijn gemaakt, ziet de voorzieningenrechter, ondanks de onduidelijkheid, omwille van de proceseconomie aanleiding het verzoek van [verzoeker 2] inhoudelijk te behandelen.

[verzoeker 2] heeft aangevoerd dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Het voorgenomen gebruik als gebruikersruimte kan niet worden aangemerkt als een welzijnsvoorziening in de zin van het planvoorschrift. Het bestemmingsplan dateert van vóór de tijd dat een gebruikersruimte, als bedoeld in de Aanwijzing Opiumwet, bestond. Het bestemmingsplan heeft derhalve niet kúnnen voorzien in dergelijke ruimtes. Dat een gebruikersruimte niet past binnen het bestemmingsplan, wordt in zijn visie bevestigd door aanwijzingen in een brief van minister Borst van 2 mei 2002. In deze brief wordt aangegeven dat gebruikersruimten aan de doorgaande weg dan wel aan de rand van het centrum of op plekken waar voorheen drugsoverlast was, dienen te worden gevestigd. Het onderhavige pand bevindt zich niet op een dergelijke locatie. Ook wordt met de verleende bouwvergunning niet voldaan aan artikel 6, vierde lid, aanhef en onder f, van de planvoorschriften. Voorts is het bouwplan in strijd met (artikel 2 van) de Leefmilieuverordening. Ten slotte heeft [verzoeker 2] aangevoerd dat er geen degelijke belangenafweging is gemaakt. Er wordt gemeten met twee maten, daar waar het gaat om het te voeren beleid met betrekking tot een locatie voor een gebruikersruimte. Voor sommige wijken wordt een zogenaamd nulbeleid gevoerd, in de Schilderswijk evenwel niet.

In artikel 44 van de Woningwet (Wow) is bepaald dat een bouwvergunning alleen mag en moet worden geweigerd indien sprake is van één van de daar gegeven weigeringsgronden.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing (WSDV) moet, onverminderd het bepaalde in artikel 44 van de Woningwet, de bouwvergunning eveneens worden geweigerd, indien het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, in strijd zou zijn met bepalingen van een leefmilieuverordening.

Ter plaatse geldt het bestemmingsplan "Schilderswijk-West, 6e herziening", zoals vastgesteld door de raad op 7 juli 1994 en goedgekeurd door gedeputeerde staten op 21 februari 1995. Aan de gronden waarop het bouwplan betrekking heeft, is de bestemming "gemengde bebouwing" gegeven. Blijkens de toelichting op dit bestemmingsplan is de bestemming "gemengde bebouwing" gegeven aan de locaties waar een ruime verscheidenheid aan functies op met name de begane grond wordt voorgestaan. Alleen na vrijstelling zijn niet-woonfuncties boven de begane grond toegestaan, waarmee terughoudend zal worden omgegaan.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de gronden die op de kaart zijn aangewezen voor "gemengde bebouwing" bestemd voor een aantal verschillende doeleinden, waaronder bijzondere doeleinden zoals onderwijs-, welzijns- en religieuze voorzieningen.

Ingevolge artikel 1 van de planvoorschriften worden onder welzijnsvoorzieningen ondermeer verstaan voorzieningen op het gebied van sociaal-cultureel werk en maatschappelijk welzijn.

In zijn uitspraak van 22 februari 2005 (05/409 WW44 en 05/865 WW44) heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat het onderhavige bouwplan in overeenstemming is met de bestemming van de gronden. Bedoeld opvangcentrum voor drugsverslaafden kan worden begrepen onder de begrippen sociaal werk en maatschappelijk welzijn. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding hier thans anders over te oordelen.

Het betoog dat een gebruikersruimte als bedoeld in de Aanwijzing Opiumwet een recent fenomeen is en dat het bestemmingsplan daar derhalve niet in heeft (kunnen) voorzien, slaagt niet. Bepalend is niet of ten tijde van de vaststelling van de 6e herziening van het bestemmingsplan dan wel bij de totstandkoming van het oorspronkelijke plan een dergelijke voorziening al bekend was, maar of deze is te beschouwen als een voorziening voor maatschappelijk welzijn. Die vraag moet naar het oordeel van de voorzieningenrechter bevestigend worden beantwoord. Overigens zijn opvangvoorzieningen voor (hard)drugsverslaafden al vele jaren welbekend, wellicht niet identiek aan de opvang die hier aan de orde is maar daaraan niet ongelijk naar maatschappelijke betekenis en planologische uitstraling.

Ook het argument dat door de verleende bouwvergunning niet wordt voldaan aan de voorwaarde van artikel 6, vierde lid, aanhef en onder f, van de planvoorschriften, faalt. Ingevolge dit artikel geldt voor het bouwen van bouwwerken dat niet-woonfuncties uitsluitend zijn toegestaan in de eerste woonlaag. De bouwvergunning in onderhavige zaak betreft evenwel alleen de verbouwing van de begane grond, zodat voormeld artikel niet in beeld komt. Dat volgens verzoeker het gerucht gaat dat op de eerste verdieping - in strijd met het plan - slaapvertrekken zullen worden gecreëerd waar dak- en thuislozen hun roes kunnen uitslapen, is dan ook niet van belang.

De stelling dat het bouwplan in strijd is met de Leefmilieuverordening en derhalve een weigeringsgrond voor de vergunning oplevert, slaagt evenmin. Ter plaatse geldt de Leefmilieuverordening Recreatie-inrichtingen c.a., zoals vastgesteld bij Raadsbesluit van 7 oktober 1993 en gewijzigd bij de Verordening tot wijziging van de leefmilieuverordening Recreatie-inrichtingen c.a., vastgesteld bij raadsbesluit van 17 december 1998, goedgekeurd door gedeputeerde staten bij besluit van 20 april 1999 en in werking getreden op 20 mei 1999 (hierna: de Verordening).

Ingevolge artikel 2 van de Verordening is het verboden te bouwen, werken en werkzaamheden te verrichten alsmede gronden en opstallen te gebruiken ten behoeve van onder meer drugsdealpanden. Onder een drugsdealpand wordt, ingevolge artikel 1, derde lid, van de Verordening verstaan een gebouw, geheel of gedeeltelijk gebruikt om daarin of van daaruit drugs, zijnde middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet te verhandelen.

Van het verhandelen van drugs in de onderhavige gebruikersruimte zal geen sprake (mogen) zijn. Ter zitting is in dit kader door de derde-partij en verweerder verklaard dat er in een convenant tussen de gemeente, Parnassia en de politie een pakket aan maatregelen is overeengekomen. Hierin is ook opgenomen een dealverbod in het pand en in de directe omgeving. Verslaafden die in aanmerking komen voor een plek in bedoelde dagopvang, gaan een overeenkomst aan met Parnassia. Bij overtreding van de regels, bijvoorbeeld het verhandelen van drugs, wordt het "lidmaatschap" van de betrokkene beëindigd. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat de gebruikersruimte niet kan worden aangemerkt als drugsdealpand. De Verordening stelt geen regels ten aanzien van het gebruik van opstallen, waarin onder toezicht drugs door verslaafden worden gebruikt in het kader van de opvang van deze doelgroep.

Uit het vorenstaande volgt dat de bouwvergunning niet kon worden geweigerd wegens strijd met het bestemmingsplan. Evenmin is er sprake van een weigeringsgrond wegens strijd met de Verordening. Voor een belangenafweging als door [verzoeker 2] voorgestaan, laat hetgeen dwingend is bepaald in artikel 44, eerste lid, van de Wow en artikel 17 van de WSDV, geen ruimte. De voorzieningenrechter gaat er derhalve van uit dat het bestreden besluit in bezwaar zal worden gehandhaafd.

Gelet op het voorgaande bestaat er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het verzoek, voor zover gedaan door de Stichting, niet-ontvankelijk en wijst het verzoek, voor zover gedaan door [verzoeker 2], af.

Aldus gegeven door mr. E.R. Eggeraat, als voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 11 april 2005, in tegenwoordigheid van de griffier mr. A.J.J.M. Weijnen.