Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AT3221

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-02-2005
Datum publicatie
06-04-2005
Zaaknummer
396328 / 04-4506
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aandelenlease - WinstVer10dubbelaar. Schending zorgplicht. De kantonrechter verdeelt gelet op alle omstandigheden van het geval, gelet op art. 6:101 BW en naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid het totale nadeel aldus, dat het voor risico en rekening van [gedaagde] komende gedeelte daarvan zal worden beperkt tot de in feite door hem betaalde 9 maandtermijnen van in totaal EUR 408,42 (welke inleg hij kennelijk bereid en in staat was op het spel te zetten), en dat het nadeel voor het overige (dat is de restschuld van EUR 2.410,37 bij deze wegens wanbetaling door Dexia voortijdig beëindigde overeenkomst van aandelenlease) voor risico en rekening van Dexia zal moeten blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector kanton - locatie 's-Gravenhage

hw

rolnr. 396328 / 04-4506

8 februari 2005

Vonnis in de zaak van:

de naamloze vennootschap Dexia Bank Nederland NV,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

gemachtigde: GGN Incasso BV,

rolgemachtigde: dw E. van Mastrigt,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

gemachtigde: mr A.J.M. Schakel,

rolgemachtigde: dw E. van Mastrigt.

Procedure

1. De kantonrechter heeft kennisgenomen van alle gedingstukken met producties in het griffiedossier. Hij zal de partijen hierna aanduiden als "Dexia" en "[gedaagde]". Het vonnis is enige tijd aangehouden in afwachting van te ontwikkelen landelijke of plaatselijke rechtseenheid - voor zover althans mogelijk - in de grote stroom Dexia-zaken, die ook deze rechtbank heeft overspoeld.

Vaststaande feiten

2. Dexia is de rechtsopvolgster onder algemene titel van de Bank Labouchere NV, op haar beurt rechtsopvolgster van Legio Lease BV. Beide rechtsvoorgangers worden hierna aangeduid als "Legio" en ook wel als "Dexia". Dexia is terzake van de onderhavige overeenkomst in alle rechten en verplichtingen van Legio getreden.

3. Naar aanleiding van een reclamefolder heeft [gedaagde] op of omstreeks 17 november 2000 met Legio onder contractnummer 76103854 een overeenkomst van aandelenlease gesloten met de productnaam "WinstVer10Dubbelaar". Deze overeenkomst heeft een looptijd van 120 maanden (10 jaar) waarbij [gedaagde] van Legio kort gezegd een pakket beurscertificaten least voor een totale leasesom van omgerekend EUR 12.136,80, bestaande uit het aankoopbedrag van EUR 6.691,20 en EUR 5.445,60 aan rente. Volgens de overeenkomst moest [gedaagde] voormelde totale leasesom (terug)betalen in 120 maandelijkse termijnen van elk EUR 45,38 (de totale rente), voorts EUR 45,38 omstreeks de 119e maand en tenslotte EUR 6.645,82 aan het einde van de overeenkomst (het totale aankoopbedrag), dat laatste bedrag in beginsel door Legio te verrekenen met de waarde van de aandelencertificaten bij verzilvering. Op de overeenkomst zijn van toepassing de Bijzondere Voorwaarden Effecten Lease van Legio.

4. Gedurende de looptijd van de overeenkomst heeft [gedaagde] via automatische incasso 9 maandtermijnen van in totaal EUR 408,32 betaald, zijn zogenaamde inleg. Daarna is hij ondanks sommatie(s) gestopt met het betalen van de maandtermijnen. Dexia heeft wegens die wanbetaling de overeenkomst van aandelenlease voortijdig beëindigd en na verkoop van het aandelencertificaat een eindafrekening per 11 april 2002 opgesteld, volgens welke [gedaagde] een negatief saldo van EUR 2.410,37 met 0,96% contractuele rente per maand aan Dexia zou dienen te betalen, de zogenaamde restschuld. Ondanks herhaalde sommaties heeft [gedaagde] deze restschuld onbetaald gelaten.

Geschillen

5. Bij inleidende dagvaarding van 3 februari 2004 heeft Dexia betaling gevorderd door [gedaagde] van voormelde restschuld van EUR 2.410,37, vermeerderd met EUR 320,28 aan verstreken vertragingsrente en EUR 483,14 inclusief BTW aan incassokosten, in totaal derhalve EUR 3.213,79 met verdere contractuele rente en proceskosten.

6. [gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd, dat hierna voor zover nodig bij de beoordeling aan de orde komt. Voor de nadere standpunten van partijen verwijst de kantonrechter kortheidshalve naar de wederzijdse, relatief omvangrijke gedingstukken met producties.

Beoordeling

7. [gedaagde] heeft zich beroepen op vernietiging van de overeenkomst wegens dwaling aan zijn zijde, voorts misleidende reclame, agressieve verkoopmethoden en misbruik van omstandigheden door Dexia. De kantonrechter gaat er hierbij veronderstellenderwijs vanuit dat [gedaagde] bij het ondertekenen van de overeenkomst ook beschikte over de door Dexia overgelegde brochure en fiscale opinie, al staat dit niet vast. De door [gedaagde] nog genoemde reclamefolder van Dexia met daarop naar [gedaagde] beweert een lonkende rode Ferrari als vooruitzicht voor de potentiële Legio-cliënt na 10 jaar is door geen van beide partijen geproduceerd en kan derhalve door de kantonrechter niet worden getoetst.

8. In het voetspoor van de gepubliceerde uitspraken van de rechtbank Amsterdam (NJF 2004 nrs. 410 en 411 en JOR nrs. 238 en 239), is de kantonrechter echter van oordeel dat al het overgelegde reclame- en informatiemateriaal van Dexia voor de WinstVer10Dubbelaar (nog net) niet als misleidend kan worden aangemerkt zodat het beroep op dwaling op deze grond niet kan slagen. Ook overigens moet de gestelde maar betwiste dwaling in de gegeven omstandigheden voor risico en rekening van [gedaagde] blijven. Voorts zijn er te weinig concrete doorslaggevende feiten of omstandigheden gesteld die - indien bewezen - zouden kunnen leiden tot de vergaande conclusie dat er sprake is van dwaling die of misbruik van omstandigheden (agressieve verkoopmethoden) dat de door [gedaagde] beoogde algehele vernietiging van de overeenkomst van aandelenlease zou kunnen rechtvaardigen.

9. [gedaagde] heeft voorts aangevoerd dat Dexia haar zorgplicht jegens hem in meerdere opzichten heeft geschonden. De kantonrechter stelt voorop dat volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (NJ 1998 nrs. 192 en 660, NJ 1999 nr. 285) financiële instellingen zoals Dexia gelet op hun maatschappelijke functie een bijzondere zorgplicht hebben jegens ondermeer hun (potentiële) cliënten zoals [gedaagde]. Weliswaar zagen deze arresten niet op constructies van aandelenlease, maar gelet op de aan de onderhavige overeenkomst verbonden grote risico's - naar de kern genomen gaat het om beleggen met geleend geld met de door de gemachtigde van [gedaagde] geschetste hefboomwerking - bestaat er geen aanleiding in dit soort gevallen anders te oordelen.

10. Overeenkomstig de gepubliceerde uitspraken van de rechtbank Amsterdam en de klachtencommissie DSI (NJF 2004, nrs. 410 en 446), alsmede de recente uitspraak van de Beroepscommissie DSI van 27 januari 2005 (te vinden op www.rechtspraak.nl onder LJN AS4115 en www.dsi.nl onder KCHB nr. 91), is de kantonrechter van oordeel dat Dexia bij het aanbieden van de onderhavige overeenkomst van aandelenlease met name gehouden was aan art. 28 van de toepasselijke versie van de Nadere Regeling Toezicht Effectenverkeer (NR) waarin voormelde bijzondere zorgplicht van banken nader is gecodificeerd, en waaraan niet afdoet dat Dexia een kant-en-klaar effectenproduct aan een breed publiek aanbood. De stelling van Dexia dat de NR onverbindend is treft geen doel, alleen al omdat de daarin neergelegde regels ook volgen uit de bijzondere zorgplicht zoals de Hoge Raad die in voormelde vaste jurisprudentie aan banken heeft voorgeschreven. Anders dan Dexia betoogt, kan voorts de restschuld van de lening - waarop de NR niet ziet - niet worden geabstraheerd van de belegging in aandelen, omdat de overeenkomst van aandelenlease als geheel moet worden beoordeeld. De cliënt uit de brede doelgroep van Dexia zal veelal kiezen voor het leasen van aandelen, omdat het hem of haar ontbreekt aan de financiële middelen om uit eigen vermogen het aankoopbedrag voor de effecten te financieren.

11. De kantonrechter is van oordeel dat Dexia zich op de voet van art. 28 NR 1999 tenminste rekenschap had behoren te geven van de vraag of haar potentiële wederpartij naar redelijke verwachting over voldoende bestedingsruimte zou beschikken om aan alle uit de overeenkomst van aandelenlease voortvloeiende verplichtingen te voldoen. Dexia had erop bedacht dienen te zijn dat tot haar wederpartijen veelal personen zouden behoren die niet over voldoende inzicht in en/of ervaring met beleggen beschikken om zich zelfstandig in effectentransacties te begeven. Reeds gelet op die omstandigheid mocht van een deskundige als Dexia worden verwacht dat de potentiële afnemers van dit aangeboden effectenlease-product indringend werden gewezen op de daaraan verbonden grote risico's, ook al heerste er destijds onder velen de verwachting dat de aandelenkoersen min of meer aanhoudend zouden blijven stijgen. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft Dexia in ieder geval ten aanzien van het onderzoek naar de bij haar wederpartij te verwachten bestedingsruimte onvoldoende zorg betracht, omdat zij slechts heeft onderzocht of haar afnemer geregistreerd stond bij het BKR.

12. Over de eigen financiële omstandigheden en beleggingservaring stelt [gedaagde], door Dexia niet of onvoldoende weersproken, dat hij bij het ondertekenen van de overeenkomst 23 jaar was, voorts van beroep vertegenwoordiger in schoenen met een bescheiden inkomen van netto fl 1.800,- per maand waarvan al fl 500,- opging aan hypotheeklasten van een even daarvoor gekocht appartement, dat hij verder niet beschikte over enig vermogen, en dat hij zich heeft laten overhalen door de door Legio voorgespiegelde rode Ferrari en overige aan de horizon blinkende gouden bergen. Aard en werking alsmede de risico's van het aangeboden product begreep [gedaagde] toen volstrekt niet.

13. Niet is gesteld of gebleken dat Dexia zich in deze krappe financiële en overige omstandigheden van [gedaagde] heeft verdiept toen zij de overeenkomst van aandelenlease met hem afsloot. Dexia heeft zich er klaarblijkelijk in het geheel niet van vergewist of deze overeenkomst wel paste in de financiële situatie, beleggingsdoelstellingen en beleggingservaring van [gedaagde], en hoe deze de 120 maandtermijnen en een eventuele restschuld zou kunnen betalen. Ook het door of namens Dexia beweerdelijk aan [gedaagde] verschafte informatiemateriaal over de relatief complexe structuur en het wezen van de WinstVer10Dubbelaar - beleggen met geleend geld met de zogenaamde hefboomwerking, met het risico van een restschuld bovenop de inleg bij relevante koersdalingen - is bepaald niet optimaal te noemen jegens consumenten zonder beleggingservaring en zonder inzicht in financieel-juridische constructies zoals [gedaagde]. Door al deze nalatigheden is Dexia tekortgeschoten in haar bovenbedoelde bijzondere zorgplichten die zij jegens [gedaagde] in acht had te nemen. Uit dien hoofde is Dexia aansprakelijk uit onrechtmatige daad voor het als gevolg daarvan door [gedaagde] ondervonden nadeel.

14. Daarbij moet echter mede in aanmerking worden genomen dat ook [gedaagde] een eigen verantwoordelijkheid draagt voor de gevolgen van zijn eigen onbezonnen keuze tot deelname aan deze riskante en voor [gedaagde] (te) dure overeenkomst van aandelenlease. Kennelijk uit winstbejag of naïviteit heeft [gedaagde] immers geen aanleiding gezien om van de transactie af te zien of tenminste nadere inlichtingen in te winnen over de aard en risico's van het aangevraagde product alvorens het contract als meerderjarige te ondertekenen en te retourneren, hoewel hij de aard en de risico's van de daarmee jegens Dexia aangegane verplichtingen blijkbaar niet of nauwelijks besefte. Beide partijen hebben aldus bijgedragen aan het ontstaan van het nadeel. De verantwoordelijkheid van Dexia als professionele partij en als bank, belast met bovenbedoelde bijzondere maatschappelijke zorgplicht, weegt naar het oordeel van de kantonrechter in beginsel aanmerkelijk zwaarder dan die van [gedaagde] als onervaren en weinig draagkrachtige consument.

15. Daarom verdeelt de kantonrechter gelet op alle omstandigheden van het geval, gelet op art. 6:101 BW en naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid het totale nadeel aldus, dat het voor risico en rekening van [gedaagde] komende gedeelte daarvan zal worden beperkt tot de in feite door hem betaalde 9 maandtermijnen van in totaal EUR 408,42 (welke inleg hij kennelijk bereid en in staat was op het spel te zetten), en dat het nadeel voor het overige (dat is de restschuld van EUR 2.410,37 bij deze wegens wanbetaling door Dexia voortijdig beëindigde overeenkomst van aandelenlease) voor risico en rekening van Dexia zal moeten blijven. Dit oordeel leidt tot afwijzing van de ingestelde hoofdvordering - en reeds daarom ook de nevenvorderingen - van Dexia op [gedaagde].

16. De overige stellingen en weren van partijen kunnen na het voorgaande onbesproken blijven. Als de in het ongelijk gestelde partij moet Dexia worden veroordeeld in de proceskosten van [gedaagde], tot heden begroot op in totaal 2 x EUR 225,- = EUR 450,- aan salaris gemachtigde volgens het toepasselijk liquidatietarief. De kosten in het verwijzings- en voegingsincident zal de kantonrechter compenseren, gelet op het summiere en gezien de uitkomst irrelevante debat daarover.

Beslissingen

De kantonrechter:

- wijst de vorderingen van Dexia op [gedaagde] af;

- veroordeelt Dexia tot betaling van EUR 450,- aan [gedaagde] voor de geliquideerde proceskosten aan zijn zijde, zoals begroot in rov. 16.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr H. Wien en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 februari 2005 in het bijzijn van de griffier.