Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AT3206

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-03-2005
Datum publicatie
06-04-2005
Zaaknummer
442613 /04-18673
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aandelenlease - Direct Rendement Effect. Naar het oordeel van de kantonrechter slaagt het meest verstrekkende argument van [gedaagde], zijnde dat haar echtgenoot de buitengerechtelijke vernietiging van de overeenkomst van aandelenlease heeft ingeroepen op de voet van de artt. 1:88 en 89 BW. Dit moet leiden tot vernietiging van de overeenkomst en derhalve terugbetaling van de feitelijke inleg en afwijzing van de restschuld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector kanton - locatie 's-Gravenhage

hw

rolnr. 442613 /04-18673

22 maart 2005

Vonnis in de zaak van:

de naamloze vennootschap Dexia Bank Nederland NV,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres in conventie, verweerster in reconventie,

gemachtigde: GGN Incasso BV,

rolgemachtigde: dw E. van Mastrigt,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

laatstelijk procederend in persoon.

Procedure

1. De kantonrechter heeft kennisgenomen van alle gedingstukken met producties in de beide griffiedossiers in deze zaak over aandelenlease, die naar hem is verwezen door de sector civiel van deze rechtbank bij incidenteel vonnis van 1 september 2004. De partijen worden hierna aangeduid als "Dexia" en "[gedaagde]". Het vonnis is enige tijd aangehouden in verband met capaciteitsproblemen en in afwachting van te ontwikkelen landelijke of plaatselijke rechtseenheid - voor zover althans mogelijk - in de grote stroom van Dexia-zaken, die ook deze rechtbank heeft overspoeld.

2. Dexia heeft bij brief van 18 februari 2005 aan onder meer de sectorvoorzitters kanton van alle rechtbanken (kort gezegd) aangekondigd dat zij alle procedures over aandelenlease thans zo veel mogelijk wil aanhouden in afwachting van de nieuwe bemiddelingspoging van de heer Wim Duisenberg. Een concreet aanhoudingsverzoek met toestemming van [gedaagde] ontbreekt evenwel in deze individuele zaak, zodat de kantonrechter mede nu [gedaagde] reeds kosten heeft gemaakt thans eindvonnis in eerste aanleg zal wijzen. De brief van 7 januari 2005 van [gedaagde] - mede inhoudende dat zij haar advocaat niet meer kan betalen - is daarbij aangemerkt als korte conclusie van dupliek in conventie en repliek in reconventie. Haar aanvankelijk procureur en gemachtigde mr A. Schippers heeft zich bij brief van 17 januari 2005 aan de zaak onttrokken. Beide brieven worden in kopie aan dit vonnis gehecht, nu de gemachtigde van Dexia deze brieven vermoedelijk nog niet van de griffie of de rolwaarnemer heeft ontvangen.

Vaststaande feiten

3. Dexia is de rechtsopvolgster onder algemene titel van de Bank Labouchere NV. Dexia is terzake van de onderhavige overeenkomst in alle rechten en verplichtingen van Bank Labouchere NV getreden.

4. Via een broer van een vriendin - welke broer tussenpersoon is - heeft [gedaagde] op of omstreeks 5 december 2000 met Bank Labouchere NV onder contractnummer 25580296 een overeenkomst van aandelenlease gesloten met de productnaam "Direct Rendement Effect". Deze overeenkomst heeft een looptijd van 180 maanden (15 jaar) waarbij [gedaagde] van Labouchere een bepaald pakket aandelen of effecten least voor een totale leasesom van omgerekend EUR 32.069,30, bestaande uit het aankoopbedrag van EUR 11.768,90 en EUR 20.300,40 aan rente. Volgens de overeenkomst moest [gedaagde] voormelde totale leasesom (terug)betalen in 180 maandelijkse termijnen van elk EUR 112,78 (de totale rente), voorts EUR 45,38 omstreeks de 179e maand en tenslotte EUR 11.723,52 aan het einde van de overeenkomst (het totale aankoopbedrag), dat laatste bedrag in beginsel door Labouchere te verrekenen met de verkoopopbrengst van de aandelen. Op de overeenkomst zijn van toepassing de Bijzondere Voorwaarden Labouchere Effecten Lease.

5. Naar aanleiding van de beruchte televisie-uitzending van Tros Radar over het debacle aandelenlease is [gedaagde] per januari 2003 gestopt met het betalen van haar maandelijkse rentetermijnen (haar zogenaamde inleg). Dexia heeft wegens die wanbetaling de overeenkomst van aandelenlease voortijdig beëindigd - naar [gedaagde] stelt buiten haar medeweten om - en na verkoop van het aandelenpakket een eindafrekening per 15 januari 2003 opgesteld, volgens welke [gedaagde] een negatief saldo van EUR 9.256,59 aan Dexia zou dienen te betalen, de zogenaamde restschuld. Ondanks een enkele sommatie heeft [gedaagde] deze restschuld onbetaald gelaten.

6. Bij brief van 14 juli 2004 heeft voornoemde mr Schippers namens [echtgenoot van gedaagde], de beweerdelijke echtgenoot van [gedaagde], de overeenkomst van aandelenlease buitengerechtelijk vernietigd op de voet van de artikelen 1:88 en 1:89 BW, bij welke vernietiging en verzochte ongedaanmaking Dexia zich niet heeft neergelegd.

Geschillen

7.. Bij inleidende dagvaarding van 1 maart 2004 heeft Dexia in conventie betaling gevorderd door [gedaagde] van voormelde restschuld van EUR 9.256,59, vermeerderd met EUR 414,13 aan verstreken vertragingsrente en EUR 788,97 inclusief BTW aan incassokosten, in totaal derhalve EUR 10.459,69 met verdere wettelijke rente en proceskosten.

8. Namens [gedaagde] is bij antwoord in conventie gemotiveerd verweer gevoerd, dat hierna voor zover nodig bij de beoordeling aan de orde komt. In reconventie vordert [gedaagde] terugbetaling door Dexia van haar voormelde inleg van beweerdelijk EUR 3.947,30, met wettelijke rente vanaf 21 juli 2004 en met proceskosten. Dexia voert daartegen op haar beurt gemotiveerd verweer, dat haar nog brengt tot een voorwaardelijke wijziging van eis in conventie op de voet van art. 6:278 BW.

9. Voor de onderbouwing van voormelde vorderingen in conventie en in reconventie en voor de nadere standpunten van partijen verwijst de kantonrechter kortheidshalve naar alle relatief omvangrijke wederzijdse gedingstukken met producties. De vorderingen over en weer lenen zich voor een gezamenlijke beoordeling. Om redenen van proceseconomie zal thans eindvonnis in eerste aanleg worden gewezen.

Beoordeling

10. Naar het oordeel van de kantonrechter slaagt het meest verstrekkende argument van [gedaagde], zijnde dat haar echtgenoot de buitengerechtelijke vernietiging van de overeenkomst van aandelenlease heeft ingeroepen op de voet van de artt. 1:88 en 89 BW. Dit moet leiden tot vernietiging van de overeenkomst en derhalve terugbetaling van de feitelijke inleg en afwijzing van de restschuld. Daartoe is het volgende redengevend.

11. Over de vragen of overeenkomsten van aandelenlease als de onderhavige al dan niet moeten worden gekwalificeerd als huurkoop en of deze mitsdien al dan niet onderworpen zijn aan de vereiste toestemming van de echtgenoot bij gebreke waarvan de overeenkomst vernietigd kan worden, is in deze procedure en in de literatuur en de lagere jurisprudentie al het nodige gezegd. Tot dusverre ontbreekt het verlossende woord van de Hoge Raad op dit geschilpunt. De kantonrechter sluit zich aan bij de tendens in de lagere jurisprudentie om deze vragen bevestigend te beantwoorden, waartoe kortheidshalve wordt verwezen naar vooral NJF 2004 nrs. 409 en 425 alsmede naar de uitspraak in de zogenaamde Amsterdamse Eegalease-zaak, te vinden op www.rechtspraak.nl onder LJN AQ7412.

12. Er is thans onvoldoende aanleiding om in deze zaak anders te oordelen. De beschermingsfunctie van het toestemmingsvereiste van de echtgenoot van de contractant dient van toepassing te zijn op de gehele wettelijke regeling van koop op afbetaling, met inbegrip van de in art. 7A:1576 lid 5 BW bedoelde vermogensrechten zoals de onderhavige geleasde aandelen. Dat ook de rechtsvoorgangster van Dexia zich hiervan bewust is geweest, blijkt uit het feit dat de onderhavige voorgedrukte overeenkomst een invulvak "handtekening echtgeno(o)t(e)" bevat, waarop evenwel de handtekening van die echtgenoot anders dan die van de contractante [gedaagde] ontbreekt. Door desondanks toch uitvoering aan de overeenkomst te geven, heeft Bank Labouchere NV het voor haar destijds al evidente risico van vernietiging door de echtgenoot met alle vergaande rechtsgevolgen van dien over zichzelf en rechtsopvolgster Dexia afgeroepen.

13. Dexia heeft nog bij gebrek aan wetenschap betwist dat [echtgenoot van gedaagde] ten tijde van het aangaan van de overeenkomst daadwerkelijk was gehuwd met [gedaagde]. De kantonrechter zal dit algemene verweer thans als onvoldoende onderbouwd en onvoldoende serieus verwerpen, mede nu [gedaagde] op 5 december 2000 blijkens haar handtekening kenbaar al was gehuwd met ene [echtgenoot van gedaagde] en Bank Labouchere NV ten deze haar onderzoeksplicht heeft geschonden, mede gelet op het slot van de voorgaande rov. 12. Ook om redenen van proceseconomie zal de zaak in eerste aanleg niet meer worden verwezen naar de rol voor het enkel produceren van voor de hand liggende bewijsstukken zoals een uittreksel uit het huwelijksregister of een kopie van het trouwboekje.

14. Ook passeert de kantonrechter het beroep van Dexia op verjaring van de mogelijkheid tot vernietiging van de overeenkomst door de echtgenoot [echtgenoot van gedaagde]. Dexia heeft immers onvoldoende concrete feiten of omstandigheden gesteld die - indien bewezen - kunnen leiden tot de alsdan vereiste conclusie dat [echtgenoot van gedaagde] vóór 15 juli 2001 zowel het bestaan van de onderhavige overeenkomst van aandelenlease van zijn echtgenote kende als ook wist of behoorde te weten dat het om huurkoop ging. Dit is ook niet aannemelijk gelet op de datum van de uitzending van Tros Radar naar aanleiding waarvan bij het echtpaar [echtgenoot van gedaagde] kennelijk de ogen zijn opengegaan en de betalingen begin 2003 zijn gestopt, en nu de ten deze massaal voor gedupeerde consumenten optredende stichtingen pas zijn opgericht in 2002 (de stichting Eegalease in december 2002, toen het maatschappelijk besef van dit geschilpunt kennelijk pas ten volle was ontstaan).

15. Met al het voorgaande is ook gegeven dat in deze procedure moet worden uitgegaan van een rechtsgeldige buitengerechtelijke vernietiging door echtgenoot [echtgenoot van gedaagde] van de onderhavige overeenkomst van aandelenlease tussen [gedaagde] en thans Dexia op de voet van de artt. 1:88 en 1:89 BW. Deze vernietiging treft ook rechtstreeks de rechtsverhouding tussen [gedaagde] en Dexia; het staat eerstgenoemde vrij jegens Dexia bij wijze van verweer en in reconventie een beroep te doen op deze rechtsgeldige vernietiging door haar echtgenoot. Mede om redenen van proceseconomie brengt een redelijke wetsuitleg met zich mee dat de heer [echtgenoot van gedaagde] daartoe niet een afzonderlijke procedure tegen Dexia bij de sector kanton van de rechtbank Amsterdam (Dexia's vestigingsplaats) behoeft te voeren. Het moge zo zijn dat [gedaagde] aldus profiteert van de omstandigheid dat zij gehuwd was en is, maar een andere opvatting verdraagt zich niet met de beschermingsgedachte achter art. 1:88 BW voor de echtgenoot die niet de vereiste toestemming heeft gegeven en die derhalve niet de nadelige gevolgen van deze overeenkomst behoort te ondervinden die zonder diens toestemming door Bank Labouchere NV, de professionele rechtsvoorgangster van Dexia, niet gesloten had mogen worden en daarom rechtsgeldig vernietigd is.

16. Het beroep van Dexia op art. 6:278 BW wordt verworpen. Daargelaten of in dit geval wordt voldaan aan de voorwaarden als genoemd in dat wetsartikel, verdragen de gevolgen daarvan zich niet met de door de wetgever beoogde bescherming van de echtgenoot die geen partij was bij de overeenkomst en daarvoor evenmin toestemming heeft gegeven.

17. Reeds op grond van het voorgaande meest vertrekkende argument van [gedaagde] moeten de vorderingen van Dexia in conventie worden afgewezen. De buitengerechtelijke vernietiging van de overeenkomst dor haar echtgenoot brengt tevens met zich, dat Dexia aan [gedaagde] zoals gevorderd haar inleg dient terug te betalen. [gedaagde] stelt zonder verdere bewijsstukken dat deze inleg feitelijk 35 maandtermijnen van in totaal EUR 3.947,30 heeft bedragen. Dexia stelt terzake niets concreets en ook uit haar geproduceerde eindafrekening kan ten deze niets worden afgeleid. Uit het geproduceerde laatste betalingsbewijs van [gedaagde], het bankafschrift van 24 december 2002, concludeert de kantonrechter dat dit de 25e van de overeengekomen 180 maandtermijnen via automatische incasso was ("termijn 25 / 180"), hetgeen strookt met de ingangsdatum van het contract van 5 december 2000. Nu [gedaagde] zelf stelt dat dit haar laatste betaling was naar aanleiding van de uitzending van Tros Radar omstreeks die tijd en dat zij de termijnen oktober en november 2002 ("2003" berust op een kennelijke typefout van haar toenmalige advocaat in alinea 20 van diens conclusie) niet heeft betaald, zal de kantonrechter de totale feitelijke inleg van [gedaagde] begroten op 23 x EUR 112,78 = EUR 2.593,94. Dit bedrag zal in reconventie worden toegewezen, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover.

18. Na het voorgaande komt de kantonrechter niet meer toe aan een beoordeling van de overige stellingen en weren van partijen. Ten overvloede wijst de kantonrechter ten deze nog op de aan Dexia welbekende uitspraken van de behandelend kantonrechters van de Haagse rechtbank; de uitspraken tot dusverre van de ondergetekende kantonrechter in aandelenlease-zaken zijn gepubliceerd op www.rechtspraak.nl en [gedaagde] wordt kortheidshalve ook gewezen op de gezaghebbende uitspraak van de Beroepscommissie DSI van 27 januari 2005 (LJN AS4115 echter tot dusverre nog niet gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, maar wel op www.dsi.nl onder KCHB nr. 91). Gelet op de namens [gedaagde] door mr Schippers in de alinea's 9-19 van diens conclusie gestelde en door Dexia onvoldoende weersproken feiten en persoonlijke omstandigheden, zou de kantonrechter - bij gebreke van buitengerechtelijke vernietiging door echtgenoot [echtgenoot van gedaagde] - in de lijn van voormelde gepubliceerde uitspraken hebben geoordeeld dat kort gezegd het beroep op dwaling van [gedaagde] niet opgaat, dat Dexia zich ten deze niet kan verschuilen achter de eventuele fouten van de tussenpersoon "Spafis", alsmede dat Dexia haar zorgplicht heeft geschonden maar [gedaagde] ook heeft bijgedragen aan het nadeel, en dat tot slot het totale nadeel in de gegeven omstandigheden naar redelijkheid en billijkheid aldus verdeeld zou behoren worden dat zowel de vorderingen in conventie als die in reconventie zouden moeten worden afgewezen. Dit zoals vermeld ten overvloede.

19. Als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij moet Dexia worden veroordeeld in de proceskosten van [gedaagde] in conventie en in daarmee nauw samenhangende reconventie, tot heden gezien de gedingstukken begroot op EUR 288,- aan betaald griffierecht sector civiel en EUR 390,- aan salaris gemachtigde/procureur volgens het toepasselijk liquidatietarief sector civiel, dat is in totaal EUR 678,-. Voor het verwijzingsincident zal de kantonrechter gelet op de nauwe samenhang met de materiële geschilpunten geen afzonderlijk salaris toekennen.

Beslissingen

De kantonrechter, recht doende in conventie en in reconventie:

- veroordeelt Dexia in reconventie om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [gedaagde] terug te betalen een bedrag van EUR 2.593,94, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 21 juli 2004 tot de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt Dexia tot betaling van EUR 678,- aan [gedaagde] voor de geliquideerde proceskosten in conventie en in reconventie aan haar zijde, zoals begroot in rov. 19;

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst het in conventie gevorderde en het in reconventie meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr H. Wien en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 maart 2005 in het bijzijn van de griffier.