Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AT3195

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-03-2005
Datum publicatie
05-04-2005
Zaaknummer
451610 / 04-21478
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aandelenlease - WinstVerDriedubbelaar. Schending zorgplicht. (...)Daarom verdeelt de kantonrechter gelet op alle (summier gebleken) bijzondere omstandigheden van het geval, gelet op art. 6:101 BW en naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid het totale nadeel aldus, dat het voor risico en rekening van [gedaagde] komende gedeelte daarvan zal worden beperkt tot alle in feite door haar betaalde maandtermijnen en deelbetalingen tot op heden, welke feitelijke inleg zij klaarblijkelijk bereid en in staat was op het spel te zetten, en dat het nadeel voor het overige zijnde het totaal van de drie restschulden voor risico en rekening van Dexia zal moeten blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector kanton - locatie 's-Gravenhage

hw

rolnr. 451610 / 04-21478

22 maart 2005

Vonnis in de zaak van:

de naamloze vennootschap Dexia Bank Nederland NV,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres in conventie, verweerster in reconventie,

gemachtigde: GGN Incasso BV,

rolgemachtigde: dw E. van Mastrigt,

tegen

[gedaagde], geboren op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

bij de sector civiel nog procederend bij advocaat en procureur, na verwijzing naar de sector kanton (hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen op onderstaand adres) niet meer verschenen,

toevoeging nr. 4ER4562 van 24 juni 2004.

Procedure

1. De kantonrechter heeft kennisgenomen van alle gedingstukken met producties in de beide griffiedossiers in deze zaak over aandelenlease, die naar hem is verwezen door de sector civiel van deze rechtbank bij incidenteel vonnis van 15 september 2004. Hij zal de partijen hierna aanduiden als "Dexia" en "[gedaagde]". Vonnis is bepaald op heden.

2. De inleidende dagvaarding van 27 april 2004 van Dexia is aan [gedaagde] in persoon betekend op het adres [adres], tevens zijnde het op de onderhavige overeenkomst vermelde adres. Vervolgens is namens [gedaagde] bij advocaat en procureur geconcludeerd van antwoord in conventie en van eis in reconventie. Na verwijzing naar de sector civiel is [gedaagde] niet meer verschenen, hoewel daartoe telkens behoorlijk opgeroepen op bovenstaand adres bij zowel (niet in persoon betekend) exploit namens Dexia van 14 oktober 2004 alsmede bij de brieven van de griffier van met name 15 december 2004 en 20 januari 2005, en hoewel het verwijzingsvonnis van de sector civiel naar valt aan te nemen is verzonden aan de toenmalige procureur van [gedaagde] en ook al de oproep bevatte om ter eerste zitting van 2 november 2004 bij de kantonrechter te verschijnen. Bij de sector kanton heeft Dexia op 14 december 2004 nog wel een conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie genomen. De kantonrechter zal thans eindvonnis in eerste aanleg wijzen, waarbij hij ervan uitgaat dat [gedaagde] de bij conclusie van haar vroegere advocaat verwoorde verweren en tegenvorderingen niet wenst prijs te geven en slechts niet meer is verschenen om haar moverende persoonlijke redenen.

3. Dexia heeft bij brief van 18 februari 2005 aan onder meer de sectorvoorzitters kanton van alle rechtbanken (kort gezegd) aangekondigd dat zij alle procedures over aandelenlease thans zo veel mogelijk wil aanhouden in afwachting van de nieuwe bemiddelingspoging van de heer Wim Duisenberg. Een concreet aanhoudingsverzoek met toestemming van [gedaagde] ontbreekt echter in deze individuele afgeconcludeerde zaak, zodat de kantonrechter mede om redenen van proceseconomie nu eindvonnis in eerste aanleg zal wijzen om verdere vertraging van deze door Dexia zelf gestarte procedure te voorkomen.

Vaststaande feiten

4. Dexia is de rechtsopvolger onder algemene titel van Bank Labouchere NV, h.o.d.n. Legio en op haar beurt rechtsopvolger van Legio Lease BV. Dexia is terzake van de onderhavige overeenkomsten in alle rechten en verplichtingen van Legio getreden.

5. De in oktober 1973 geboren [gedaagde] heeft met Legio de navolgende drie overeenkomsten van aandelenlease gesloten met de productnaam "WinstVerDriedubbelaar". Daarop zijn van toepassing de geproduceerde Bijzondere Voorwaarden Effecten Lease van Legio. Deze drie overeenkomsten hebben een looptijd van 36 maanden waarbij de afnemer van Legio een door Legio in drie jaarlijkse tranches te kopen pakket aandelen of effecten least.

6. De eerste overeenkomst van op of omstreeks 29 juni 1999 met contractnummer 74282700 bevat een totale leasesom van omgerekend EUR 4.782,17, bestaande uit het aankoopbedrag van EUR 3.952,80 en EUR 829,37 aan rente. Volgens de overeenkomst moest [gedaagde] voormelde totale leasesom (terug)betalen in 36 maandelijkse termijnen van omgerekend elk EUR 23,04 (de totale rente), voorts EUR 45,38 omstreeks de 35e maand en tenslotte EUR 3.907,42 aan het einde van de overeenkomst (samen het totale aankoopbedrag, dat bedrag in beginsel door Legio te verrekenen met de verkoopopbrengst van de aandelen). Gedurende de looptijd van die overeenkomst heeft [gedaagde] via automatische incasso kennelijk (er is volgens de eindafrekening sprake van één inhaalincasso) 35 maandtermijnen van in totaal EUR 806,40 betaald, de zogenaamde inleg. Dexia heeft aan het einde van de looptijd het aandelenpakket verkocht en een eindafrekening per 21 juni 2002 opgesteld, volgens welke [gedaagde] een negatief saldo van EUR 877,32 met 0,96% contractuele rente per maand aan Dexia zou dienen te betalen, de zogenaamde restschuld. Ondanks sommaties heeft [gedaagde] deze restschuld grotendeels onbetaald gelaten.

7. De tweede overeenkomst van omstreeks 19 juli 2000 met contractnummer 74491472 bevat een totale leasesom van omgerekend EUR 4.915,77, bestaande uit het aankoopbedrag van EUR 4.063,29 en EUR 852,48 aan rente. Volgens de overeenkomst moest [gedaagde] voormelde totale leasesom (terug)betalen in 36 maandelijkse termijnen van omgerekend elk EUR 23,68 (de totale rente), voorts EUR 45,38 omstreeks de 35e maand en tenslotte EUR 4.017,91 aan het einde van de overeenkomst (samen het totale aankoopbedrag, dat bedrag in beginsel door Legio te verrekenen met de verkoopopbrengst van de aandelen). Op enig moment is [gedaagde] gestopt met het betalen van haar inleg bestaande uit de voormelde maandtermijnen: volgens de eindafrekening is er sprake van 3 resterende termijnen van in totaal EUR 71,04 en een achterstallig bedrag van EUR 165,76 dat is 7 maandtermijnen, zodat de totale inleg 36 - 3 - 7 = 26 termijnen van in totaal EUR 615,68 moet hebben bedragen. Dexia heeft wegens die wanbetaling de tweede overeenkomst van aandelenlease voortijdig beëindigd en na verkoop van de geleasde aandelen een eindafrekening per 21 maart 2003 opgesteld, volgens welke [gedaagde] een negatief saldo van EUR 3.001,71 met 0,96% contractuele rente per maand aan Dexia zou dienen te betalen, de zogenaamde restschuld. Ondanks herhaalde sommaties heeft [gedaagde] ook deze restschuld grotendeels onbetaald gelaten.

8. De derde overeenkomst van omstreeks 31 juli 2000 met contractnummer 74420199 bevat een totale leasesom van omgerekend EUR 14.500,80, bestaande uit het aankoopbedrag van EUR 11.985,84 en EUR 2.514,96 aan rente. Volgens de overeenkomst moest [gedaagde] voormelde totale leasesom (terug)betalen in 36 maandelijkse termijnen van omgerekend elk EUR 69,86 (de totale rente), voorts EUR 45,38 omstreeks de 35e maand en tenslotte EUR 11.940,46 aan het einde van de overeenkomst (samen het totale aankoopbedrag, dat bedrag in beginsel door Legio te verrekenen met de verkoopopbrengst van de aandelen). Op enig moment is [gedaagde] gestopt met het betalen van haar inleg bestaande uit de voormelde maandtermijnen: volgens de eindafrekening is er sprake van 4 resterende termijnen van in totaal EUR 279,44 en een achterstallig bedrag van EUR 310,76, zodat de totale feitelijke inleg EUR 1.924,76 moet hebben bedragen. Dexia heeft wegens die wanbetaling de derde overeenkomst van aandelenlease voortijdig beëindigd en na verkoop van de geleasde aandelen een eindafrekening per 21 maart 2003 opgesteld, volgens welke [gedaagde] een negatief saldo van EUR 8.654,95 met 0,96% contractuele rente per maand aan Dexia zou dienen te betalen, de zogenaamde restschuld. Ondanks herhaalde sommaties heeft [gedaagde] ook deze restschuld grotendeels onbetaald gelaten.

Geschillen

9. Bij inleidende dagvaarding van 27 april 2004 heeft Dexia in conventie betaling gevorderd door [gedaagde] van voormelde drie restschulden van in totaal EUR 12.533,98 (het bij dagvaarding onder 13 gestelde bedrag van EUR 12.440,42 is zonder nadere toelichting onbegrijpelijk), verminderd met de in de alinea's 7 en 13 gestelde deelbetalingen van EUR 374,16 en EUR 280,68 en vermeerderd met EUR 2.450,08 aan verstreken vertragingsrente en EUR 929,39 inclusief BTW aan incassokosten, hetgeen Dexia's totale vordering onbegrijpelijkerwijs brengt op EUR 15.539,21 met contractuele rente en proceskosten.

10. Namens [gedaagde] is bij antwoord in conventie gemotiveerd verweer gevoerd, dat hierna voor zover nodig bij de beoordeling aan de orde komt. In reconventie vordert zij verklaringen voor recht alsmede terugbetaling door Dexia van haar totale feitelijke inleg, nader op te maken bij staat en vermeerderd met EUR 576,- voor de kosten van rechtsbijstand bestaande uit de eigen bijdrage aan haar toevoeging, met rente en proceskosten. Dexia voert daartegen op haar beurt gemotiveerd verweer dat haar nog brengt tot een voorwaardelijke wijziging van eis in conventie op de voet van art. 6:278 BW.

11. Voor de onderbouwing van voormelde vorderingen in conventie en in reconventie en voor de nadere standpunten van partijen verwijst de kantonrechter kortheidshalve naar alle relatief omvangrijke wederzijdse gedingstukken met producties. De vorderingen over en weer lenen zich voor een gezamenlijke beoordeling.

Beoordeling

12. De vroegere advocaat van [gedaagde] heeft zich klaarblijkelijk beroepen op vernietiging van de overeenkomsten wegens dwaling en/of misleidende reclame. [gedaagde] dacht dat het om spaarregelingen ging. Op de voet van de gepubliceerde uitspraken van de rechtbank Amsterdam (NJF 2004 nrs. 410 en 411 en JOR nrs. 238 en 239), is de kantonrechter echter van oordeel dat de overgelegde reclame van Dexia voor de WinstVerDriedubbelaar (nog net) niet als misleidend kan worden aangemerkt en dat het beroep op dwaling op deze grond niet kan slagen. Ook overigens behoort de klaarblijkelijk gestelde maar betwiste dwaling in de gegeven omstandigheden voor risico en rekening van [gedaagde] te blijven. Er zijn voorts te weinig concrete doorslaggevende feiten of omstandigheden gesteld die - indien bewezen - kunnen leiden tot de conclusie dat er sprake is van dwaling of enig ander wilsgebrek dat de door [gedaagde] beoogde algehele vernietiging van de overeenkomsten van aandelenlease kan rechtvaardigen. De nog gestelde gebrekkige beheersing van de Nederlandse en Engelse taal van de in Ghana geboren [gedaagde] - wat daar verder ook van zij - moet ten deze rechtens eveneens voor haar eigen risico en rekening blijven.

13. Namens [gedaagde] is voorts aangevoerd dat de rechtsvoorganger van Dexia haar zorgplicht in meerdere opzichten heeft geschonden. De kantonrechter stelt voorop dat volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (NJ 1998 nrs. 192 en 660, NJ 1999 nr. 285) financiële instellingen zoals Legio gelet op hun maatschappelijke functie een bijzondere zorgplicht hebben jegens ondermeer hun (potentiële) cliënten zoals [gedaagde]. Weliswaar zagen deze arresten niet op constructies van aandelenlease, maar gelet op de aan de onderhavige overeenkomst verbonden en gebleken grote risico's - naar de kern genomen gaat het om beleggen met geleend geld met hefboomwerking - bestaat er geen aanleiding in dit soort gevallen anders te oordelen.

14. Overeenkomstig de gepubliceerde uitspraken van de rechtbank Amsterdam en de klachtencommissie DSI (NJF 2004, nrs. 410 en 446), alsmede vooral de recente uitspraak van de gezaghebbende Beroepscommissie DSI van 27 januari 2005 (LJN nr. AS4115, nog niet gepubliceerd op www.rechtspraak.nl maar al wel op www.dsi.nl onder KCHB nr. 91) is de kantonrechter van oordeel dat de rechtsvoorganger van Dexia bij het aanbieden van de onderhavige overeenkomsten van aandelenlease met name gehouden was aan de artikelen 25, 28 en 33 van de toepasselijke versie van de Nadere Regeling Toezicht Effectenverkeer (NR) waarin voormelde bijzondere zorgplicht van banken nader is gecodificeerd. Legio had erop bedacht dienen te zijn dat tot haar wederpartijen veelal personen zouden behoren die niet over voldoende inzicht in en/of ervaring met beleggen beschikken om zich zelfstandig in effectentransacties met geleend geld te begeven. Gelet op die omstandigheid mocht van een deskundige als Dexia worden verwacht dat de potentiële afnemers van dit aangeboden product indringend werden gewezen op de daaraan verbonden grote risico's, met name het risico van een eventuele restschuld, ook al heerste er destijds onder velen de verwachting dat de aandelenkoersen min of meer aanhoudend zouden blijven stijgen.

15. Daaraan doet niet af dat Legio een kant-en-klaar effectenproduct aan een breed publiek aanbood. De stelling van Dexia dat de NR onverbindend is treft geen doel, alleen al omdat de daarin neergelegde regels ook volgen uit de bijzondere zorgplicht zoals de Hoge Raad die in voormelde vaste jurisprudentie aan banken heeft voorgeschreven. Anders dan Dexia betoogt, kan voorts de restschuld van de lening - waarop de NR niet ziet - niet worden geabstraheerd van de belegging in aandelen, omdat de overeenkomst van aandelenlease als geheel moet worden beoordeeld. De cliënt uit de kennelijke doelgroep van Dexia zal immers veelal kiezen voor het leasen van aandelen, omdat het hem of haar ontbreekt aan financiële middelen om zelf het aankoopbedrag voor de effecten te financieren. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft Legio in ieder geval ten aanzien van het onderzoek naar de bij haar wederpartij te verwachten bestedingsruimte onvoldoende zorg betracht, omdat zij slechts heeft onderzocht of haar afnemer geregistreerd stond bij het BKR.

16. Uit niets blijkt dat de rechtsvoorganger van Dexia zich in de financiële en persoonlijke omstandigheden, de beleggingservaring en de beleggingsdoelstellingen van [gedaagde] heeft verdiept toen zij de drie overeenkomsten van aandelenlease met haar afsloot, alsmede hoe [gedaagde] de eventuele restschulden zou kunnen betalen. [gedaagde] heeft ten deze nog gesteld dat zij destijds slechts een netto-maandinkomen van ongeveer fl 1.100,- genoot, en dat zij dacht dat het om lucratieve spaarregelingen ging. Ook heeft Dexia niet ingegrepen of gewaarschuwd toen de aandelenkoersen zodanig daalden dat er (anders dan de in de brochure vooral voorgespiegelde winsten) een negatief saldo dreigde te ontstaan. De omstandigheid dat de overeenkomst een vaste looptijd had doet daaraan niet af. Het is immers duidelijk dat de schade beperkt had kunnen worden wanneer tussentijds was ingegrepen door verkoop van de aandelen en sluiting van de bijbehorende optieposities. Voorts is de geproduceerde brochure over de voor een leek relatief complexe structuur en het wezen van de WinstVerDriedubbelaar - beleggen met geleend geld met hefboomwerking, met het risico van een restschuld bovenop het verlies van de inleg bij relevante koersdalingen - bepaald niet optimaal te noemen jegens consumenten zonder beleggingservaring en zonder inzicht in financieel-juridische constructies zoals klaarblijkelijk ook [gedaagde]. Door al deze nalatigheden is (de rechtsvoorganger van) Dexia tekortgeschoten in haar bovenbedoelde bijzondere zorgplicht die haar jegens [gedaagde] betaamt, en mitsdien is Dexia uit hoofde van onrechtmatige daad aansprakelijk voor het als gevolg daarvan door [gedaagde] ondervonden nadeel.

17. Daarbij moet echter mede in aanmerking worden genomen dat de destijds 25-jarige respectievelijk 26-jarige [gedaagde] ook een eigen verantwoordelijkheid draagt voor de gevolgen van haar onbezonnen keuzes tot deelname aan deze riskante drie overeenkomsten van aandelenlease. Wellicht uit winstbejag of naïviteit heeft zij immers in het risico van een negatieve afloop - waarop zij blijkens de overgelegde brochures wel, zij het zeer summier en in zeer versluierde bewoordingen is gewezen - blijkbaar geen aanleiding gezien om van de transactie af te zien of om tenminste nadere inlichtingen in te winnen over de aard en risico's van de aangevraagde financiële producten alvorens de contracten als volwassene te ondertekenen en daarna aan Legio te retourneren, hoewel zij de aard en de risico's van de WinstVerDriedubbelaar en de daarmee jegens Legio aangegane verplichtingen klaarblijkelijk niet of nauwelijks besefte. Beide partijen hebben aldus bijgedragen aan het ontstaan van het nadeel. De verantwoordelijkheid van Dexia als professionele partij en als bank, belast met bovenbedoelde bijzondere maatschappelijke zorgplicht, weegt naar het oordeel van de kantonrechter in beginsel aanmerkelijk zwaarder dan die van [gedaagde] als onervaren consument.

18. Daarom verdeelt de kantonrechter gelet op alle (summier gebleken) bijzondere omstandigheden van het geval, gelet op art. 6:101 BW en naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid het totale nadeel aldus, dat het voor risico en rekening van [gedaagde] komende gedeelte daarvan zal worden beperkt tot alle in feite door haar betaalde maandtermijnen en deelbetalingen tot op heden, welke feitelijke inleg zij klaarblijkelijk bereid en in staat was op het spel te zetten, en dat het nadeel voor het overige zijnde het totaal van de drie restschulden voor risico en rekening van Dexia als rechtsopvolger van Legio zal moeten blijven. Ook de eigen bijdrage van EUR 576,- ten behoeve van haar toevoeging moet aldus voor eigen risico en rekening van [gedaagde] blijven.

19. Een en ander leidt tot afwijzing van de over en weer ingestelde hoofd- en nevenvorderingen en mitsdien per saldo tot compensatie van de proceskosten in conventie en in reconventie. De overige stellingen en weren van partijen kunnen na het voorgaande onbesproken blijven. De vele namens [gedaagde] nog gevorderde verklaringen voor recht zijn na het voorgaande en bij gebreke van enig gesteld concreet belang niet toewijsbaar.

Beslissingen

De kantonrechter, recht doende in conventie en in reconventie:

- wijst de over en weer ingestelde vorderingen af;

- compenseert de proceskosten in conventie en in reconventie aldus, dat iedere partij per saldo de eigen proceskosten tot heden draagt.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr H. Wien en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 maart 2005 in het bijzijn van de griffier.