Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AT3190

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-03-2005
Datum publicatie
05-04-2005
Zaaknummer
436518 / 04-16787
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aandelenlease - WinstVerDriedubbelaar. Schending zorgplicht. De kantonrechter verdeelt gelet op alle (summier gebleken) bijzondere omstandigheden van het geval, gelet op art. 6:101 BW en naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid het totale nadeel aldus, dat het voor risico en rekening van [gedaagde] komende gedeelte daarvan zal worden beperkt tot de in feite door haar betaalde 35 maandtermijnen van in totaal EUR 3.987,20 welke feitelijke inleg zij klaarblijkelijk bereid en in staat was op het spel te zetten, en dat het nadeel voor het overige zijnde de restschuld van EUR 10.866,67 voor risico en rekening van Dexia zal moeten blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector kanton - locatie 's-Gravenhage

hw

rolnr. 436518 / 04-16787

22 maart 2005

Vonnis in de zaak van:

de naamloze vennootschap Dexia Bank Nederland NV,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

gemachtigde: GGN Incasso BV,

rolgemachtigde: dw E. van Mastrigt,

tegen

[gedaagde], geboren op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

thans schriftelijk procederend in persoon.

Procedure

1. De kantonrechter heeft kennisgenomen van alle gedingstukken met producties in de beide griffiedossiers in deze zaak over aandelenlease, die is gestart door Dexia bij inleidende dagvaarding van 27 oktober 2003 en die na antwoord namens [gedaagde] naar hem is verwezen door de sector civiel van deze rechtbank bij vonnis van 21 juli 2004. Hij zal de partijen hierna aanduiden als "Dexia" en "[gedaagde]". Vonnis is bepaald op heden.

2. Dexia heeft bij brief van 18 februari 2005 aan onder meer de sectorvoorzitters kanton van alle rechtbanken (kort gezegd) aangekondigd dat zij alle procedures over aandelenlease thans zo veel mogelijk wil aanhouden in afwachting van de nieuwe bemiddelingspoging van de heer Wim Duisenberg. Een concreet aanhoudingsverzoek met toestemming van [gedaagde] ontbreekt echter in deze individuele afgeconcludeerde zaak, zodat de kantonrechter mede om redenen van proceseconomie nu eindvonnis in eerste aanleg zal wijzen om verdere vertraging van deze door Dexia zelf gestarte procedure te voorkomen.

Vaststaande feiten

3. Dexia is de rechtsopvolger onder algemene titel van Bank Labouchere NV, h.o.d.n. Legio en op haar beurt rechtsopvolgster van Legio Lease BV. Dexia is terzake van de onderhavige overeenkomst in alle rechten en verplichtingen van Legio getreden.

1. Naar aanleiding van een mailing van Dexia gericht aan de[echtgenoot van gedaagde] heeft [gedaagde] op of omstreeks 16 mei 2000 met Legio onder contractnummer 74487333 een overeenkomst van aandelenlease gesloten met de productnaam "WinstVerDriedubbelaar". Deze overeenkomst heeft een looptijd van 36 maanden waarbij [gedaagde] van Legio een door Legio in drie jaarlijkse tranches te kopen pakket aandelen of effecten least voor een totale leasesom van omgerekend EUR 23.647,23, bestaande uit het aankoopbedrag van

EUR 19.546,11 en EUR 4.101,12 aan rente. Volgens de overeenkomst moest [gedaagde] voormelde leasesom voldoen in 36 maandelijkse termijnen van elk EUR 113,92 (de totale rente), voorts EUR 45,38 omstreeks de 35e maand en tenslotte EUR 19.500,73 aan het einde van de overeenkomst (samen het totale aankoopbedrag, zulks in beginsel door Legio te verrekenen met de verkoopopbrengst van de aandelen). Op de overeenkomst zijn van toepassing de Bijzondere Voorwaarden Effecten Lease van Legio.

5. Gedurende de looptijd van de overeenkomst heeft [gedaagde] via automatische incasso kennelijk (er is op de eindafrekening sprake van één inhaalincasso) 35 maandtermijnen van in totaal EUR 3.987,20 betaald, de zogenaamde inleg. Dexia heeft aan het einde van de looptijd het aandelenpakket verkocht en een eindafrekening per 15 mei 2003 opgesteld, volgens welke [gedaagde] een negatief saldo van EUR 10.866,67 met 0,96% contractuele rente per maand aan Dexia zou dienen te betalen, de zogenaamde restschuld. Ondanks herhaalde sommaties heeft [gedaagde] deze restschuld grotendeels onbetaald gelaten.

Geschillen

6. Bij inleidende dagvaarding van 27 oktober 2003 heeft Dexia betaling gevorderd door [gedaagde] van voormelde restschuld van EUR 10.866,67, verminderd met een tot 8 september 2003 reeds betaald bedrag van EUR 226,90 en vermeerderd met EUR 342,52 aan verstreken vertragingsrente en EUR 929,39 inclusief BTW aan incassokosten, in totaal derhalve EUR 11.911,68 met contractuele rente vanaf 8 september 2003 en proceskosten. Bij repliek vermindert Dexia haar vordering met de door [gedaagde] van 22 juli 2003 tot 16 december 2004 "zelfstandig" aan Dexia verrichte maandelijkse afbetalingen van 18 x EUR 113,45 = in totaal EUR 2.042,10, en vordert Dexia vervolgens nog een bedrag van in totaal EUR 8.597,67 met rente vanaf 8 september 2003, waarbij Dexia klaarblijkelijk de aanvankelijk gevorderde incassokosten en verstreken rente vergeet en over het hoofd ziet dat zij de afbetalingen van [gedaagde] in juli en augustus 2003 2x in mindering brengt.

7. Namens en door [gedaagde] is gemotiveerd verweer gevoerd, dat hierna voor zover nodig bij de beoordeling aan de orde komt. Het beroep op vernietiging van de overeenkomst van aandelenlease brengt Dexia nog tot een voorwaardelijke wijziging van eis in conventie op de voet van art. 6:278 BW.

8. Voor de onderbouwing van de vorderingen en de nadere standpunten van partijen verwijst de kantonrechter kortheidshalve naar de wederzijdse gedingstukken met producties.

Beoordeling

9. De voormalige advocaat van [gedaagde] heeft bij antwoord bij de sector civiel aangevoerd dat [gedaagde] gehuwd is met de [echtgenoot van gedaagde], die niets van deze overeenkomst afwist waar het hele gezin nu financieel onder lijdt, en hij voegt daar aan toe: "echtgenoten behoren niet dergelijke overeenkomsten af te kunnen sluiten zonder medeweten elkaar. Eiseres had onderzoek hiernaar kunnen instellen en zulks ook behoren te doen uit het oogpunt van de zorgvuldigheid." Bij mondeling aanvullend antwoord op de eerste rolzitting bij de kantonrechter heeft [gedaagde] nog opgemerkt dat haar partner de overeenkomst niet mede heeft ondertekend (en als de kantonrechter het zich goed herinnert ook dat [gedaagde] haar advocaat niet meer kan betalen). Dexia heeft bij repliek onder meer bij gebrek aan enig bewijsstuk van [gedaagde] betwist dat [gedaagde] bij het aangaan van de overeenkomst gehuwd was met voornoemde [echtgenoot van gedaagde]. Ook heeft Dexia verweer gevoerd ten aanzien van de door [gedaagde] met deze stellingen mogelijk beoogde rechtsgevolgen zoals die van de wetsartikelen 1:88 en 1:89 BW.

10. Naar het oordeel van de kantonrechter moet dit in potentie kansrijke argument van [gedaagde] thans falen, omdat niet vaststaat met een bewijsstuk dat [gedaagde] bij het sluiten van de overeenkomst met [echtgenoot van gedaagde] was gehuwd en vooral omdat niet gesteld of gebleken is dat [echtgenoot van gedaagde], die in deze procedure geen partij is, binnen de verjaringstermijn van drie jaar daadwerkelijk jegens Dexia in of buiten rechte een beroep op de in beginsel slechts hem ten dienste staande vernietigingsgrond heeft gedaan als bedoeld in de artt. 1:88 en 1:89 BW. Voorts valt ook bij een uiterst welwillende lezing in het antwoord en het aanvullend antwoord namens en door contractante [gedaagde] geen beroep op vernietiging van de overeenkomst wegens het ontbreken van de vereiste toestemming van de echtgenoot te lezen, en ontbreekt een daaraan gekoppelde eis in reconventie (tegenvordering) strekkende tot terugbetaling van de ingelegde maandtermijnen.

11. Thans strikt genomen ten overvloede: anders dan Dexia kwalificeert de kantonrechter de onderhavige overeenkomst van aandelenlease overigens wel als een overeenkomst van huurkoop en dus koop op afbetaling, waarop de bepalingen van de artt. 1:88 en 1:89 BW van toepassing zijn. Kortheidshalve verwijst de kantonrechter naar zijn onder de zoekterm "aandelenlease" reeds gepubliceerde uitspraken op www.rechtspraak.nl en vooral naar de op die databank gepubliceerde Amsterdamse Eegalease-zaak met LJN nr. AQ7412. Er is thans geen aanleiding in deze zaak anders te oordelen. Deze kwalificatie kan overigens geen verrassing voor Dexia zijn, gelet op de uitdrukkelijke verwijzingen van haar rechtsvoorganger Legio in de eigen bijzondere voorwaarden en eindafrekening naar specifieke wetsartikelen over koop op afbetaling.

12. Het verwerend beroep van [gedaagde] op vernietigbaarheid van de overeenkomst wegens "misleiding" moet falen. Op de voet van de gepubliceerde uitspraken van de rechtbank Amsterdam (NJF 2004 nrs. 410 en 411 en JOR nrs. 238 en 239), is de kantonrechter van oordeel dat de wervende teksten van Legio voor de WinstVerDriedubbelaar nog net niet als misleidende reclame kunnen worden aangemerkt en dat het klaarblijkelijk beroep op wilsgebreken op die grond niet kan slagen. Ook overigens behoort de gestelde dwaling in de gegeven omstandigheden voor risico en rekening van contractante [gedaagde] te blijven. Door of namens haar zijn tenslotte te weinig concrete feiten en omstandigheden gesteld die - indien bewezen - zouden kunnen leiden tot de vergaande conclusie dat er sprake is van dwaling, misbruik van omstandigheden of een ander wilsgebrek dat de klaarblijkelijk beoogde algehele vernietiging van de overeenkomst kan rechtvaardigen.

13. Bij antwoord is namens [gedaagde] betoogd dat en waarom de rechtsvoorganger van Dexia als aanbieder van financiële diensten haar zorgplicht heeft geschonden, en is geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van Dexia. Dit verweer slaagt.

14. De kantonrechter stelt voorop dat volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (NJ 1998 nrs. 192 en 660, NJ 1999 nr. 285) financiële instellingen zoals Legio gelet op hun maatschappelijke functie een bijzondere zorgplicht hebben jegens ondermeer hun (potentiële) cliënten zoals [gedaagde]. Weliswaar zagen deze arresten niet op constructies van aandelenlease, maar gelet op de aan de onderhavige overeenkomst verbonden en gebleken grote risico's - naar de kern genomen gaat het om beleggen met geleend geld met hefboomwerking - bestaat er geen aanleiding in dit soort gevallen anders te oordelen.

15. Overeenkomstig de gepubliceerde uitspraken van de rechtbank Amsterdam en de klachtencommissie DSI (NJF 2004, nrs. 410 en 446), alsmede vooral de recente uitspraak van de gezaghebbende Beroepscommissie DSI van 27 januari 2005 (LJN nr. AS4115, nog niet gepubliceerd op www.rechtspraak.nl maar al wel op www.dsi.nl onder KCHB nr. 91) is de kantonrechter van oordeel dat de rechtsvoorganger van Dexia bij het aanbieden van de onderhavige overeenkomst van aandelenlease met name gehouden was aan de artikelen 25, 28 en 33 van de toepasselijke versie van de Nadere Regeling Toezicht Effectenverkeer (NR) waarin voormelde bijzondere zorgplicht van banken nader is gecodificeerd. Legio had erop bedacht dienen te zijn dat tot haar wederpartijen veelal personen zouden behoren die niet over voldoende inzicht in en/of ervaring met beleggen beschikken om zich zelfstandig in effectentransacties met geleend geld te begeven. Gelet op die omstandigheid mocht van een deskundige als Dexia worden verwacht dat de potentiële afnemers van dit aangeboden product indringend werden gewezen op de daaraan verbonden grote risico's, met name het risico van een eventuele restschuld, ook al heerste er destijds onder velen de verwachting dat de aandelenkoersen min of meer aanhoudend zouden blijven stijgen. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft Legio in ieder geval ten aanzien van het onderzoek naar de bij haar wederpartij te verwachten bestedingsruimte onvoldoende zorg betracht, omdat zij slechts heeft onderzocht of haar afnemer geregistreerd stond bij het BKR.

16. Uit niets blijkt dat de rechtsvoorganger van Dexia zich in de financiële en persoonlijke omstandigheden, de beleggingservaring en de beleggingsdoelstellingen van [gedaagde] heeft verdiept toen zij de overeenkomst van aandelenlease met haar afsloot, alsmede hoe [gedaagde] een eventuele restschuld zou kunnen betalen. Ook heeft Dexia niet ingegrepen of gewaarschuwd toen de aandelenkoersen zodanig daalden dat er (anders dan de in de brochure vooral voorgespiegelde winsten) een negatief saldo dreigde te ontstaan. De omstandigheid dat de overeenkomst een vaste looptijd had doet daaraan niet af. Het is immers duidelijk dat de schade beperkt had kunnen worden wanneer tussentijds was ingegrepen door verkoop van de aandelen en sluiting van de bijbehorende optieposities. Voorts is de geproduceerde brochure over de voor een leek relatief complexe structuur en het wezen van de WinstVerDriedubbelaar - dat is beleggen met geleend geld met hefboomwerking, met het risico van een restschuld bovenop het verlies van de inleg bij relevante koersdalingen - bepaald niet optimaal te noemen jegens consumenten zonder beleggingservaring en zonder inzicht in financieel-juridische constructies zoals klaarblijkelijk ook [gedaagde]. Door al deze nalatigheden is (de rechtsvoorganger van) Dexia tekortgeschoten in haar bovenbedoelde bijzondere zorgplicht die haar jegens [gedaagde] betaamt, en mitsdien is Dexia uit hoofde van onrechtmatige daad aansprakelijk voor het als gevolg daarvan door [gedaagde] ondervonden nadeel.

17. Daarbij moet echter mede in aanmerking worden genomen dat de toen 30-jarige [gedaagde] ook een eigen verantwoordelijkheid draagt voor de gevolgen van haar onbezonnen keuze tot deelname aan deze riskante overeenkomst van aandelenlease. Wellicht uit winstbejag of naïviteit heeft de toen 30-jarige [gedaagde] immers in het risico van een negatieve afloop - waarop zij blijkens de overgelegde brochure wel, zij het zeer summier en in zeer versluierde bewoordingen is gewezen - blijkbaar geen aanleiding gezien om van de transactie af te zien of om tenminste nadere inlichtingen in te winnen over de aard en risico's van het aangevraagde financiële product alvorens het contract als volwassene te ondertekenen en daarna aan Legio te retourneren, zulks hoewel zij de aard en de risico's van de WinstVerDriedubbelaar en de daarmee jegens Legio aangegane verplichtingen klaarblijkelijk niet of nauwelijks besefte. Beide partijen hebben aldus bijgedragen aan het ontstaan van het nadeel. De verantwoordelijkheid van Dexia als professionele partij en als bank, belast met bovenbedoelde bijzondere maatschappelijke zorgplicht, weegt naar het oordeel van de kantonrechter in beginsel aanmerkelijk zwaarder dan die van [gedaagde] als onervaren consument.

18. Daarom verdeelt de kantonrechter gelet op alle (summier gebleken) bijzondere omstandigheden van het geval, gelet op art. 6:101 BW en naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid het totale nadeel aldus, dat het voor risico en rekening van [gedaagde] komende gedeelte daarvan zal worden beperkt tot de in feite door haar betaalde 35 maandtermijnen van in totaal EUR 3.987,20 (zie rov. 5) welke feitelijke inleg zij klaarblijkelijk bereid en in staat was op het spel te zetten, en dat het nadeel voor het overige zijnde de restschuld van EUR 10.866,67 (zie ook rov. 5) voor risico en rekening van Dexia als rechtsopvolger van Legio zal moeten blijven.

19. De kantonrechter merkt nog op dat deze beslissing rechtens tevens inhoudt dat Dexia aan [gedaagde] de door haar van medio juli 2003 t/m medio december 2004 al betaalde "aflossingen" van in totaal EUR 2.042,10 op eerste verzoek dient terug te betalen, alsmede de eventueel nadien nog betaalde bedragen. Uit haar al bij antwoord geproduceerde brief en uit het gestelde bij dupliek blijkt voorts dat [gedaagde] deze "met mevrouw [betrokkene] van Dexia getroffen betalingsregeling" onder protest en onder voorbehoud van alle rechten en "gezien jullie bedreigingen met incassomaatregelen" heeft voldaan, alsmede onder de ontbindende voorwaarde van toekomstige andersluidende rechterlijke uitspraken gezien de grote emotionele wissel die deze kwestie op haar gezin trekt. Bij gebreke van een destijds al voor de hand liggende tegenvordering bij antwoord, kan de kantonrechter Dexia echter in het onderstaande dictum niet veroordelen tot terugbetaling van die EUR 2.042,10 en van eventuele verdere aflossingen onder protest vanaf januari 2004 tot heden. De kantonrechter neemt echter aan dat Dexia ten deze haar maatschappelijke verantwoordelijkheid neemt en in geval van berusting in dit vonnis deze terugbetalingen aan [gedaagde] verricht zonder dat [gedaagde] daartoe een aparte incassoprocedure tegen Dexia bij de rechtbank Amsterdam (Dexia's vestigingsplaats) zal moeten voeren.

20. De overige stellingen en weren van partijen kunnen na het voorgaande onbesproken blijven. Als de in het ongelijk gestelde partij moet Dexia worden veroordeeld in de proceskosten van [gedaagde], tot heden begroot op nihil bij de sector kanton nu [gedaagde] daar in persoon en dus zonder gemachtigde procedeert (artikel 238 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering) alsmede bij de sector civiel op EUR 225,- aan (tevens nodeloos) betaald griffierecht en EUR 390,- aan salaris procureur volgens liquidatietarief, dat is in totaal EUR 615,-.

Beslissingen

De kantonrechter:

- wijst de vorderingen van Dexia op [gedaagde] af;

- veroordeelt Dexia tot betaling van EUR 615,- aan [gedaagde] voor de geliquideerde proceskosten aan haar zijde, zoals begroot in rov. 20.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr H. Wien en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 maart 2005 in het bijzijn van de griffier.