Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AT3115

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-03-2005
Datum publicatie
04-04-2005
Zaaknummer
AWB 05/565 en 05/1383 MAWKMA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

[...] Nu eiser geen nadienfunctie kon worden toegewezen en zijn terzake ingediende verzoek door verweerder is afgewezen, is aan eiser bij besluit van 16 december 2004 met ingang van 1 maart 2005 eervol ontslag verleend wegens het bereiken dan wel overschrijden van de LOM-leeftijd. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en tevens een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Nu de voorzieningenrechter evenwel eisers beroep tegen het besluit van 27 mei 2004, waarbij de afwijzing van zijn verzoek om na te dienen is gehandhaafd, ongegrond verklaart en tevens geen

aanleiding heeft gevonden een voorlopige voorziening te treffen, bestaat er eveneens geen aanleiding ten aanzien van eisers ontslag een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt dan ook afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. [...]

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

Reg. nr. AWB 05/565 en 05/1383 MAWKMA

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:86

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening van

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

ten aanzien van de besluiten van:

* 27 mei 2004 van De Staatssecretaris van Defensie; Directie Personeel Koninklijke Marine, verweerder, waarbij de afwijzing van het verzoek van eiser om na te dienen is gehandhaafd;

* 16 december 2004 van de Staatssecretaris van Defensie, verweerder, waarbij eiser met ingang van 1 maart 2005 eervol ontslag is verleend.

Ontstaan en loop van het geding

Bij aanvraag van 12 maart 2001 heeft eiser verzocht gebruik te mogen maken van het recht om vrijwillig twee jaar na te dienen ingaande 1 oktober 2004.

Bij brief van 23 april 2001 is eiser bericht dat zijn verzoek - in afwachting van het nog vast te stellen nadienbeleid - vooralsnog niet behandeld kan worden.

Bij aanvraag van 8 december 2003 heeft eiser nogmaals verzocht gebruik te mogen maken van het recht om vrijwillig twee jaar na te dienen, nu evenwel ingaande 1 maart 2005. Bij besluit van 23 maart 2004 heeft verweerder dit verzoek afgewezen.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 7 april 2004 bezwaar gemaakt. Eiser is vervolgens in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. Van deze gelegenheid heeft eiser geen gebruik gemaakt. Bij besluit van 27 mei 2004 is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 6 juli 2004, van aanvullende gronden voorzien bij brief van 20 juli 2004, beroep ingesteld bij deze rechtbank.

Verweerder heeft bij brief van 8 juli 2004 de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend. Vervolgens heeft verweerder bij brief van 24 augustus 2004 een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 16 december 2004 heeft verweerder eiser met ingang van

1 maart 2005 eervol ontslag verleend wegens het bereiken dan wel overschrijden van de LOM-leeftijd.

Tegen dit ontslagbesluit heeft eiser bij brief van 26 januari 2005, van aanvullende gronden voorzien bij brief van 9 februari 2005, bezwaar gemaakt.

Vervolgens heeft eiser bij brief van 28 januari 2005 een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend voor wat betreft de afwijzing van zijn verzoek om na te dienen. Bij brief van 4 maart 2005 heeft eiser tevens een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend voor wat betreft het ontslagbesluit.

De verzoeken om een voorlopige voorziening zijn behandeld ter zitting van

9 maart 2005.

Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. T.H. ten Wolde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. de Vlaam en commodore mr. M. van Seventer.

Beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Het verzoek om te mogen nadienen

Op grond van het bepaalde in artikel 8:86 van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak. Er bestaat aanleiding om in dit geval van laatstgenoemde bevoegdheid gebruik te maken.

Verweerder heeft aan het bestreden besluit, waarbij eisers bezwaren tegen de afwijzing van zijn verzoek om na te dienen ongegrond zijn verklaard, ten grondslag gelegd dat hij zijn discretionaire bevoegdheid terzake van het verlenen van een ontslag aan een militair die zijn LOM-leeftijd heeft bereikt, heeft ingevuld met de "Beleidsnota vrijwillig nadienen militairen"(Nota DGP van 16 juli 2001, nr. P/2001004838, hierna: de Beleidsnota). Hierin is, aldus verweerder, opgenomen dat uitsluitend indien geen nadienfunctie kan worden gevonden of geen overeenstemming over een te vervullen functie kan worden bereikt, de aanvraag wordt afgewezen. In verband met de actuele grootschalige reorganisatie- en reductiemaatregelen heeft verweerder evenwel bepaald dat met ingang van 1 februari 2004 alle vacante functies worden geblokkeerd. Nu om die reden geen vacante functie voor eiser beschikbaar is, is het niet mogelijk eiser in de gelegenheid te stellen na te dienen.

Eiser heeft gesteld dat het recht op nadienen een materieel recht is, dat zijn grondslag vindt in de Beleidsnota. Deze Beleidsnota is niet gewijzigd of ingetrokken en dit recht kan derhalve niet zomaar ter zijde worden geschoven wegens door verweerder noodzakelijk geachte veranderingen in het personeelsbestand. Verweerder zal zich dan ook dienen te houden aan de fasen van de besluitvorming als bedoeld onder punt 5 van de Beleidsnota. Met name de tweede fase, het daadwerkelijk aanbieden van een functie op het eigen rangsniveau van de militair dan wel een aanbod op een lager niveau, heeft verweerder nagelaten. Nu de functie waarop eiser laatstelijk geplaatst was nog tot november 2005 gedeblokkeerd is, is, aldus eiser, wel degelijk een functie beschikbaar. Ter zitting is namens eiser benadrukt dat verweerder zich ten onrechte uitsluitend beroept op de vacaturestop en geheel niet gebleken is van enige activiteit om voor eiser een te deblokkeren nadienfunctie te vinden.

Daarnaast heeft eiser nog aangevoerd dat, mocht het zo zijn dat verweerder op basis van gewijzigde omstandigheden niet gehouden is om eiser een functie aan te bieden, ten minste een nadeelcompensatie dient te worden toegekend.

Ingevolge artikel 39, tweede lid, aanhef en onder a, van het AMAR kan aan de militair ontslag worden verleend ter zake van het bereiken of overschrijden van de leeftijd van 58 jaar.

Artikel 39a, van het AMAR bepaalt, kort gezegd, dat in afwijking van artikel 39, tweede lid, onder a, aan de militair die vóór 1 januari 2002 voor onbepaalde tijd is aangesteld bij het beroepspersoneel, ontslag kan worden verleend wegens het bereiken of overschrijden van de in dat artikel opgesomde ontslagleeftijden.

Op grond van het Akkoord Arbeidsvoorwaarden 2000-2001 is de "Beleidsnota vrijwillig nadienen militairen" opgemaakt (Nota DGP van 16 juli 2001, nummer P/2001004838). Hierin is, volgens de formulering van deze Beleidsnota, een materieel recht op nadienen geïntroduceerd. Ingevolge deze Beleidsnota geschiedt de besluitvorming over een aanvraag tot vrijwillig nadienen in drie fasen. Eerst zal aan de militair worden bericht dat zijn aanvraag wordt gehonoreerd zodra hij instemt met de voorgenomen functietoewijzing, vervolgens wordt er een functie aangeboden en afsluitend wordt na acceptatie van het functieaanbod de aanvraag tot nadienen formeel gehonoreerd. Dit komt dus neer op het in beginsel honoreren van iedere aanvraag tot nadienen en een indelingsplicht, er van uitgaande dat de militair instemt met de voorgenomen functietoewijzing. Eveneens is in de Beleidsnota (verwezen wordt naar onderdeel 4 daarvan) neergelegd dat een verzoek daartoe tenminste negen maanden vóór de reguliere datum leeftijdsontslag moet worden ingediend, dat verzoeken worden behandeld met inachtneming van de geldende functietoewijzingsprocedures en dat er wordt aangesloten bij het streven om functietoewijzingen bekend te stellen zes maanden vóórdat zij ingaan. Voorts is in de Beleidsnota neergelegd dat het regime voor een uitkering op grond van de Uitkeringswet gewezen militairen en voor een ouderdoms- c.q. nabestaandenpensioen, bedoeld voor het personeel dat te maken krijgt met de verplichte ophoging van het leeftijdontslag, ook gelden voor de militair die met ingang van of aangevangen na 1 januari 2001 tenminste twee jaar aaneengesloten heeft nagediend.

Uit de hiervoor aangehaalde bepalingen van het AMAR volgt dat verweerder een discretionaire bevoegdheid heeft tot het verlenen van ontslag aan een militair die de voor hem geldende ontslagleeftijd heeft bereikt als bedoeld in artikel 39a van het AMAR. Aldus komt verweerder ter zake van het inwilligen van een verzoek om te mogen nadienen, hetgeen immers impliceert dat de betrokken militair geen leeftijdsontslag wordt verleend, eveneens een discretionaire bevoegdheid toe. In voornoemde Beleidsnota heeft verweerder beleidsregels neergelegd inzake de toepassing van deze bevoegdheid. Dit beleid komt de voorzieningenrechter niet onredelijk of anderszins onjuist voor.

Beoordeeld dient zodoende te worden of verweerder zich, in overeenstemming met dit beleid, op goede gronden op het standpunt heeft kunnen stellen dat het verzoek van eiser niet voor inwilliging in aanmerking komt.

Ingevolge de Beleidsnota moet bij de besluitvorming met betrekking tot een verzoek om te mogen nadienen, worden aangesloten bij het streven om functietoewijzingen conform artikel 24 AMAR zes maanden van tevoren bekend te stellen. Dit brengt met zich dat uiterlijk zes maanden vóór de datum leeftijdsontslag op een verzoek tot nadienen dient te worden beslist, zodat op dat moment ook bekend moet zijn of er per de datum leeftijdsontslag een nadienfunctie voor de betrokken militair beschikbaar is.

Ter zitting heeft eiser aangegeven dat verweerder hem een nadienfunctie voor een periode van een half jaar heeft aangeboden. Deze functie heeft eiser evenwel om hem moverende redenen afgewezen. Het is de voorzieningenrechter voorts niet gebleken dat verweerder, voor zover hij daartoe gelet op eisers afwijzing nog verplicht was, eiser uiterlijk zes maanden voor zijn leeftijdsontslag nog een andere geschikte nadienfunctie voor langere duur kon aanbieden. Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat verweerder bij nota van 27 februari 2004 (Nota DGP, nr. P/2004001236) alle vacatures voor militaire functies met ingang van 1 februari 2004 heeft geblokkeerd, zodat vanaf die datum in beginsel geen (nadien)functies meer beschikbaar waren. Aan het gegeven dat eisers laatstelijk vervulde functie oorspronkelijk nog tot 1 november 2005 was gedeblokkeerd, kan geen gewicht worden toegekend. Ter zitting is immers vast komen staan dat deze functie met ingang van 22 april 2005 zal komen te vervallen. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich dan ook op goede gronden op het standpunt kunnen stellen dat eiser per de datum van zijn leeftijdsontslag geen geschikte nadienfunctie kon worden toegewezen.

Verweerder heeft dan ook in redelijkheid kunnen besluiten het verzoek van eiser om vrijwillig te mogen nadienen af te wijzen. Het bestreden besluit komt dan ook niet voor vernietiging in aanmerking, zodat het beroep van eiser ongegrond dient te worden verklaard.

Gegeven deze beslissing in de hoofdzaak is er geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb.

Eiser heeft in zijn beroepschrift nog verzocht dat, ingeval hem niet alsnog een nadienfunctie wordt toegewezen, verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van de schade die eiser heeft geleden als gevolg van de afwijzing van zijn verzoek om te mogen nadienen. Evenwel biedt artikel 8:73 van de Awb de voorzieningenrechter alleen bij een gegrond beroep de mogelijkheid om een partij te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding. Nu het beroep van eiser ongegrond is, dient dit verzoek tot het toekennen van schadevergoeding dan ook te worden afgewezen. De voorzieningenrechter merkt hierbij op dat de vacaturestop is tot stand gekomen op een tijdstip dat gelegen is voor het tijdstip waarop ingevolge de Beleidsnota jo. artikel 4:14, derde lid Awb op verzoekers aanvraag diende te worden beslist.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Het ontslag

Nu eiser geen nadienfunctie kon worden toegewezen en zijn terzake ingediende verzoek door verweerder is afgewezen, is aan eiser bij besluit van 16 december 2004 met ingang van 1 maart 2005 eervol ontslag verleend wegens het bereiken dan wel overschrijden van de LOM-leeftijd. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en tevens een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Nu de voorzieningenrechter evenwel eisers beroep tegen het besluit van 27 mei 2004, waarbij de afwijzing van zijn verzoek om na te dienen is gehandhaafd, ongegrond verklaart en tevens geen

aanleiding heeft gevonden een voorlopige voorziening te treffen, bestaat er eveneens geen aanleiding ten aanzien van eisers ontslag een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt dan ook afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

Verklaart het beroep tegen het besluit van 27 mei 2004 ongegrond;

Wijst het verzoek om een voorlopige voorziening ten aanzien van het besluit van 27 mei 2004 af;

Wijst het verzoek om een voorlopige voorziening ten aanzien van het besluit van 16 december 2004 af.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak, voor zover daarbij op het beroep is beslist, kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale van Beroep.

Aldus gegeven door mr. A.A.M. Mollee, als voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2005 , in tegenwoordigheid van de griffier, mr. A.P.J. Heesen.