Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AT0687

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-02-2005
Datum publicatie
29-03-2005
Zaaknummer
AWB 03/44737, 03/44739
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Paspoortvereiste / fair play-beginsel.

Ondanks herhaaldelijke verzoeken van eisers aan verweerder om aanhouding van de besluiten in verband met pogingen van eisers om een paspoort te verkrijgen, heeft verweerder niet gewacht met het nemen van de besluiten en eisers het paspoortvereiste tegengeworpen, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank in de onderhavige situatie in strijd moet worden geacht met het fair play-beginsel. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

ZITTINGHOUDENDE TE ’S-HERTOGENBOSCH

sector bestuursrecht

enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken

UITSPRAAK

Zaaknummers : AWB 03/44737

AWB 03/44739

Datum uitspraak: 24 februari 2005

Uitspraak op de beroepen in het geschil tussen:

A, eiser en B, eiseres, mede namens hun minderjarige kind te C, tezamen aan te duiden als eisers,

gemachtigde mr. N.M. Weteling, advocaat te `s-Hertogenbosch,

en

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie te ’s-Gravenhage, verweerder.

I. PROCESVERLOOP

Op 5 oktober 1999 hebben eisers, van Turkse nationaliteit, aanvragen ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, met als doel: “het ondergaan van medische behandeling” casu quo vanwege “klemmende redenen van humanitaire aard”.

Bij afzonderlijke besluiten van 25 oktober 2001, op diezelfde datum aan de gemachtigde van eisers verzonden, heeft verweerder de aanvragen van eisers afgewezen.

Bij afzonderlijke brieven van 15 november 2001 hebben eisers tegen voornoemde besluiten bezwaar gemaakt bij verweerder. De gronden van het bezwaar dateren van 13 februari 2002.

Bij afzonderlijke besluiten van 22 juli 2003, op 23 juli 2003 verzonden van de gemachtigde van eisers, heeft verweerder de bezwaarschriften van eisers ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder eisers medegedeeld dat zij de behandeling van een in te dienen beroepschrift niet in Nederland mogen afwachten.

Tegen deze besluiten hebben eisers bij afzonderlijke brieven van 18 augustus 2003 beroep ingesteld. De beroepschriften zijn op dezelfde datum ter griffie van de rechtbank ontvangen.

Tevens hebben eisers op 18 augustus 2003 de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat de uitzetting van eisers achterwege wordt gelaten tot op het beroep is beslist. De verzoekschriften zijn geregistreerd onder zaaknummer 03/44738 (eiser) en 03/44740 (eiseres).

Bij afzonderlijke brieven van 16 september 2003 hebben eisers de gronden van het beroep en het verzoek aangevuld.

Verweerder heeft naar aanleiding van de beroepen en de verzoeken om een voorlopige voorziening de op de zaken betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

De beroepen en de verzoeken om een voorlopige voorziening zijn behandeld ter zitting van 14 februari 2005, waar eisers in persoon zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde.

Verweerder is ter zitting vertegenwoordigd door mr. J.C.O. Stiphout. Als tolk was aanwezig D. Yilmaz.

II. OVERWEGINGEN

Verblijfsvergunning voor het ondergaan van een medische behandeling

Allereerst zijn aan de orde de beroepen voor zover zich deze richten tegen de bestreden besluiten van 22 juli 2003 voor zover verweerder het bezwaar tegen de afwijzing van de aanvragen van eisers om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, met als doel “medische behandeling”, ongegrond heeft verklaard.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eisers niet in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “medische behandeling”, omdat niet voldaan wordt aan de voorwaarden zoals neergelegd in artikel 3.46, eerste lid van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000).

Eisers zijn daarentegen van mening dat Nederland het meest aangewezen land is voor behandeling. In dat verband stellen eisers dat reeds op 29 juli 1999 respectievelijk 3 augustus 1999 door het Bureau Medische Advisering (BMA) ten aanzien van hen adviezen zijn uitgebracht op grond waarvan verweerder had moeten overgaan tot vergunningverlening. Eisers achten het onbegrijpelijk dat in genoemde BMA adviezen alsmede in de daaropvolgende BMA-rapporten van 1 oktober 2001 en 7 april 2003 dezelfde diagnose wordt gesteld (posttraumatische stress-stoornis), doch dat er niet dezelfde conclusies aan worden verbonden. Eisers achten de bestreden besluiten, die op de laatstgenoemde adviezen zijn gebaseerd, derhalve onzorgvuldig.

De rechtbank overweegt als volgt.

Op grond van artikel 14, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) wordt een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend onder beperkingen, verband houdende met het doel waarvoor het verblijf is toegestaan. In artikel 3.4, eerste lid, Vb 2000 zijn de voornaamste beperkingen genoemd. De voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om voor een verblijfsvergunning onder een bepaalde beperking in aanmerking te komen, zijn nader uitgewerkt in het Vb 2000 en de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000).

Ingevolge artikel 3.46 van het Vb 2000 kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, onder een beperking verband houdend met het ondergaan van medische behandeling worden verleend, indien Nederland naar het oordeel van Onze Minister het meest aangewezen land is voor het ondergaan van een noodzakelijke medische behandeling en de financiering van die medische behandeling naar het oordeel van Onze Minister deugdelijk is geregeld.

Het door verweerder ter zake gevoerde beleid is neergelegd in hoofdstuk B8/2 van de Vc 2000.

Naar het oordeel van de rechtbank is het voornoemde beleid niet kennelijk onredelijk. De rechtbank dient vervolgens te toetsen of verweerder dit beleid juist heeft toegepast.

Allereerst stelt de rechtbank met verweerder vast dat de in 1999 ten aanzien van eisers opgestelde BMA adviezen zijn uitgebracht in het kader van de beoordeling van de verwijderbaarheid van eisers. De rechtbank vermag, anders dan eisers, niet in te zien dat deze rapporten hadden moeten leiden tot verlening van reguliere verblijfsvergunningen aan eisers, nu er immers geen sprake was van daartoe strekkende aanvragen. Evenmin deelt de rechtbank de opvatting van eisers, inhoudende dat het verweerder niet meer vrij had gestaan om naar aanleiding van de later ingediende aanvragen opnieuw advies te vragen aan het BMA. Immers, een zorgvuldige voorbereiding van de besluitvorming brengt met zich dat verweerder de nodige kennis vergaart omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.

Voorts stelt de rechtbank vast dat uit de nieuwe rapporten van het BMA van 1 oktober 2001 en 7 april 2003 blijkt dat behandeling van eisers in Turkije mogelijk is en dat het uitblijven van medische behandeling niet leidt tot een medische noodsituatie op korte termijn. Derhalve heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat Nederland niet het meest aangewezen land is voor behandeling en dat derhalve niet is voldaan aan de voorwaarden als neergelegd in artikel 3.46, eerste lid van het Vb 2000.

De omstandigheid dat uit de eerdere BMA adviezen blijkt dat adequate behandeling van de psychische klachten uitsluitend mogelijk is als eisers zich veilig voelen, maakt het vorenstaande niet anders. Immers, de stelling van eisers dat zij zich in Turkije niet veilig voelen, zodat daar geen medische behandeling mogelijk is, is onvoldoende concreet om af te doen aan de hiervoor weergegeven conclusie van de BMA adviezen uit 2001 en 2003.

In zoverre zijn de beroepen van eisers dan ook ongegrond.

Verblijfsvergunning vanwege klemmende redenen van humanitaire aard.

Verweerder heeft deze aanvragen getoetst aan het driejarenbeleid als neergelegd in het Tussentijds Bericht Vreemdelingencirculaire (TBV) 2002/62 en TBV 2003/7. In dit verband worden het vereiste van een machtiging tot voorlopig verblijf en het middelenvereiste niet meer aan eisers tegengeworpen. De rechtbank acht dit beleid niet kennelijk onredelijk.

Aan eisers is het paspoortvereiste als bedoeld in artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b van de Vw 2000 tegengeworpen. Voorafgaand aan de door verweerder genomen besluiten hebben eisers verweerder bij brieven van respectievelijk 6 mei 2003, 13 mei 2003 en 26 juni 2003 expliciet verzocht om aanhouding van de besluiten, omdat eisers zich tot de Turkse autoriteiten hadden gewend ter verkrijging van een paspoort. Vastgesteld moet worden dat verweerder ondanks het daartoe strekkende verzoek niet heeft gewacht met het nemen van de besluiten, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank in de onderhavige situatie in strijd moet worden geacht met het fair play-beginsel. Immers, door de onderhavige handelwijze heeft verweerder eisers een mogelijkheid om voor hun belangen op te komen ontnomen, terwijl niet valt in te zien dat er in dit geval, waarin de besluitvorming reeds geruime tijd in beslag nam, zwaarwegende redenen aanwezig waren in verband waarmee niet nog enige tijd gewacht kon worden met het nemen van de bestreden besluiten.

Het vorenstaande brengt met zich dat de bestreden besluiten in zoverre in aanmerking komen voor vernietiging en dat de beroepen in zoverre gegrond zijn.

In beroep heeft eiseres alsnog een paspoort overgelegd en is voorts vast komen te staan dat eiser niet meer in het bezit kan worden gesteld van een paspoort. Weliswaar kunnen deze omstandigheden, gelet op de ex-tunc toetsing in beroep in onderhavige procedure niet meer bij de beoordeling worden betrokken, echter van verweerder mag worden verwacht dat deze feiten en omstandigheden worden betrokken bij de integrale heroverweging van de nieuw te nemen beslissingen in bezwaar.

Nu de beroepen deels gegrond wordt verklaard, acht de rechtbank termen aanwezig verweerder onder toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 644,- voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

- 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

- 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

- waarde per punt € 322,-;

- wegingsfactor 1.

Aangezien ten behoeve van eisers een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

Tevens zal de rechtbank bepalen dat verweerder het door eisers gestorte griffierecht ten bedrage van € 116,- dient te vergoeden.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank,

- verklaart de beroepen gegrond voor zover de besluiten van 22 juli 2003 strekken tot ongegrondverklaring van eisers bezwaren tegen het niet-verlenen van een verblijfsvergunning regulier om klemmende redenen van humanitaire aard;

- vernietigt de besluiten van 22 juli 2003 in zoverre;

- bepaalt dat verweerder dienaangaande nieuwe besluiten dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;

- veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten, vastgesteld op € 644,-, te vergoeden door de Staat der Nederlanden en te voldoen aan de griffier.

- gelast dat het betaalde griffierecht ten bedrage van € 116,- door de Staat der Nederlanden, namens verweerder, aan eisers wordt vergoed.

Aldus gedaan door mr. E.H.B.M. Potters als rechter en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van drs. A.C.H. Handels als griffier op 24 februari 2005.

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij:

Raad van State

Afdeling bestuursrechtspraak

Hoger beroep vreemdelingenzaken

Postbus 16113

2500 BC ’s-Gravenhage

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Artikel 85 Vw 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt onder meer dat bij het beroepschrift een afschrift moet worden overgelegd van de uitspraak. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing.

Afschriften verzonden: