Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AT0477

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-02-2005
Datum publicatie
22-03-2005
Zaaknummer
AWB 04/14482
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ingangsdatum verblijfsvergunning / vertrouwensbeginsel.

Eiser is afkomstig uit Indonesië en was in het bezit van een verblijfsvergunning regulier onder de beperking arbeid in loondienst die geldig was tot 17 september 2001. Eiser heeft om verlenging van de vergunning gevraagd. De gelijktijdig aangevraagde tewerkstellingsvergunning is in bezwaar eerst verleend met ingang van 13 augustus 2003. Verweerder heeft daarna toegezegd de verleende verblijfsvergunning aansluitend te verlengen. Vervolgens heeft verweerder aan eiser een verblijfsvergunning verleend met als ingangsdatum 13 augustus 2003, aangezien per die datum de tewerkstellingsvergunning is verleend. Verweerder was op grond van artikel 3.31, eerste lid, Vb 2000 niet gehouden de verblijfsvergunning te verlengen in aansluiting op de eerder verleende verblijfsvergunning. De door verweerder gedane toezegging verdraagt zich echter wel met artikel 3.31, vierde lid, Vb 2000 en de aansluitende verlenging van de vergunning is niet in strijd met de wet. Artikel 18, eerste lid, onder g, Vw 2000 bevat immers geen imperatieve weigeringsgrond. Daarnaast bevat de Wet arbeid vreemdelingen geen bepaling die de weigering van de verblijfsvergunning voorschrijft voor de periode dat geen tewerkstellingvergunning was verleend. Verweerder is ingevolge het vertrouwensbeginsel gehouden gedane toezeggingen, zo mogelijk, te honoreren. De gevraagde verblijfsvergunning diende dan ook, gelet op de gedane toezegging en artikel 26, tweede en derde lid, Vw 2000, in te gaan op de dag na het verstrijken van de eerdere vergunning. Beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 18
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 3.31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2005/167
RV20050073 met annotatie van Badoux Th.L. Ted
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank ’s-Gravenhage

nevenzittingsplaats Haarlem

enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken

U I T S P R A A K

artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

artikel 71 Vreemdelingenwet 2000 (Vw)

reg.nr: AWB 04 / 14482 BEPTDN F

inzake: A, geboren op [...] 1973, van Indonesische nationaliteit, eiser,

gemachtigde: mr. J.A. Kroes, advocaat te Amsterdam,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,

gemachtigde: T. Ponte, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te ’s-Gravenhage.

1. GEGEVENS INZAKE HET GEDING

1.1 Bij besluit van 14 mei 2002 is afgewezen de aanvraag van eiser, gedateerd 4 juli 2001, tot het verlengen van zijn verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel: arbeid in loondienst. Het hiertegen ingediende bezwaar van 8 juli 2002 is bij besluit van 10 januari 2003 ongegrond verklaard. Bij besluit van 9 maart 2004 is het besluit van 10 januari 2003 ingetrokken en is aan eiser een verblijfsvergunning verleend met als ingangsdatum 13 augustus 2003. Tegen dit laatste besluit heeft eiser op 29 maart 2004 beroep ingesteld.

1.2 Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschrift geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

1.3 Bij aanvullend beroepschrift van 31 december 2004 heeft eiser de rechtbank verzocht zelf in de zaak te voorzien en verweerder te veroordelen tot het betalen van schadevergoeding, op te maken bij staat.

1.4 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 11 januari 2005. Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij zijn gemachtigde.

2. OVERWEGINGEN

2.1 De rechtbank gaat uit van de volgende, niet in geschil zijnde feiten.

a. Eiser is op 6 september 1999 in het bezit gesteld van een vergunning tot verblijf onder de beperking “stage”. Hij heeft sedertdien (stage)werkzaamheden verricht bij Zorgcentrum de B te C. De vergunning is op 9 oktober 2000 verlengd onder wijziging van de beperking in “arbeid in loondienst”. De vergunning was geldig tot 17 september 2001.

b. Eiser heeft verlenging van deze vergunning gevraagd. Het is die aanvraag, gedateerd 4 juli 2001, die tot het – inmiddels ingetrokken – besluit op bezwaar van 10 januari 2003 heeft geleid. Eiser had tegen dat besluit beroep ingesteld.

c. De werkgever heeft op 15 juni 2001 een (nieuwe) tewerkstellingsvergunning (twv) aangevraagd. Deze aanvraag is in eerste instantie afgewezen. Op 12 augustus 2003 heeft de Centrale organisatie werk en inkomen alsnog een twv verleend met als ingangsdatum 13 augustus 2003.

d. Daarna heeft er overleg plaatsgevonden tussen verweerder en de gemachtigde van eiser. In een brief van 17 december 2003 aan verweerder heeft de gemachtigde van eiser de resultaten van dit overleg neergelegd. Verweerder heeft een afschift van die brief per kerende post - voor zover thans van belang - voor akkoord getekend geretourneerd. Eiser zegt toe het lopende beroep, zonder vergoeding van proceskosten, in te trekken. Verweerder zegt toe een verblijfsvergunning te verlenen. In de brief is geschreven, dat “het verblijf zal ingaan op de dag van de aanvraag”.

2.2 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de verlengingsdatum van de verblijfsvergunning 13 augustus 2003 dient te zijn. Per die datum is de twv verleend. Verlenging van de vergunning met een eerdere ingangsdatum is niet mogelijk, omdat eerder niet aan de voorwaarden voor verlenging, gesteld in artikel 18, eerste lid, onder g, Vw juncto artikel 3.31, eerste lid, Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), werd voldaan. Eiser kan geen geslaagd beroep doen op het vertrouwensbeginsel, nu de gedane toezegging zich, aldus verweerder, niet verdraagt met het “contra legem beginsel”. Vergunningverlening conform de toezegging zou strijd opleveren met artikel 14, eerste lid, onder b Vw juncto artikel 3.31, eerste lid, Vb. Uit die bepalingen volgt, dat een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met het verrichten van arbeid in loondienst slechts wordt verleend indien er een twv is verleend. De wet voorziet niet in vergunningverlening onder de beperking arbeid in loondienst zonder geldige twv, aldus steeds verweerder.

2.3 Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder zich ten onrechte niet aan de toezegging heeft gehouden. Artikel 18, eerste lid, onder g, Vw staat aan de overeengekomen eerdere ingangsdatum niet in de weg. Ten eerste verplicht het artikel verweerder niet de aanvraag af te wijzen en ten tweede is geen onderzoek gedaan naar de vraag of eiser arbeid verrichtte in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen. Eiser wijst ook op artikel 26, derde lid, Vw. Daarin staat dat, indien de vreemdeling de aanvraag tot verlenging, dan wel de gegevens waaruit blijkt dat aan de voorwaarden wordt voldaan niet tijdig heeft ingediend en hem dit niet is toe te rekenen, de verblijfsvergunning kan worden verlengd met ingang van de dag na die waarop de geldigheidsduur afloopt van de verblijfsvergunning waarvoor verlenging is gevraagd.

Eiser heeft recht op schadevergoeding, omdat eiser bij juiste verlening van de verblijfsvergunning reeds in 2002 in het bezit was gekomen van een beperking op zijn verblijfsdocument “arbeid vrij toegestaan”, zodat hij extra werkzaamheden had kunnen verrichten en zijn arbeidsmarktpositie had kunnen verbeteren.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.4 Uit artikel 3.31, eerste lid, Vb volgt dat de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met het verrichten van arbeid in loondienst moet worden verleend aan de vreemdeling die in Nederland arbeid in loondienst verricht of gaat verrichten, voor welke arbeid na toetsing aan prioriteitsgenietend aanbod op de Nederlandse arbeidsmarkt een twv is afgegeven. Aan de eisen uit dat artikel was niet voldaan op de datum van de aanvraag voor verlenging, c.q. de in artikel 26, tweede lid, Vw bedoelde datum waarop normaliter de verlenging van een eerder verleende vergunning ingaat. De twv ging immers niet eerder in dan 13 augustus 2003. Verweerder heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat hij niet op grond van artikel 3.31, eerste lid, Vb gehouden was de verblijfsvergunning te verlengen met ingang van de datum van de aanvraag om verlenging.

2.5 Artikel 18, eerste lid, onder g, Vw, waarin staat dat een aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 Vw kan worden afgewezen indien de vreemdeling voor een werkgever arbeid verricht, zonder dat aan de Wet arbeid vreemdelingen is voldaan, bevat, anders dan verweerder heeft aangevoerd, echter geen imperatieve weigeringgrond. Dit artikel staat daarom niet in de weg aan de verlenging van de verblijfsvergunning in aansluiting op de eerder verleende vergunning. Ook bevat de Wet arbeid vreemdelingen, anders dan verweerder ter zitting nog heeft opgeworpen, geen bepaling die de weigering van de verblijfsvergunning in een geval als het onderhavige voorschrijft voor de periode dat geen twv was verleend.

2.6 Ingevolge artikel 3.31, vierde lid, Vb kan verweerder in andere gevallen dan bedoeld in het eerste lid van dat artikel de verblijfsvergunning onder de beperking arbeid in loondienst verlenen. Hiermee is aan verweerder de bevoegdheid gegeven de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met het verrichten van arbeid in loondienst te verlenen, ook als (nog) niet wordt beschikt over een tewerkstellingsvergunning.

2.7 Tussen partijen is niet in geschil dat met de passage in de brief van 17 december 2003, dat het verblijf zal ingaan op de dag van de aanvraag, van de zijde van verweerder ondubbelzinnig is toegezegd, dat de eerder verleende verblijfsvergunning aansluitend zou worden verlengd.

2.8 De door verweerder gegeven toezegging verdraagt zich, zo volgt uit de overwegingen 2.5 en 2.6, met artikel 3.31, vierde lid, Vb en de aansluitende verlenging van de vergunning is, anders van verweerder heeft aangevoerd, niet in strijd met de wet.

2.9 Verweerder is ingevolge het vertrouwensbeginsel gehouden gedane toezeggingen, zo mogelijk, te honoreren. De gevraagde verblijfsvergunning diende dan ook, gelet op de toezegging en artikel 26, twee en derde lid, Vw, in te gaan op de dag na het verstrijken van de eerdere vergunning, zijnde 17 september 2001.

2.10 Het beroep zal gegrond worden verklaard. De rechtbank zal het bestreden besluit, voor zover daarbij de ingangsdatum is bepaald op 13 augustus 2003, vernietigen wegens strijd met artikel 26 Vw en schending van het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, dat bekend staat als het vertrouwensbeginsel.

2.11 De rechtbank ziet in het onderhavige geval, nu er gelet op het vorenoverwogene rechtens nog maar één beslissing mogelijk is, aanleiding met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, Awb zelf in de zaak te voorzien. De ingangsdatum van de verblijfsvergunning zal worden gesteld op 17 september 2001, nu dit de dag is na het verstrijken van de geldigheidsduur van de eerder verleende, thans verlengde vergunning.

2.12 Voor de beantwoording van de vraag of verweerder gehouden is tot schadevergoeding op grond van artikel 8:73 Awb dient aansluiting te worden gezocht bij het civiele recht. Voor toekenning van schadevergoeding is grond, indien voldaan is aan de volgende voorwaarden:

a. er is sprake van een daad van verweerder, die onrechtmatig is, dat wil zeggen in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsnorm, welke daad aan verweerder is toe te rekenen;

b. de geschonden norm moet ertoe strekken het belang van de benadeelde te beschermen (relativiteitsvereiste),

c. er moet schade zijn en

d. er moet voldoende causaal verband bestaan tussen de schadeveroorzakende gebeurtenis en de geleden schade.

2.13 Omdat het beroep gegrond zal worden verklaard en het bestreden besluit gedeeltelijk zal worden vernietigd wegens schending van artikel 26 Vw en het vertrouwensbeginsel, dient het besluit te worden aangemerkt als een onrechtmatige daad. Door de vernietiging komt immers vast te staan, dat verweerder heeft gehandeld in strijd met de wet en met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat deze onrechtmatige daad niet aan verweerder kan worden toegerekend.

2.14 Van de zijde van verweerder is niet gesteld en zulks is ook overigens niet gebleken, dat de geschonden normen er niet toe strekken eisers belang te beschermen.

2.15 Vervolgens is de vraag aan de orde of eiser door de onrechtmatige daad schade heeft geleden. Eiser voert aan, dat hij door het besluit inkomensschade heeft geleden en zal leiden. Hij heeft door het uitblijven van de verblijfsvergunning geen extra werkzaamheden kunnen verrichten en heeft niet eerder ander werk kunnen gaan zoeken. Hij heeft zijn arbeidsmarktpositie niet eerder kunnen verbeteren.

2.16 De rechtbank volgt eiser in deze stellingen niet. Eiser heeft ter zitting verklaard, dat hij in de periode van 17 september 2001 tot 13 augustus 2003, de tijd dat hij niet over een twv of verblijfsvergunning beschikte, inkomen heeft genoten. Eiser heeft voorts niet gesteld noch is anderszins gebleken dat eiser voor die werkzaamheden een lager dan gebruikelijk inkomen heeft ontvangen. Hij heeft daarnaast niet onderbouwd dat hij tot heden daadwerkelijk mogelijkheden voor extra inkomen is misgelopen, c.q. een feitelijk aanbod voor het verwerven van extra inkomen tot heden heeft afgeslagen, terwijl hij tot aanvaarding van zodanig aanbod -achteraf gezien- gerechtigd was. Dat hij carrièreschade heeft geleden, dan wel zal gaan leiden heeft hij evenmin met feiten of omstandigheden onderbouwd. Dat hij daadwerkelijk extra inkomen heeft mislopen, heeft hij daarom onvoldoende aannemelijk gemaakt. Eiser heeft dan ook onvoldoende concreet gemaakt dat hij door het bestreden, onrechtmatige besluit schade heeft geleden die voor vergoeding in aanmerking komt. Er is daarom geen grond een nader onderzoek in te stellen ter vaststelling van de omvang van de gesteld geleden schade. Het verzoek om schadevergoeding zal afgewezen worden.

2.17 In dit geval ziet de rechtbank aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten, zulks met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De kosten zijn op voet van het bepaalde in het bovengenoemde Besluit vastgesteld op € 644,-- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).

2.18 Uit de gegrondverklaring volgt dat verweerder het betaalde griffierecht ad € 136,-- dient te vergoeden.

3. BESLISSING

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit voor zover de ingangsdatum van de verlenging van de verblijfsvergunning is bepaald op 13 augustus 2003;

3.3 bepaalt de ingangsdatum van de verlenging van de verblijfsvergunning op 17 september 2001;

3.4 bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;

3.5 wijst het verzoek om schadevergoeding af;

3.6 veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan eiser moet voldoen;

3.7 wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht ad € 136,--.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.M. Bruin, lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken, en uitgesproken in het openbaar op 10 februari 2005, in tegenwoordigheid van mr. K. Gabela als griffier.

Afschrift verzonden op: 11 februari 2005

Coll:

RECHTSMIDDEL

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak.