Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AS9685

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-02-2005
Datum publicatie
29-03-2005
Zaaknummer
AWB 04/7988, 04/33439
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Petitumwijziging / procesbelang / fictieve weigering.

De bestreden besluiten zijn ingetrokken. De beroepen worden gehandhaafd met een verzoek om petitumwijziging als zijnde gericht tegen het niet tijdig beslissen. Een wettelijke grondslag voor de gevraagde petitumwijziging wordt gevonden in artikel 6:18, eerste lid, juncto 6:19, eerste lid, Awb, gelezen in samenhang met artikel 6:2, aanhef en onder b, Awb. Dit sluit echter niet uit dat procesbelang resteert bij een beoordeling van voorliggende beroepen. Met de intrekking van de bestreden besluiten is de situatie ontstaan waarin de besluiten moeten worden geacht nooit te zijn genomen en eiser nog immer wacht op een beslissing op zijn bezwaarschriften. Daarmee is sprake van een fictieve weigering op de bezwaarschriften te beslissen, hetgeen voor toepassing van de wettelijke voorschriften over beroep gelijk wordt gesteld aan een besluit. Gelet hierop kunnen de beroepen worden geacht te zijn gericht tegen de besluiten van verweerder, inhoudende de fictieve weigeringen een besluit te nemen. De omstandigheid dat het bereik van artikel 6:19, eerste lid, Awb zich beperkt tot besluiten zoals bedoeld in artikel 6:18 Awb vormt geen grond voor het oordeel dat de wet zich tegen deze conversie verzet, nu onder wijziging van het besluit ex artikel 6:18 Awb de onderhavige situatie moet worden geacht mede te zijn begrepen. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 04/7988 OVERIO

AWB 04/33439 BEPTDN

inzake: A, geboren op [...] 1961, van (gestelde) Afghaanse nationaliteit, wonende te B, eiser,

gemachtigde: mr. B.J.P.M. Ficq, advocaat te Amsterdam,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, voorheen de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. B.M. Kristel, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

I. PROCESVERLOOP

1. Op 3 juni 1998 heeft eiser een aanvraag om toelating als vluchteling ingediend alsmede een aanvraag om verlening van een vergunning tot verblijf vanwege klemmende redenen van humanitaire aard. Bij besluit van 3 februari 1999, uitgereikt op 10 maart 1999, heeft verweerder beide aanvragen niet ingewilligd. Bij bezwaarschrift van 10 maart 1999 heeft eiser tegen dit besluit bezwaar gemaakt. De gronden van het bezwaar zijn ingediend bij brief van 30 maart 1999. Op 23 maart 2000 is eiser gehoord door een ambtelijke commissie. Bij brief van 4 mei 2000 heeft verweerder meegedeeld het besluit van 3 februari 1999 in te trekken en opnieuw op de aanvraag te beslissen. Het bezwaar is vervolgens bij brief van 9 mei 2000 ingetrokken.

2. Bij besluit van 9 februari 2001, uitgereikt op 21 maart 2001, heeft verweerder de aanvragen om toelating als vluchteling en om verlening van een vergunning tot verblijf opnieuw niet ingewilligd. Bij bezwaarschrift van 21 maart 2001 heeft eiser tegen dit besluit bezwaar gemaakt. De gronden van het bezwaar zijn ingediend bij 12 juni 2001 en het bezwaar is nader onderbouwd bij brief van 3 oktober 2001. Op 7 november 2001 is eiser wederom gehoord door een ambtelijke commissie. Het bezwaar is bij besluit van 27 maart 2002 ongegrond verklaard.

3. Bij beroepschrift van 17 april 2002 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. De gronden van het beroep zijn ingediend bij brief van 3 juni 2002. Bij brief van 6 februari 2003 heeft eiser het beroep nader onderbouwd. Bij brief van 22 september 2003 is (ook) de beslissing op bezwaar van 27 maart 2002 ingetrokken. Het beroep van 17 april 2002 is bij brief van 22 september 2003 ingetrokken.

4. Het bezwaar is bij besluit van 26 januari 2004 wederom ongegrond verklaard. Bij beroepschrift van 19 februari 2004 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. De gronden van het beroep zijn ingediend bij brief van 24 maart 2004. Dit beroep is geregistreerd onder nummer AWB 04/7988 OVERIO.

5. In het eerdergenoemde besluit van 26 januari 2004 heeft verweerder tevens overwogen dat eiser niet in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning regulier onder de beperking “tijdsverloop in de asielprocedure”. Tegen dit besluit heeft eiser bij bezwaarschrift van 19 februari 2004 bezwaar gemaakt. De gronden van het bezwaar zijn ingediend bij brief van 25 maart 2004. Het bezwaar is bij besluit van 23 juni 2004, verzonden op 25 juni 2004, ongegrond verklaard.

6. Bij beroepschrift van 23 juli 2004 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. De gronden van het beroep zijn ingediend bij brief van 25 augustus 2004. Dit beroep is geregistreerd onder nummer AWB 04/33439 BEPTDN.

7. Op 29 april 2004 en 22 september 2004 zijn de op de zaken betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen.

8. Bij brief van 30 december 2004 heeft verweerder toegezegd dat (ook) de besluiten van 26 januari 2004 en 23 juni 2004 zijn ingetrokken. Bij brief van 6 januari 2005 heeft eiser medegedeeld het op 19 februari 2004 ingestelde beroep te handhaven, onder wijziging van het petitum als zijnde (thans) gericht tegen het niet tijdig beslissen op eisers asielaanvraag.

9. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2005. De beroepen zijn aldaar gevoegd behandeld. Eiser is aldaar vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde.

II. FEITEN

In dit geding gaat de rechtbank uit van de volgende feiten.

1. Op verzoek van verweerder heeft de Minister van Buitenlandse Zaken onderzoek gedaan naar de authenticiteit van het door eiser overgelegde paspoort. De bevindingen van de Minister van Buitenlandse Zaken zijn neergelegd in een individueel ambtsbericht uitgebracht op 6 oktober 2000. In dit ambtsbericht wordt geconcludeerd dat de door eiser overgelegde kopie van het Pakistaanse paspoort een afschrift is van een authentiek document.

2. Op 11 december 2003 heeft de Minister van Buitenlandse Zaken opnieuw een individueel ambtsbericht uitgebracht, waarin algemene informatie die in het kader van een asielverzoek van een derde naar voren is gekomen wordt bevestigd.

3. Bij brief van 24 mei 2004 heeft de rechtbank de Minister van Buitenlandse Zaken op grond van artikel 8:45 van de Awb verzocht de stukken die ten grondslag liggen aan het individueel ambtsbericht van 6 oktober 2000 toe te zenden. De Minister van Buitenlandse Zaken heeft bij brief van 25 juni 2004 aan dit verzoek voldaan en daarbij met een beroep op artikel 8:29, eerste lid, van de Awb meegedeeld dat de kennisneming van bepaalde gedeelten in deze stukken tot de rechtbank beperkt dient te blijven. Bij beslissing van 28 september 2004 heeft de rechtbank bepaald dat de beperking van de kennisneming van bepaalde gedeelten van genoemde stukken gerechtvaardigd is. Partijen hebben de rechtbank toestemming gegeven om mede op grondslag van de aan het individueel ambtsbericht ten grondslag liggende stukken uitspraak te doen.

III. OVERWEGINGEN

1. Vastgesteld wordt dat verweerder ter zitting heeft meegedeeld dat de brief van 30 december 2004 aldus moet worden opgevat dat de bestreden besluiten van 26 januari 2004 en 23 juni 2004 zijn ingetrokken en dat opnieuw op de bezwaarschriften van 21 maart 2001 en 19 februari 2004 zal worden beslist. Eiser heeft ter zitting meegedeeld dat hij wil worden geacht ook te hebben verzocht om wijziging van het petitum in het op 23 juli 2004 ingestelde beroep, alsmede dat beide beroepen worden gehandhaafd. Subsidiair heeft eiser gesteld dat hij ook zonder wijziging van het petitum belang bij de beoordeling van de beroepen heeft gehouden. Gelet hierop dient allereerst de vraag te worden beantwoord of eiser procesbelang heeft bij een beoordeling van deze beroepen.

2. Eiser heeft primair verzocht het petitum van de beroepen te mogen wijzigen in die zin dat zij thans zijn gericht tegen het niet tijdig beslissen van verweerder op de genoemde bezwaarschriften. Het subsidiaire verzoek van eiser begrijpt de rechtbank aldus dat, ook zonder petitumwijziging, procesbelang blijft bestaan bij een beoordeling van de beroepen. Dit is gelegen in het bewaken van de voortgang van de - weer - opengevallen bezwaarprocedure, onder meer in de vorm van een door de rechtbank te stellen termijn voor een nieuwe beslissing op bezwaar.

3. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat geen procesbelang bij een beoordeling van de onderhavige beroepen meer aanwezig is. Met betrekking tot eisers primaire verzoek heeft verweerder verwezen naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 9 december 2004 (AWB 03/1377 OVERIO). Verweerder heeft geen bezwaar tegen de petitumwijziging als zodanig, maar acht geen (wettelijke) grondslag aanwezig om conform het gewijzigde petitum te beslissen, en heeft bovendien bezwaar tegen de daaraan door eiser verbonden gevolgtrekkingen. Voorts kan een termijnstelling, zoals door eiser wordt beoogd, niet als een belang zoals bedoeld in artikel 6:19, derde lid, van de Awb worden aangemerkt, aldus verweerder. In de wetsgeschiedenis noch de jurisprudentie zijn daarvoor aanknopingspunten te vinden. Indien er niet tijdig een nieuw besluit op de bezwaarschriften wordt genomen, kunnen daartegen op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb bovendien rechtsmiddelen worden aangewend.

4. De rechtbank overweegt als volgt. Zij is allereerst van oordeel dat de door eiser gevraagde petitumwijziging niet strijdig is met de beginselen van een goede procesorde. Het feit dat rechtsmiddelen (zullen) openstaan tegen het niet tijdig beslissen door verweerder op een bezwaarschrift sluit voorts niet uit dat procesbelang resteert bij een beoordeling van voorliggende beroepen. De vraag of op dit moment belang bestaat bij een rechterlijke beoordeling van de bestreden besluiten, voorzien van een termijnstelling, staat immers los van de mogelijkheid tot het aanwenden van genoemde rechtsmiddelen. Deze mogelijkheid kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet dienen als argument voor de conclusie dat niet langer procesbelang aanwezig is. Dit geldt te minder in gevallen waarin de wettelijke beslistermijnen meermalen en ruimschoots zijn overschreden, zoals in het onderhavige geval. In het onderhavige geval moeten door de intrekking daarvan de bestreden besluiten worden geacht nooit te zijn genomen. In de asielprocedure houdt dit in dat de beslistermijn moet worden geacht met ruim tweeëneenhalf jaar te zijn overschreden, waarbij het besluitmoratorium in aanmerking is genomen. In de reguliere procedure is met de intrekking van het bestreden besluit niet alleen de bezwaarfase opengevallen, maar is ook het primaire besluit, dat deel uitmaakt van het ingetrokken (asiel)besluit van 26 januari 2004, ingetrokken. Op het op 19 februari 2004 ingediende bezwaarschrift dient niettemin te worden beslist. Dit kan, nu het zich niet langer richt tegen een bestaand inhoudelijk besluit, geacht te zijn gericht tegen het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een ambtshalve beslissing. Deze beslistermijn moet worden geacht met ten minste tien maanden te zijn overschreden.

4.1. De rechtbank betrekt bij het voorgaande tevens dat bij het oordeel over de vraag of een belang aanwezig is als bedoeld in artikel 6:19, derde lid, van de Awb dat ook proceseconomische redenen in dat kader een rol spelen, zoals de kosten van een opnieuw aan te spannen geding en het daarmee gemoeide tijdsverloop.

4.2. De rechtbank overweegt voorts dat verweerder op zich zelf terecht het standpunt heeft ingenomen dat, anders dan in het omgekeerde geval, in de wet niet uitdrukkelijk is voorzien in de mogelijkheid van petitumwijziging zoals door eiser verzocht. De rechtbank stelt echter vast dat deze mogelijkheid in de wet evenmin is uitgesloten. Een wettelijke grondslag voor (het toestaan van) de gevraagde petitumwijziging en conform het gewijzigde petitum beslissen kan, anders dan verweerder heeft betoogd, naar het oordeel van de rechtbank worden gevonden in het bepaalde in artikel 6:18, eerste lid, juncto 6:19, eerste lid, van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb.

5. Ingevolge artikel 6:18, eerste lid, van de Awb brengt het aanhangig zijn van een bezwaar of beroep tegen een besluit geen verandering in een los van het bezwaar of beroep reeds bestaande bevoegdheid tot intrekking of wijziging van dat besluit.

5.1. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb wordt, indien een bestuursorgaan een besluit heeft genomen als bedoeld in artikel 6:18, het bezwaar of beroep geacht mede te zijn gericht tegen het nieuwe besluit, tenzij dat besluit aan het bezwaar of beroep geheel tegemoet komt.

5.2. Artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb bepaalt dat voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit wordt gelijkgesteld.

6. De rechtbank stelt, onder verwijzing naar het hiervoor weergegeven wettelijk kader, vast dat met de intrekking van de bestreden besluiten thans de situatie is ontstaan waarin de besluiten moeten worden geacht nooit te zijn genomen en eiser nog immer wacht op een beslissing op zijn bezwaarschriften. Daarmee is in het onderhavige geval derhalve sprake van de situatie waarin niet tijdig is beslist op de bezwaarschriften, en waarin met andere woorden sprake is van een fictieve weigering op de bezwaarschriften te beslissen. Die weigering wordt op grond van het voorgaande voor de toepassing van de wettelijke voorschriften over beroep gelijk gesteld aan een besluit. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat, met toepassing van het bepaalde in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, de onderhavige beroepen kunnen worden geacht te zijn gericht tegen de besluiten van verweerder, inhoudende de fictieve weigeringen een besluit te nemen.

6.1. De rechtbank overweegt in dit verband nog dat zij in de lezing van artikel 6:18 en 6:19 van de Awb zoals door verweerder bepleit geen grond ziet voor het oordeel dat de wet zich tegen deze conversie verzet. In het bijzonder de omstandigheid dat het bereik van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb zich beperkt tot besluiten zoals bedoeld in artikel 6:18 van de Awb vormt niet een zodanige grond. Onder “wijziging van het besluit” als bedoeld in laatstgenoemd artikel moet immers worden geacht mede te zijn begrepen de onderhavige situatie, waarin na intrekking van het bestreden besluit de bezwaarfase is opengevallen en wegens overschrijding van de beslistermijn gelijktijdig de situatie van een fictieve weigering is ontstaan.

7. Nu op grond van het voorgaande het petitum van de onderhavige beroepen geacht moeten worden te zijn gewijzigd in die zin dat zij thans zijn gericht tegen het niet tijdig beslissen van verweerder op de bezwaarschriften, en vast staat dat de wettelijke beslistermijnen meermalen en ruimschoots zijn overschreden, zullen de beroepen gegrond worden verklaard en zal op grond van artikel 6:19, derde lid, van de Awb het met een besluit gelijkgestelde niet tijdig nemen van besluiten worden vernietigd. Met toepassing van artikel 8:72, vierde en vijfde lid, van de Awb wordt verweerder opgedragen alsnog besluiten op bezwaar te nemen binnen een termijn van zes weken na bekendmaking van deze uitspraak.

8. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van de beroepen bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 966,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (2 punten voor de beroepschriften, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1).

9. Op grond van het bepaalde in artikel 8:74 van de Awb wijst de rechtbank de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht.

III. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart de beroepen gegrond;

2. vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van besluiten;

3. bepaalt dat verweerder binnen een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak besluiten op de bezwaarschriften van 21 maart 2001 en 19 februari 2004 neemt;

4. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht ad € 136,-- (zegge: honderdzesendertig euro);

5. veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag groot € 966,-- (zegge: negenhonderdzesenzestig euro) te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier.

Gewezen door mr. W.J. van Bennekom, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. S. Slijkhuis, griffier, en openbaar gemaakt op: 14 februari 2005

De griffier, De voorzitter,

Afschrift verzonden op: 14 februari 2005

Conc: SaS

Coll:

Bp: -

D: B

Tegen deze uitspraak, voor zover het de gegrondverklaring van het beroep geregistreerd onder AWB 04/33439 BEPTDN betreft, staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.

Tegen deze uitspraak, voor zover het de gegrondverklaring van het beroep geregistreerd onder AWB 04/7988 OVERIO betreft, staat geen hoger beroep open.