Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AS7584

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-02-2005
Datum publicatie
24-02-2005
Zaaknummer
206283
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

[...] 2.1. Eiseressen vorderen dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. de Regeling van de Staatsecretaris van Justitie d.d. 27 maart 2002 (Stcrt. 10 april 2002, nr. 69) onverbindend verklaart;

II. de Regeling van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie d.d. 12 november 2002 (Stcrt. 21 november 2002, nr. 225) onverbindend verklaart;

met veroordeling van de Staat in de kosten van deze procedure. [...]

4. De beslissing

De rechtbank :

- wijst de vorderingen van eiseressen sub 1 tot en met 4, 6 tot en met 15 en 17 tot en met 25 af;

- verklaart de Regeling van de Staatssecretaris van Justitie d.d. 27 maart 2002 (Stcrt. 10 april 2002, nr. 69) en de Regeling van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie d.d. 12 november 2002 (Stcrt. 21 november 2002, nr. 225) onverbindend jegens Turkse onderdanen die recht op vestiging, dienstverrichting of participatie aan de arbeidsmarkt en (jegens hun gezinsleden die) een daarmee samenhangend verblijfsrecht ontlenen aan de Associatieovereenkomst EEG/Turkije; [...]

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2005/144
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

DL / II

zaaknummer: 206283

rolnummer: 03-2483

datum vonnis: 16 februari 2005

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

sector civiel recht - meervoudige kamer

Vonnis in de zaak met bovenvermeld rolnummer van:

[eiseressen sub 1 t/m 24],

25. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid IMAD B.V., gevestigd te Zoetermeer,

eiseressen,

procureur: mr. L.M. Bruins,

tegen

de Staat der Nederlanden (Ministerie voor Vreemdelingenzaken en Integratie),

zetelend te Den Haag,

gedaagde,

procureur: mr. G.M.H. Hoogvliet.

Gedaagde zal hierna ook aangeduid worden als "de Staat".

De rechtbank heeft kennis genomen van de volgende stukken:

- het exploot van dagvaarding van 18 augustus 2003;

- de conclusie van antwoord, met producties;

- de conclusie van repliek, met producties;

- de conclusie van dupliek;

- de brief zijdens eiseressen van 8 november 2004, met producties.

Partijen hebben hun zaak op 22 november 2004 doen bepleiten. Eiseressen door mr. D. Schaap, advocaat te Rotterdam, en de Staat door mrs. G.M.H. Hoogvliet en M.M. van Asperen, beiden advocaat te 's-Gravenhage, aan de hand van aan de rechtbank overgelegde pleitnotities.

1. De feiten

1.1. Ingevolge artikel 24, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) is de vreemdeling, in door de Minister van Justitie (hierna: de minister) te bepalen gevallen en volgens door de minister te geven regels, leges verschuldigd terzake van de afdoening van een aanvraag voor een verblijfsvergunning. Daarbij kan de minister tevens bepalen dat de vreemdeling voor de afgifte van een document waaruit het rechtmatig verblijf blijkt leges verschuldigd is. Als betaling achterwege blijft, wordt de aanvraag niet in behandeling genomen dan wel het document niet afgegeven.

1.2. In artikel 3.34 van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (hierna: VV 2000) heeft de minister uitvoering gegeven aan het in artikel 24, tweede lid, van de Vw 2000 bepaalde. In de periode van 1 april 2001 tot en met 30 april 2002 luidde artikel 3.34 VV 2000 als volgt:

1. Terzake van de afdoening van een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 van de Wet, is de vreemdeling van twaalf jaar of ouder, niet zijnde gemeenschapsonderdaan, een bedrag van € 56,72 (ƒ 125,-) verschuldigd. De vreemdeling jonger dan twaalf jaar, niet zijnde gemeenschapsonderdaan, is een bedrag van € 22,69 (ƒ 50,-) verschuldigd.

2. Terzake van de afdoening van een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 20 van de Wet, is de vreemdeling een bedrag van € 226,89 (ƒ 500,-) verschuldigd.

3. Terzake van de afdoening van een aanvraag om toetsing aan het gemeenschapsrecht, is de gemeenschapsonderdaan een bedrag van € 15,88 (ƒ 35,-) verschuldigd.

4. In afwijking van het eerste en het tweede lid is de vreemdeling die in aanmerking komt voor de terugkeeroptie op grond van artikel 8 van de Remigratiewet, een bedrag van € 15,88 (ƒ 35,-) verschuldigd.

5. De leges worden per aanvraag door de korpschef geheven.

1.3. Bij Regeling van de Staatssecretaris van Justitie van 27 maart 2002 (Stcrt. 2002, nr. 69) is artikel 3.34 VV 2000 met ingang van 1 mei 2002 aldus gewijzigd:

1. Terzake van de afdoening van een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 van de Wet, is de vreemdeling van twaalf jaar of ouder, niet zijnde gemeenschapsonderdaan, een bedrag van € 258 verschuldigd. De vreemdeling jonger dan twaalf jaar, niet zijnde gemeenschapsonderdaan, is een bedrag van € 169 verschuldigd.

2. Terzake van de afdoening van een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 20 van de Wet, is de vreemdeling een bedrag van € 539 verschuldigd.

3. Terzake van de afdoening van een aanvraag om toetsing aan het gemeenschapsrecht en afgifte van het daaraan verbonden verblijfsdocument, is de gemeenschapsonderdaan een bedrag van € 26 verschuldigd.

4. In afwijking van het eerste en het tweede lid is de vreemdeling die in aanmerking komt voor de terugkeeroptie op grond van artikel 8 van de Remigratiewet, een bedrag van € 26 verschuldigd.

5. In afwijking van het eerste lid is de vreemdeling die in aanmerking komt voor verlening van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 van de Wet, onder de beperking, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, onder s, van het Besluit, geen leges verschuldigd.

6. De leges worden per aanvraag door de korpschef geheven.

Bij diezelfde regeling is een nieuw artikel 3.34a VV 2000 ingevoegd:

1. Terzake van de afdoening van een aanvraag tot het wijzigen van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 van de Wet, is de vreemdeling van twaalf jaar of ouder, niet zijnde gemeenschapsonderdaan, een bedrag van € 258 verschuldigd. De vreemdeling jonger dan twaalf jaar, niet zijnde gemeenschapsonderdaan, is een bedrag van € 169 verschuldigd.

2. Terzake van de afdoening van een aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 van de Wet, is de vreemdeling, niet zijnde gemeenschapsonderdaan, een bedrag van € 169 verschuldigd.

3. In afwijking van het tweede lid is de vreemdeling die in aanmerking komt voor verlenging van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 van de Wet, onder de beperking, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, onder s, van het Besluit, geen leges verschuldigd.

4. De leges worden per aanvraag door de korpschef geheven.

1.4. Bij Regeling van 12 november 2002 (Stcrt. 2002, nr. 225) heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie de artikelen 3:34 en 3:34a VV 2000 met ingang van 1 januari 2003 zodanig gewijzigd dat deze artikelen aldus zijn komen te luiden:

artikel 3:34:

1. Terzake van de afdoening van een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 van de Wet, is de vreemdeling van twaalf jaar of ouder, niet zijnde gemeenschapsonderdaan, een bedrag van € 430 verschuldigd. De vreemdeling jonger dan twaalf jaar, niet zijnde gemeenschapsonderdaan, is een bedrag van € 285 verschuldigd.

2. Terzake van de afdoening van een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 20 van de Wet, is de vreemdeling een bedrag van € 890 verschuldigd.

3. Terzake van de afdoening van een aanvraag om toetsing aan het gemeenschapsrecht en afgifte van het daaraan verbonden verblijfsdocument, is de gemeenschapsonderdaan een bedrag van € 28 verschuldigd.

4. In afwijking van het eerste en het tweede lid is de vreemdeling die in aanmerking komt voor de terugkeeroptie op grond van artikel 8 van de Remigratiewet, een bedrag van € 28 verschuldigd.

5. In afwijking van het eerste lid is de vreemdeling die in aanmerking komt voor verlening van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 van de Wet, onder de beperking, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, onder m of s, van het Besluit, geen leges verschuldigd. De vreemdeling met de nationaliteit van Australië, Canada dan wel Nieuw Zeeland is ter afdoening van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning in het kader van een betaald werkvakantie, onder een beperking, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, onder q, van het Besluit een bedrag van € 28 verschuldigd.

6. De leges worden per aanvraag door de korpschef geheven.

artikel 3:34a:

1.Terzake van de afdoening van een aanvraag tot het wijzigen van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 van de Wet, is de vreemdeling van twaalf jaar of ouder, niet zijnde gemeenschapsonderdaan, een bedrag van € 430 verschuldigd. De vreemdeling jonger dan twaalf jaar, niet zijnde gemeenschapsonderdaan, is een bedrag van € 285 verschuldigd.

2. Terzake van de afdoening van een aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 van de Wet, is de vreemdeling, niet zijnde gemeenschapsonderdaan, een bedrag van € 285 verschuldigd.

3. In afwijking van het tweede lid zijn geen leges verschuldigd terzake van de afdoening van een aanvraag tot het verlengen van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 van de Wet, indien:

a. de aanvraag met een aanvraag tot het wijzigen als bedoeld in het eerste lid is ontvangen, tenzij deze aanvragen een jaar of langer zijn ontvangen voordat de geldigheidsduur van de vergunning afloopt;

b. de vreemdeling in aanmerking komt voor verlenging van de verblijfsvergunning onder een beperking, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, onder m of s, van het Besluit.

4. De leges worden per aanvraag door de korpschef geheven.

2. De vorderingen en het verweer

2.1. Eiseressen vorderen dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. de Regeling van de Staatsecretaris van Justitie d.d. 27 maart 2002 (Stcrt. 10 april 2002, nr. 69) onverbindend verklaart;

II. de Regeling van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie d.d. 12 november 2002 (Stcrt. 21 november 2002, nr. 225) onverbindend verklaart;

met veroordeling van de Staat in de kosten van deze procedure.

2.2. Eiseressen leggen aan die vorderingen, samengevat, het volgende ten grondslag.

Eiseressen zijn van oordeel dat de bij genoemde regelingen nieuw ingevoerde legesheffingen c.q. legesverhogingen onrechtmatig zijn jegens hen, althans jegens degenen voor wie zij opkomen, omdat deze in strijd zijn met artikel 104 van de Grondwet (Gw), artikel 21, eerste lid, van de Vw 2000, de artikelen 8 en 14 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), artikel 26 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR), de artikelen 18, aanhef en onder 2, en 19, aanhef en onder 6, van het Europees Sociaal Handvest (ESH), artikel 21 van het Europees Vestigingsverdrag, artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol bij de Associatieovereenkomst EEG/Turkije en artikel 13 van het Besluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije. Eiseressen vorderen dan ook de onverbindendverklaring van de regelgeving waarbij de leges per 1 mei 2002 en 1 januari 2003 zijn ingevoerd/verhoogd.

2.3. De Staat voert gemotiveerd verweer.

3. De beoordeling van het geschil

ontvankelijkheid

3.1. De rechtbank dient allereerst te beoordelen of eiseressen in hun vorderingen kunnen worden ontvangen.

3.2. De Staat heeft primair bestreden dat eiseressen ontvankelijk zijn, omdat de rechtsvragen die eiseressen in de onderhavige procedure aan de orde stellen in een andere, met voldoende waarborgen omklede rechtsgang aan de orde kunnen en derhalve moeten worden gesteld. Eiseressen hebben geen eigen belang bij de onderhavige vorderingen. De individuele vreemdelingen die een aanvraag om een verblijfsvergunning doen, hebben belang bij de legesheffing. Voor hen staat de bestuursrechtelijke procedure open om tegen de legesverhogingen te ageren. De belangen van eiseressen betreffen de optelling van de belangen van individuele vreemdelingen die in het kader van een (bestuursrechtelijke) aanvraag om verlening of verlenging van een verblijfsvergunning in het geheel niet met of tot een lager bedrag aan legesheffing geconfronteerd wensen te worden. Niet reeds deze enkele bundeling heeft tot gevolg dat in plaats van de bestuursrechter de burgerlijke rechter een taak heeft. Dat eiseressen een eigen belang bij de vorderingen zouden moeten hebben om ontvankelijk te zijn in deze procedure blijkt uit het recente arrest van de Hoge Raad (HR) van 3 september 2004 (RvdW 2004/102 en JV 2004/400). In dit geval is van een eigen belang bij eiseressen niet gebleken, aldus de Staat.

3.3. Naar het oordeel van de rechtbank miskent de Staat dat wanneer de organisatie - zoals in genoemd arrest van de HR van 3 september 2004 - stelt zelf door het algemeen verbindend voorschrift te worden getroffen er geen sprake (meer) is van een groepsactie maar van een zelfstandige vordering van die organisatie. In genoemd arrest lag uitsluitend nog de vraag voor of er een andere, met voldoende waarborgen omklede rechtsgang voor die organisatie openstond, welke vraag de HR ontkennend beantwoordde.

3.4. Ook in dit geval staat geen andere rechtsgang open. Eiseressen vechten in dit geding de algemeen verbindende voorschriften waarbij de legesverhogingen zijn vastgesteld aan. Artikel 8:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staat aan een beroep daartegen bij de bestuursrechter in de weg. Dit betekent dat eiseressen alleen in een beroepsprocedure die is gericht tegen een besluit, genomen ten aanzien van een individuele vreemdeling, hun grieven ten aanzien van de hoogte van de leges aan de bestuursrechter kunnen voorleggen. Willen eiseressen in een dergelijke beroepsprocedure als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Awb kunnen worden aangemerkt, dan dient het te gaan om een aan hun statutaire doelstelling ontleend collectief belang dat door het besluit direct wordt of dreigt te worden aangetast. Daarbij dient het te gaan om behartiging van boven-individuele belangen. Niet gebleken is dat eiseressen als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Awb zullen worden aangemerkt wanneer zij in beroep komen tegen een ten aanzien van een individuele vreemdeling omtrent diens aanvraag om een verblijfsvergunning genomen beslissing. Eiseressen kan dan ook niet worden tegengeworpen dat voor hen een andere, met voldoende waarborgen omklede rechtsgang openstaat. Dat die rechtsgang voor de individuele vreemdeling wel openstaat doet daaraan niet af.

3.5. Anders dan eiseressen - op grond van eerdergenoemd arrest van 3 september 2004 - lijken te betogen betekent het enkele feit dat voor hen de bestuursrechtelijke rechtsgang niet openstaat niet dat zij in de civiele procedure kunnen worden ontvangen. Of eiseressen in de civiele procedure kunnen worden ontvangen dient te worden beoordeeld aan de hand van artikel 3:305a van het Burgerlijk Wetboek (BW).

3.6. Ingevolge artikel 3:305a, eerste lid, van het BW kan een stichting of vereniging met volledige rechtsbevoegdheid een rechtsvordering instellen die strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen van andere personen, voorzover zij deze belangen ingevolge haar statuten behartigt.

3.7. Naar vaste jurisprudentie van de HR moet een organisatie, om op grond van artikel 3:305a van het

BW in de civiele procedure ontvankelijk te zijn, aan de volgende voorwaarden voldoen:

(1) de organisatie is een stichting of vereniging met volledige rechtsbevoegdheid;

(2) de in de statuten geformuleerde doelstelling omvat de in de procedure te behartigen belangen;

(3) er worden activiteiten op het desbetreffende gebied ontplooid (de enkele doelomschrijving is in beginsel niet voldoende);

(4) er is sprake van gelijksoortige belangen, die zich voor bundeling lenen.

Anders dan de Staat is de rechtbank van oordeel dat als eiseressen stellen aan deze voorwaarden te voldoen, zij niet meer afzonderlijk de aanwezigheid van een eigen belang bij de vorderingen hoeven te stellen. De rechtbank zal hierna bezien of in het geval van eiseressen steeds aan voornoemde voorwaarden wordt voldaan.

3.8. Eiseres sub 25 is een besloten vennootschap en voldoet reeds daarom niet aan de onder (1) geformuleerde voorwaarde.

3.9. Eiseressen sub 13, 15, 17, 20 en 22 tot en met 24 voldoen niet aan voorwaarde (3) omdat zij in het geheel niet hebben onderbouwd dat hun feitelijke activiteiten zich richten op de verbetering van de verblijfspositie van vreemdelingen in het algemeen. Anders dan eiseressen is de rechtbank van oordeel dat het enkele verzenden van de brief van 29 juli 2003, waarmee de procedure is ingeleid, onvoldoende is om aan voorwaarde (3) te voldoen.

3.10. Naar het oordeel van de rechtbank dient, om aan voorwaarde (2) te voldoen, het verband tussen de statutaire doelomschrijving en het bij de onderhavige vordering betrokken belang van de organisatie voldoende concreet te zijn. Het belang dat eiseressen in deze procedure stellen te behartigen is het in rechte opkomen voor de verblijfspositie van vreemdelingen in het algemeen. Hun feitelijke activiteiten (3) dienen zich dan ook (mede) op dat gebied uit te strekken. Dit betekent dat organisaties die zich blijkens hun statutaire doelstelling en/of hun feitelijke activiteiten uitsluitend bezighouden met het in rechte optreden voor individuele vreemdelingen (rechtsbijstandverlening) en dus geen boven-individuele belangen behartigen, niet aan de voorwaarden (2) en (3) voldoen. Hetzelfde geldt voor de organisaties die zich hoofdzakelijk met advisering aan en overleg met politieke, maatschappelijke en/of overheidsorganisaties bezig houden en dus niet met het in rechte opkomen voor belangen van vreemdelingen. Ten slotte voldoen ook de organisaties die zich blijkens hun statutaire doelstelling en/of feitelijke activiteiten bezighouden met religieuze, politieke, sociale en culturele activiteiten niet aan de voorwaarden (2) en (3) omdat zij niet opkomen voor de verblijfspositie van vreemdelingen in het algemeen.

Vorenstaande leidt tot het oordeel dat eiseressen sub 1 tot en met 4, 6 tot en met 10, 12, 14, 18, 19 en 21 niet aan de voorwaarden (2) en (3) voldoen.

3.11. Naar het oordeel van de rechtbank voldoet eiseres sub 5, VluchtelingenWerk, wel aan de vereisten sub (1) tot en met (3). Blijkens de statutaire doelomschrijving houdt VluchtelingenWerk zich bezig met het op basis van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens inzetten voor de bescherming van asielzoekers en vluchtelingen door persoonlijke steun en belangenbehartiging bij hun toelating, opvang en maatschappelijke participatie primair in Nederland, en voorts al hetgeen met het vorenstaande rechtstreeks of zijdelings verband houdt of daartoe bevorderlijk is. Haar activiteiten strekken zich ook uit tot ex-vluchtelingen en gezinsleden van vluchtelingen, derhalve ook tot aanvragers van verblijfsvergunningen regulier. Zoals uit het overgelegde jaarverslag 2002 blijkt en algemeen bekend verondersteld mag worden omtrent haar werkzaamheden behartigt VluchtelingenWerk niet alleen de belangen van individuele vluchtelingen door hen bij te staan in procedures omtrent hun aanvragen verblijfsvergunning, maar treedt de organisatie ook in overleg met instanties en zoekt zij de publiciteit over kwesties die vluchtelingen en (in samenhang daarmee) vreemdelingen aangaan. Uit het overgelegde jaarverslag 2002 blijkt dat zij in het verleden heeft geprotesteerd tegen de hoogte van de leges en dat zij activiteiten verricht op het gebied van gezinshereniging.

3.12. Voor eiseres sub 11, het Landelijk Bureau ter bestrijding van Rassendiscriminatie, geldt dat zij zich blijkens haar statutaire doelstelling en naar algemeen bekend verondersteld mag worden bezig houdt met het bestrijden van rassendiscriminatie door onder andere structurele vormen en patronen van rassendiscriminatie te signaleren en bestrijden, bijvoorbeeld door het op eigen naam voeren van gerechtelijke of administratieve procedures. Voor zover de vorderingen van eiseressen gegrond worden op de artikelen 14 van het EVRM en 26 van het IVBPR (anti-discriminatie-bepalingen) voldoet eiseres sub 11 dan ook aan de voorwaarden (1) tot en met (3).

3.13. Ten slotte voldoet ook eiseres sub 16, HTIB, aan de voorwaarden (1) tot en met (3). Deze vereniging zet zich blijkens haar oprichtingsakte en werkplan 2003 in voor de belangen van de Turkse gemeenschap. Zij doet dat onder andere door voor haar leden een spreekuur te houden, hen te helpen bij het doen van een aanvraag verblijfsvergunning, hen te informeren over de ontwikkelingen op vreemdelingrechtelijk gebied en door met persberichten publiciteit te zoeken voor kwesties die haar achterban aangaan.

3.14. Of voldaan is aan voorwaarde (4), inhoudende dat de betrokken belangen zich voor bundeling lenen, hangt - zoals de Staat terecht heeft aangevoerd - af van hetgeen aan de vordering ten grondslag wordt gelegd. Als individuele omstandigheden van doorslaggevend belang zijn voor de beoordeling van een grond, is niet voldaan aan voorwaarde (4). Uit rechtsoverweging 2.2. blijkt dat eiseressen verschillende gronden onder hun vordering hebben gelegd. In onderstaande bespreking van de gronden van de vordering zal worden aangegeven ten aanzien van welke gronden niet is voldaan aan deze voorwaarde.

3.15. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat eiseressen 5 en 16 in hun vorderingen kunnen worden ontvangen en eiseres 11 in de vordering voor zover deze strekt tot onverbindendverklaring van de litigieuze regelingen wegens strijd met de artikelen 14 van het EVRM en 26 van het IVBPR. Waar hierna nog over eiseressen wordt gesproken worden steeds bedoeld de eiseressen die ontvankelijk zijn in hun vordering.

artikel 104 van de Gw

3.16. Artikel 104 van de Gw luidt:

Belastingen van het Rijk worden geheven uit kracht van een wet. Andere heffingen van het Rijk worden bij de wet geregeld.

3.17. Eiseressen stellen dat de leges, zoals die thans worden geheven, als belastingen in de zin van artikel 104 van de Gw moeten worden beschouwd, omdat de feitelijke kosten welke met de behandeling van de meeste aanvragen voor reguliere verblijfsvergunningen zijn gemoeid gering zijn en derhalve niet in verhouding staan tot de te betalen (eventueel gecumuleerde) leges. Artikel 104 van de Gw verbiedt, gelet op de zinswending 'uit kracht van een wet', vergaande delegatie. Op grond van artikel 104 van de Gw moeten bij belastingheffing de essentiële fiscale elementen in de wet in formele zin, in casu artikel 24 van de Vw 2000, worden omschreven. Het gaat dan om het belastbaar feit, de basis van het tarief en de kring van belastingplichtigen. Het belastbaar feit wordt in artikel 24, tweede lid, van de Vw 2000 duidelijk omschreven: de afdoening van een aanvraag van een verblijfsvergunning. Ook de kring van belastingplichtigen is in dat artikel terug te vinden: de vreemdeling die een verblijfsvergunning aanvraagt. De basis van het tarief wordt evenwel niet in artikel 24, tweede lid, van de Vw 2000 geregeld. Binnen welke marge de te heffen leges zich dienen te bewegen is in het kader van de totstandkoming van de Vw 2000 nog wel besproken. In het oorspronkelijke wetsvoorstel stond nog vermeld dat de leges ten hoogste ƒ 500,-- zouden bedragen. Dit is er later uitgehaald. Alleen in het VV 2000 worden nu nog de bedragen voor de onderscheiden verblijfsvergunningen genoemd. De vastlegging van de concreet te betalen bedragen in het VV 2000 vormt derhalve een te vergaande delegatie en is in strijd met artikel 104 van de Gw.

Vorenstaande geldt ook als sprake is van 'andere heffingen' zoals bedoeld in de tweede volzin van artikel 104 van de Gw. Ook dan ontbreekt volgens eiseressen het essentiële element van de basis van het tarief.

3.18. Met de Staat is de rechtbank echter van oordeel dat de hogere leges niet als belasting aangemerkt dienen te worden. Aan de leges liggen immers berekeningen van de kosten die de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) maakt ten behoeve van de behandeling van aanvragen ten grondslag, waarvan niet is gebleken dat die onjuist zijn; voorts vloeien de opbrengsten van de leges niet in de algemene middelen maar worden zij gebruikt tot dekking van die kosten. Dat met het behandelen van een aanvraag ook een algemeen belang is gemoeid en dat aan de legesheffing ook een financiële taakstelling ten grondslag ligt maakt nog niet dat de voor die behandeling te maken kosten als belastingen aangemerkt moeten worden. Vanzelfsprekend dient bij het vaststellen van de hoogte van leges per categorie uitgegaan te worden van de gemiddelde kosten per aanvraag in die categorie. In zoverre kan het voorkomen dat aanvragers aan de behandeling van wier aanvragen weinig tijd besteed hoeft te worden meer betalen dan de werkelijke behandelkosten. Ook het feit dat kosten van bezwaar- en beroepsprocedures en van voorlopige voorzieningen in de hoogte van het tarief zijn doorberekend maakt in algemene zin van de heffing nog geen belasting. Deze kosten staan niet in een zodanig ver verwijderd verband van de aanvraag dat zij niet meer tot de kosten in verband met de afhandeling van een aanvraag gerekend kunnen worden. Het ligt voor de hand om deze kosten over alle aanvragen te verdelen. Voor zover eiseressen hebben willen betogen dat de kosten voor bezwaar, beroep en voorlopige voorzieningen slechts een zeer beperkt deel van de aanvragen betreffen en het derhalve niet redelijk is om deze kosten over alle aanvragen, dus ook die zonder vervolgprocedure worden afgedaan, om te slaan, verwerpt de rechtbank die stelling als onvoldoende onderbouwd. Eiseressen hebben - zoals de Staat terecht bij dupliek heeft opgemerkt - niet inzichtelijk gemaakt hoe zij aan hun cijfermatige onderbouwing komen (zo is het rapport waaraan eiseressen de cijfers ontlenen niet overgelegd). Nu de leges niet als belastingen kunnen worden aangemerkt is geen sprake van te ver gaande delegatie. De artikelen 3:34 en 3:34a VV 2000 zijn dan ook niet in strijd met artikel 104 van de Gw. In de vraag of artikel 24 van de Vw 2000 in strijd komt met artikel 104 van de Gw, omdat de hoogte van het tarief in dat artikel niet is geregeld, kan de rechtbank - gelet op het bepaalde in artikel 120 van de Gw - niet treden.

artikel 21, vierde lid, van de Vw 2000

3.19. Artikel 21, vierde lid, van de Vw 2000 luidt:

In afwijking van het eerste lid wordt de aanvraag alleen afgewezen op grond van het eerste lid, onder b en d, indien de vreemdeling in Nederland is geboren dan wel reeds voor zijn vierde levensjaar in Nederland verbleef en sindsdien zijn hoofdverblijf niet buiten Nederland heeft verplaatst en inmiddels 18 jaar is. In afwijking van het eerste lid behoeft het rechtmatig verblijf van de vreemdeling niet aaneengesloten te zijn. De aanvraag kan slechts worden afgewezen op grond van het eerste lid, onder b, indien de vreemdeling bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis is veroordeeld tot een gevangenisstraf van meer dan 60 maanden, ter zake van handel in verdovende middelen.

3.20. Eiseressen stellen dat door de invoering van de verplichting om € 890,-- te betalen voordat de aanvraag voor de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd wordt afgedaan, de aanspraak op de vergunning op grond van artikel 21, vierde lid, van de Vw 2000 voor grote groepen tweede generatie migranten sterk wordt uitgehold. Het minimumloon voor een achttienjarige bedraagt per 1 januari 2003 € 518,--. In geval van werkloosheid of studie zal het inkomen nog lager zijn. Door te verlangen dat bijna twee maandsalarissen worden betaald, wordt de wettelijke aanspraak tot een dode letter gemaakt. Artikel 3.34 VV 2000 is derhalve in strijd met de Vw 2000 en dient daarom volgens eiseressen onverbindend te worden verklaard.

3.21. Met de Staat is de rechtbank echter van oordeel dat de belangen die beschermd worden door artikel 21, vierde lid, van de Vw 2000 zich niet voor bundeling lenen. Het is afhankelijk van het inkomen van de individuele vreemdeling of de hoogte van de leges een beletsel vormt om een aanspraak op grond van artikel 21, vierde lid, van de Vw 2000 te effectueren. Dat de legesheffing in algemene zin voor - kort gezegd - de in Nederland opgegroeide 18-jarige vreemdeling te hoog zou zijn is niet gebleken. Het bedrag is niet zodanig hoog dat van de betrokkene, indien hij het bedrag niet in één keer zou kunnen betalen, niet zou mogen worden verwacht dat hij daarvoor reserveringen treft of het bedrag leent. Nu individuele omstandigheden van belang zijn voor de beoordeling of de legesheffing verhindert dat genoemde 18-jarige vreemdelingen een verblijfsvergunning verkrijgen, is sprake van belangen die zich niet voor bundeling lenen. Onder verwijzing naar rechtsoverweging 3.14. zal de rechtbank eiseressen derhalve niet-ontvankelijk verklaren in hun vordering, voor zover deze strekt tot onverbindendverklaring van de regelingen van 27 maart 2001 en 12 november 2002 wegens strijd met artikel 21, vierde lid, van de Vw 2000.

artikelen 8 van het EVRM

3.22. Artikel 8 van het EVRM luidt:

1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.

2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

3.23. Eiseressen stellen dat de hoogte van de leges het voor vreemdelingen met onvoldoende middelen van bestaan onmogelijk maakt om hun familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM in Nederland te beleven. Wanneer in een gezin niet voldoende middelen beschikbaar zijn om een aanvraag voor verlening of telkens terugkerende verlenging van de verblijfsvergunning regulier te betalen, dan brengt dit mee dat familie- en gezinsleven niet (meer) rechtmatig kan worden aangevangen of voortgezet. Aldus wordt inbreuk gemaakt op het recht op (voortzetting van) familie- en gezinsleven. Naar het oordeel van eiseressen kan deze inbreuk niet objectief worden gerechtvaardigd.

3.24. De Staat heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat artikel 8 van het EVRM er op zichzelf niet aan in de weg staat dat voor het in behandeling nemen van een aanvraag, die de uitoefening van het in artikel 8 van het EVRM gewaarborgde recht op respect voor het familie- en gezinsleven mogelijk maakt, leges worden geheven. Dat de in geding zijnde verhogingen van de leges niet noodzakelijk zijn in het belang van het economisch welzijn of de andere in artikel 8 van het EVRM genoemde omstandigheden, volgt niet uit het feit dat deze (mede) zijn ingegeven door de aan de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie opgelegde financiële taakstellingen. Niet kan worden uitgesloten dat in individuele omstandigheden het heffen van leges als bedoeld in voornoemde regelingen een ontoelaatbare inbreuk vormt op het in artikel 8 van het EVRM gewaarborgde recht op respect voor familie- en gezinsleven, maar van zodanig hoge legesbedragen dat reeds bij voorbaat vaststaat dat de meerderheid van de aanvragers deze niet zullen kunnen betalen is geen sprake. De beantwoording van de vraag of de in geding zijnde verhoging van de voor leges verschuldigde bedragen een ontoelaatbare inbreuk vormt op de uitoefening van het familie- en gezinsleven is afhankelijk van de individuele omstandigheden van degene die de aanvraag indient en zijn gezinsleden. Dit geldt ook voor degenen van wie eiseressen de belangen behartigen. In het kader van artikel 8 van het EVRM kan daarom niet gesproken worden van gelijksoortige belangen, die zich lenen voor bundeling ten behoeve van een door eiseressen in te stellen vordering. Onder verwijzing naar rechtsoverweging 3.14. zal de rechtbank eiseressen derhalve niet-ontvankelijk verklaren in hun vordering, voor zover deze strekt tot onverbindend verklaring van de regelingen van 27 maart 2002 en 12 november 2002 wegens strijd met artikel 8 van het EVRM.

artikel 26 van het IVBPR en artikel 14 van het EVRM

3.25. Artikel 26 van het IVBPR luidt:

Allen zijn gelijk voor de wet en hebben zonder discriminatie aanspraak op gelijke bescherming door de wet. In dit verband verbiedt de wet discriminatie van welke aard ook en garandeert een ieder gelijke en doelmatige bescherming tegen discriminatie op welke grond ook, zoals ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of maatschappelijke afkomst, eigendom, geboorte of andere status.

3.26. Artikel 14 van het EVRM luidt:

Het genot van de rechten en vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld, moet worden verzekerd zonder enig onderscheid op welke grond ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status.

3.27. Eiseressen stellen dat slechts bepaalde aanvragen voor een verblijfsvergunning regulier aan legesheffing onderhevig zijn. Bepaalde categorieën vreemdelingen zijn derhalve vrijgesteld van legesheffing of behoeven slechts een zeer gering bedrag aan leges te betalen. De afwijkende behandeling vindt zijn grondslag in internationale verdragen en nationale wetgeving. Derhalve dient te worden beoordeeld of sprake is van discriminatie naar nationaliteit en of dat onderscheid door zeer gewichtige redenen wordt gerechtvaardigd. Dat laatste dient volgens eiseressen door de Staat te worden aangetoond.

3.28. De rechtbank volgt de stellingen van eiseressen niet. Allereerst hebben zij onvoldoende duidelijk gemaakt waaruit het ongerechtvaardigde onderscheid zou bestaan. Voor zover bedoeld wordt dat er onderscheid wordt gemaakt tussen vreemdelingen en Nederlanders geldt dat dit onderscheid redelijk en objectief gerechtvaardigd is. Dat gemeenschapsonderdanen anders worden behandeld dan vreemdelingen uit andere landen vloeit voort uit internationale verdragen. Ook ten aanzien van vreemdelingen die in aanmerking komen voor de terugkeeroptie, niet-gepriviligeerde militaire en burgerpersoneel, slachtoffers van mensenhandel, vreemdelingen die asiel hebben gevraagd en vreemdelingen uit Australië, Canada en Nieuw-Zeeland, die in het kader van een betaalde werkvakantie gedurende korte tijd in Nederland willen verblijven, oordeelt de rechtbank de rechtvaardiging voor een lagere legesheffing van de zijde van de Staat voldoende aangetoond.

artikelen 18 en 19 van het ESH

3.29. Artikel 18, aanhef en onder 2, van het ESH luidt:

Ten einde de onbelemmerde uitoefening van het recht op het uitoefenen van een op winst gerichte bezigheid op het grondgebied van elke andere Overeenkomstsluitende Partij te waarborgen, verbinden de Overeenkomstsluitende Partijen zich de bestaande formaliteiten te vereenvoudigen en kanselarijrechten en andere kosten welke buitenlandse werknemers of hun werkgevers moeten betalen, te verminderen of af te schaffen.

3.30. Artikel 19, aanhef en onder 6, van het ESH luidt:

Ten einde de onbelemmerde uitoefening van het recht van migrerende werknemers en hun gezinnen op bescherming en bijstand op het grondgebied van elke andere Overeenkomst-sluitende Partij te waarborgen, verbinden de Overeenkomstsluitende Partijen zich zoveel mogelijk de hereniging van het gezin van een migrerende werknemer die toestemming heeft verkregen om zich op het grondgebied te vestigen, te vergemakkelijken.

3.31. Eiseressen stellen dat de legesverhogingen in strijd zijn met artikel 18, aanhef en onder 2, en artikel 19, aanhef en onder 6, van het ESH. Beide bepalingen kunnen door hun duidelijke en onvoorwaardelijke bewoordingen rechtstreeks worden toegepast. De zeer forse verhogingen van de leges kunnen onmogelijk als een vermindering laat staan afschaffing van kanselarijrechten en andere kosten worden beschouwd. Evenmin dragen de verhogingen bij aan het vereenvoudigen van bestaande formaliteiten en het vergemakkelijken van gezinshereniging van migrerende werknemers, aldus eiseressen.

3.32. De Staat heeft zich verweerd met de stelling dat beide artikelen uit het ESH geen ieder verbindende bepalingen zijn als bedoeld in artikel 93 van de Gw. De bepalingen richten zich tot de partijen bij het verdrag en de gebruikte bewoordingen zijn te algemeen om zonder nadere uitwerking in de nationale rechtsorde te kunnen functioneren. De bepalingen spreken over "vereenvoudigen" en "vergemakkelijken". Daarbij komt dat uit het doel van het ESH en uit de tekst van de bepalingen naar voren komt dat het gaat om kosten verband houdend met werk en tewerkstelling. Het ESH ziet volgens de Staat niet op kosten gemoeid met het verlenen van verblijfsvergunningen.

3.33. De rechtbank volgt de Staat in zijn stelling dat de bepalingen niet een ieder verbindend zijn. Voor aanpassing van kanselarijrechten is tussenkomst van de overheid noodzakelijk. Reeds hierom mist artikel 18, aanhef en onder 2, van het ESH rechtstreekse werking. Het zoveel mogelijk vergemakkelijken van hereniging van de werknemer uit een ander land dat partij is bij het ESH met zijn gezin in Nederland (artikel 19, aanhef en onder 6, van het ESH) is een te vage bepaling om rechtstreekse werking aan te nemen. Terecht heeft de Staat naar voren gebracht dat aan haar de uitwerking van de bepalingen is overgelaten. Nu de bepalingen niet dienen te worden aangemerkt als bepalingen die naar haar inhoud een ieder kunnen verbinden dient de rechtbank zich te onthouden van toetsing daaraan.

artikel 21 van het Europees Vestigingsverdrag

3.34. Artikel 21 van het Europees Vestigingsverdrag (EV) luidt:

1. Onder voorbehoud van de bepalingen inzake dubbele belasting vervat in reeds gesloten of nog te sluiten overeenkomsten, worden onderdanen van een Verdragsluitende Partij op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij niet onderworpen aan andere, hogere of drukkender rechten, heffingen, belastingen of bijdragen, hoe ook genaamd, dan die welke onder soortgelijke omstandigheden van onderdanen van laatstgenoemde Partij worden gevorderd; zij hebben in het bijzonder recht op verminderingen of vrijstellingen van belastingen of heffingen en op alle aftrekken met inbegrip van aftrekken voor gezinsleden.

2. Een Verdragsluitende Partij legt aan onderdanen van een andere Partij geen verblijfsbelasting op welke niet van haar eigen onderdanen wordt geëist. Deze bepaling verhindert echter niet dat in daarvoor in aanmerking komende gevallen heffingen worden gevorderd welke verband houden met administratieve formaliteiten zoals de afgifte van vergunningen en machtigingen welker bezit voor vreemdelingen is vereist, met dien verstande echter dat die heffingen niet hoger mogen zijn dan de aan zodanige formaliteiten verbonden kosten.

3.35. Volgens eiseressen zijn de legesverhogingen in strijd met artikel 21 van het EV. Dit artikel verplicht tot gelijke behandeling van de onderdanen van de verdragsluitende landen met de eigen burgers ten aanzien van belastingen alle andere overheidsheffingen. Voor heffingen die niet aan eigen burgers worden opgelegd, zoals de leges voor verblijfsvergunningen, geldt dat alleen een zelfde heffing mag worden opgelegd als geldt voor de eigen burgers in vergelijkbare omstandigheden. Gelijke behandelingsbepalingen hebben volgens eiseressen steevast rechtstreekse werking; de strekking is duidelijk en een nadere uitwerking is niet vereist.

3.36. Met de Staat is de rechtbank echter van oordeel dat ook al zou artikel 21 van het EV rechtstreekse werking hebben, dit artikel niet in de weg staat aan verhogingen als hier aan de orde. De leges als tegenprestatie tegenover de afdoening van aanvragen om een verblijfsvergunning kunnen niet hoger of belastender zijn dan de heffingen die aan eigen burgers in vergelijkbare omstandigheden worden opgelegd, nu de eigen burgers zich wat dit betreft uit de aard der zaak nimmer in "soortgelijke omstandigheden" zullen bevinden. Niet gebleken is dat de hoogte van de leges de "aan zodanige formaliteiten verbonden kosten" als bedoeld in het tweede lid overschrijden. Van strijd met artikel 21 van het EV is dan ook geen sprake.

artikel 41 van het Aanvullend Protocol bij de Associatieovereenkomst EEG/Turkije en artikel 13 van het Besluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije

3.37. Artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol bij de Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije (hierna: "Asso-ciatieovereenkomst EEG/Turkije") luidt:

De Overeenkomstsluitende Partijen voeren onderling geen nieuwe beperkingen in met betrekking tot de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten.

3.38. Artikel 6 van het Besluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije luidt:

Behoudens het bepaalde in artikel 7 betreffende de vrije toegang tot arbeid van de gezinsleden, heeft de Turkse werknemer die tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat behoort:

- na een jaar legale arbeid in die Lid-Staat recht op verlenging van zijn arbeidsvergunning bij dezelfde werkgever indien deze werkgelegenheid heeft;

- na drie jaar legale arbeid en onder voorbehoud van de aan de werknemers uit de Lid-Staten van de Gemeenschap te verlenen voorrang, in die Lid-Staat het recht om in hetzelfde beroep bij een werkgever van zijn keuze te reageren op een ander arbeidsaanbod, gedaan onder normale voorwaarden en geregistreerd bij de arbeidsbureaus van die Lid-Staat;

- na vier jaar legale arbeid in die Lid-Staat vrije toegang tot iedere arbeid in loondienst te zijner keuze.

3.39. Artikel 13 van het Besluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije luidt:

De Lid-Staten van de Gemeenschap en Turkije mogen geen nieuwe beperkingen invoeren met betrekking tot de toegang tot de werkgelegenheid van werknemers en hun gezinsleden wier verblijf en arbeid op hun onderscheiden grondgebied legaal zijn.

3.40. Eiseressen stellen dat de legesverhogingen ten aanzien van vreemdelingen van Turkse nationaliteit in strijd zijn met artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol bij de Associatieovereenkomst EEG/Turkije en artikel 13 van het Besluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije, waarin is bepaald dat met betrekking tot de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten alsmede met betrekking tot de toegang tot de werkgelegenheid van werknemers en hun gezinsleden geen nieuwe beperkingen ingevoerd mogen worden. Beide bepalingen hebben rechtstreekse werking. De laatste twee legesverhogingen zijn dermate hoog dat zij een 'nieuwe beperking' vormen als bedoeld in beide bepalingen, aldus eiseressen.

3.41. De Staat heeft zich verweerd met de stelling dat de Turkse werknemer alleen, indien hij aan de in artikel 6 van het Besluit 1/80 gestelde voorwaarden voldoet, aanspraak heeft op een min of meer beperkt en nauwkeurig afgebakend recht op toegang tot de arbeidsmarkt van de lidstaat van ontvangst. Het hebben van toegang tot de arbeidsmarkt is een rechtstreeks en onvoorwaardelijk recht. De Turkse werknemer ontleent dat recht, ongeacht de afgifte van een specifiek document, zoals een arbeids- of verblijfsvergunning, rechtstreeks aan de (regelingen op grond van de) overeenkomst. Een Turkse werknemer heeft dus strikt genomen geen verblijfsvergunning nodig om zijn rechten te verwezenlijken. Een verblijfsvergunning is niet constitutief voor het recht op toegang en heeft slechts declaratoire werking. Nu het Besluit 1/80 enkel betrekking heeft op de toegang tot de werkgelegenheid van hier te lande legaal verblijvende Turkse werknemers, moet artikel 13 van het Besluit aldus worden begrepen dat het zich verzet tegen nieuwe beperkingen van de toegang tot de arbeidsmarkt, bijvoorbeeld in de Wet arbeid vreemdelingen (WAV). De heffing van leges of de verhoging daarvan in het kader van de afgifte van een verblijfsvergunning wordt volgens de Staat dus niet door artikel 13 geraakt.

3.42. Dit verweer slaagt niet. Artikel 41 van het Aanvullend Protocol en artikel 13 van Besluit 1/80 hebben rechtstreekse werking. Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJEG) van 21 oktober 2003, C-317/01, C-369/01 (JV 2004/2) inzake Abatay volgt dat niet alleen werknemers die legaal in een lidstaat verblijven, maar ook hun gezinsleden een beroep op deze standstill-bepaling kunnen doen. In zijn arrest van 11 mei 2000, C-37/98 inzake Savas, heeft het HvJEG duidelijk uitgesproken dat artikel 41 van het Aanvullend Protocol zich ertegen verzet dat een lidstaat een nieuwe maatregel vaststelt die tot gevolg heeft dat aan de vestiging en, daarmee samenhangend, aan het verblijf van een Turkse onderdaan op zijn grondgebied strengere voorwaarden worden gesteld dan die golden ten tijde van de inwerkingtreding van het Aanvullend Protocol voor die lidstaat (r.o. 69). Uit de jurisprudentie van het HvJEG kan niet worden afgeleid dat artikel 41 van het Aanvullend Protocol en artikel 13 van Besluit 1/80 uitsluitend zien op beperkingen op het gebied van vestiging, dienstverrichting en arbeidsmarktparticipatie. Dat ligt ook niet voor de hand, omdat artikel 13 van Besluit 1/80 in dat geval voor niet-werkende gezinsleden een dode letter zou worden, terwijl het hun toegang tot de lidstaat juist niet laat afhangen van de vraag of zij arbeid in loondienst verrichten (HvJEG 21 oktober 2003, C-317/01, C-369/01, r.o. 82). Bovendien zou een lidstaat door barrières op te werpen op andere gebieden dan de vestiging, dienstverrichting en de arbeidsmarkt de werking van de artikelen 41 van het Aanvullend Protocol en artikel 13 van Besluit 1/80 ongedaan kunnen maken.

3.43. De rechtbank verwerpt de stelling van de Staat dat het met de aan de Associatieovereenkomst ontleende vrijheid van vestiging, dienstverrichting en arbeidsmarktparticipatie samenhangende verblijfsrecht los gezien dient te worden van het verblijfsdocument. Zonder verblijfsdocument is het immers praktisch - zeker sinds de invoering van de zogenoemde Koppelingswet - niet mogelijk aan de Associatieovereenkomst EEG/Turkije te ontlenen rechten uit te oefenen. Van een Turkse onderdaan wordt bij een solliciatiegesprek, aanmelding bij een ziekenfonds of een inschrij-ving als woningzoekende verlangd dat hij de rechtmatigheid van zijn verblijf aanstonds aantoont. De rechtbank verwerpt dan ook de stelling van de Staat dat beperkingen in de sfeer van legeshef-fing c.q. -verhoging voor aanvragen tot verblijfsvergunningen van Turkse onderdanen die een, met een aan de Associatieovereenkomst EEG/Turkije ontleend recht op vestiging, dienstverrichting of participatie aan de arbeidsmarkt, samenhangend verblijfsrecht hebben, niet verboden zijn bij artikel 41 van het Aanvullend Protocol en artikel 13 van Besluit 1/80.

3.44. Nu de Staat in essentie daartegen geen ander verweer heeft gevoerd leidt het voorgaande tot toewijzing van de vordering voor zover deze strekt de litigieuze legesregelingen onverbindend te verklaren jegens Turkse onderdanen die recht op vestiging, dienstverrichting of participatie aan de arbeidsmarkt en (jegens hun gezinsleden die) een daarmee samenhangend verblijfsrecht ontlenen aan (regelingen op grond van) de Associatieovereenkomst. De rechtbank acht zich in het kader van dit geding niet gehouden tot een nadere omschrijving te komen van Turkse onderdanen die een met genoemde rechten samenhangend verblijfsrecht hebben, aangezien dat niet het onderwerp van dit geschil vormt.

slot

3.45. Gelet op het vorenstaande zijn eiseressen sub 1 tot en met 4, 6 tot en met 10, 12 tot en met 15 en 17 tot en met 25 niet ontvankelijk in hun vorderingen. De rechtbank zal hun vorderingen dan ook afwijzen.

3.46. Eiseres sub 11 is ontvankelijk in haar vordering voor zover die strekt tot onverbindendverklaring van de legesregelingen wegens strijd met de artikelen 14 van het EVRM en 26 van het IVBPR. Deze vordering wordt gezien het overwogene onder 3.28. afgewezen.

3.47. De rechtbank zal de vordering van eiseressen sub 5 en 16 toewijzen voor zover de Regelingen van 27 maart 2002 en 12 november 2002 in strijd zijn met artikel 41 van het Aanvullend Protocol bij de Associatieovereenkomst EEG/Turkije en artikel 13 van het Besluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije. Voor het overige zal de rechtbank de vordering van deze eiseressen afwijzen.

3.48. Nu partijen over en weer deels in het gelijk en deels in het ongelijk worden gesteld, zal de rechtbank de proceskosten compenseren in dier voege dat ieder de eigen kosten dient te dragen.

4. De beslissing

De rechtbank :

- wijst de vorderingen van eiseressen sub 1 tot en met 4, 6 tot en met 15 en 17 tot en met 25 af;

- verklaart de Regeling van de Staatssecretaris van Justitie d.d. 27 maart 2002 (Stcrt. 10 april 2002, nr. 69) en de Regeling van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie d.d. 12 november 2002 (Stcrt. 21 november 2002, nr. 225) onverbindend jegens Turkse onderdanen die recht op vestiging, dienstverrichting of participatie aan de arbeidsmarkt en (jegens hun gezinsleden die) een daarmee samenhangend verblijfsrecht ontlenen aan de Associatieovereenkomst EEG/Turkije;

- compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

- wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.S.G. Jongeneel, mr. E. Kouwenhoven en mr. D. de Loor en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 februari 2005 in tegenwoordigheid van de griffier.