Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AS7554

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-02-2005
Datum publicatie
24-03-2005
Zaaknummer
AWB 04/548 MAWKMA
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontslag wegens wangedrag, bestaande uit cocaïnegebruik.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank ‘s-Gravenhage

sector bestuursrecht

tweede afdeling, meervoudige kamer

Reg. nr. AWB 04/548 MAWKMA

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de Staatssecretaris van Defensie, verweerder.

Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 29 oktober 2003 heeft verweerder eiser wegens wangedrag met ingang van 1 december 2003 ontslagen uit de Rijkszeedienst.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 13 november 2003 bezwaar gemaakt. Tevens heeft hij bij brief van gelijke datum de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Vervolgens heeft verweerder bij besluit van 9 december 2003 het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Tegen deze beslissing heeft eiser bij brief van 10 december 2003 beroep ingesteld. Op grond van artikel 8:81, vijfde lid, van de Awb is het verzoek om een voorlopige voorziening gelijkgesteld met een verzoek dat is gedaan hangende het beroep bij de rechtbank.

Bij uitspraak van 19 december 2003 (registratienummer AWB 03/4874 en 03/5286 MAWKMA) heeft de voorzieningenrechter het beroep met toepassing van artikel 8:86 van de Awb gegrond verklaard en het besluit van 9 december 2003 vernietigd. Daarnaast heeft de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen, in dier voege dat het besluit van 29 oktober 2003 wordt geschorst, tot zes weken na verzending van de (nieuwe) beslissing op bezwaar.

Bij besluit van 2 februari 2004 heeft verweerder opnieuw op het bezwaar beslist en het bezwaar van eiser wederom ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 4 februari 2004 beroep ingesteld bij deze rechtbank.

Verweerder heeft bij brief van 6 juli 2004 de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd, alsmede een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 1 februari 2005 ter zitting behandeld.

Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. H.J.G. Dudink.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J.A.M. Maas.

Feiten

Eiser, voorheen aangesteld bij de Koninklijke Marine als [rang], was geplaatst bij de Commandant Maritieme Middelen Den Helder aan boord van [schip]. Op grond van (vermeend) cocaïnegebruik op 26 mei 2003 in het toilet van café [café] te [plaats] is eiser bij besluit van 2 juni 2003 met onmiddellijke ingang in zijn ambt geschorst. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Bij uitspraak van 21 juli 2003 (registratienummer AWB 03/2580 MAWKMA) heeft de voorzieningenrechter dit verzoek afgewezen. In de bezwarenprocedure zijn door het Adviesorgaan bestuursrechtelijke geschillen van de Koninklijke Marine (hierna: ABGKM) op 4 en 5 augustus 2003 een viertal officieren van de Koninklijke Marine, namelijk officieren Sp, J, Z en S, als getuigen gehoord, alsmede de matroos der eerste klasse K. Bij besluit van 24 september 2003 heeft de Commandant Maritieme Middelen Den Helder het bezwaarschrift ongegrond verklaard. Hiertegen heeft eiser geen rechtsmiddelen aangewend.

Onderwijl heeft verweerder bij besluit van 6 juni 2003 een Commissie van onderzoek ontslag militairen zeemacht (hierna: COOM) ingesteld om te onderzoeken of één van de ontslagredenen bedoeld in artikel 39, tweede lid, aanhef en onder j, k, l, m, of n, van het Algemeen Militair Ambtenarenreglement (hierna: AMAR) op eiser van toepassing is. Op 21 augustus 2003 is eiser door de COOM gehoord. Op uitdrukkelijk verzoek van eiser heeft de COOM op 17 oktober 2003 twee getuigen opnieuw gehoord, namelijk officier J en officier Z, waarna het onderzoek is afgesloten. Op 21 oktober 2003 heeft de COOM verweerder geadviseerd eiser ontslag te verlenen op grond van artikel 39, tweede lid, aanhef en onder l, van het AMAR.

Bij besluit van 29 oktober 2003 heeft verweerder eiser wegens wangedrag met ingang van 1 december 2003 ontslagen. Bij besluit van 9 december 2003 heeft verweerder dit besluit na bezwaar gehandhaafd. Het daartegen ingestelde beroep is vervolgens door de voorzieningenrechter van deze rechtbank bij uitspraak van 19 december 2003 gegrond verklaard. Het besluit van 9 december 2003 is vernietigd. Tevens is aanleiding gevonden een voorlopige voorziening te treffen.

Naar aanleiding van deze uitspraak heeft verweerder hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) en tevens een (vervolg)onderzoek gedaan. In dat kader heeft het ABGKM op 13 januari 2004 nogmaals officier S gehoord.

Op basis van deze nadere verklaring, alsmede de reeds overgelegde verklaringen, heeft verweerder geoordeeld dat er voldoende grond bestaat voor het oordeel dat het buiten redelijke twijfel staat dat eiser op 26 mei 2003 in het toilet van bar “[café]” cocaïne heeft gebruikt en zich derhalve heeft schuldig gemaakt aan wangedrag. In die zin heeft verweerder bij het thans bestreden besluit het ontslag gehandhaafd.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 4 februari 2004 beroep ingesteld bij deze rechtbank en tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Het desbetreffende beroepschrift en verzoekschrift zijn vervolgens, onder verwijzing naar de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb, naar de CRvB doorgezonden, aangezien bij de Raad een hoger beroep aanhangig was, gericht tegen de uitspraak van 19 december 2003. Bij uitspraak van 31 maart 2004 (registratienummer 04/1120 MAWKMA-VV) heeft de voorzieningenrechter van de CRvB dit verzoek afgewezen.

Verweerder heeft bij brief van 20 april 2004 het hoger beroep ingetrokken. Daarop heeft de CRvB het beroepschrift retour gezonden naar deze rechtbank met het verzoek het beroepschrift van eiser van 4 februari 2004 alsnog in behandeling te nemen.

Oordeel van de rechtbank

Artikel 39, tweede lid, aanhef en onder l, van het AMAR bepaalt dat aan de militair ontslag kan worden verleend wegens wangedrag in de dienst, dan wel buiten de dienst voor zover dit gedrag schadelijk is of kan zijn voor zijn dienstvervulling of niet in overeenstemming is met het aanzien van zijn ambt.

Naar vaste jurisprudentie ( CRvB, 28 september 2000, TAR 2000/154) hanteert de Centrale Raad van Beroep ten aanzien van disciplinaire straffen als toetsingsmaatstaf dat de bestuursrechter in ambtenarenzaken, die moet beslissen over een besluit tot oplegging van een disciplinaire straf, dient vast te stellen of de betrokken ambtenaar zich schuldig heeft gemaakt aan het plichtsverzuim ter zake waarvan het bestuursorgaan hem de straf heeft opgelegd. De overtuiging dat er sprake is van plichtsverzuim zal de rechter moeten toetsen aan deugdelijk vastgestelde gegevens die aan het bestuursorgaan ter beschikking hebben gestaan bij het nemen van het strafbesluit. De rechtbank acht deze maatstaf evenzeer aangewezen voor het onderhavige ontslag dat is gebaseerd op wangedrag. Een ontslag op grond van wangedrag met alle gevolgen van dien is een zodanig zware maatregel dat daartoe slechts kan worden overgegaan, indien de feiten, die aan het ontslag ten grondslag worden gelegd, niet voor gerede twijfel vatbaar zijn.

Niet in geschil is dat het gebruik van hard drugs door een militair onder alle omstandigheden is verboden en dat ingevolge het drugsbeleid van verweerder bij gebruik van hard drugs door een militair in beginsel ontslag wegens wangedrag volgt.

Naar het oordeel van de rechtbank kan dit drugsbeleid, zoals reeds in eerdere uitspraken van zowel de rechtbank als van de CRvB is overwogen, in zijn algemeenheid niet als onredelijk worden aangemerkt. De rechtbank verwijst in dit verband naar haar uitspraken in de zaken met procedurenummers AWB 03/3639 en 03/3258 MAWKMA, AWB 04/4213 en 04/5222 MAWKMA, alsmede naar de uitspraak van de CRvB van 24 juli 2003 met procedurenummers 01/1177 en 01/4007 MAW.

Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat het, gelet op de verklaring van getuige officier S zoals hij die op 13 januari 2004 heeft afgelegd, in samenhang bezien met de overige verklaringen van de getuigen die in de loop van de procedure zijn afgelegd, buiten redelijke twijfel staat dat eiser op 26 mei 2003 in het toilet van bar “[café]” cocaïne heeft gebruikt en zich derhalve heeft schuldig gemaakt aan wangedrag.

Eiser heeft aangegeven dat hij valselijk wordt beschuldigd van het gebruik van cocaïne in het toilet van bar “[café]” op 26 mei 2003. Eiser heeft in dat kader omstandig aangevoerd dat de feiten die aan het ontslag ten grondslag zijn gelegd voor gerede twijfel vatbaar zijn. De verklaringen van de getuigen zijn tegenstrijdig en het feitenonderzoek is onvolledig. Daarbij komt nog dat de getuigen dermate onder invloed van alcohol verkeerden dat aan hun verklaringen geen waarde kan worden gehecht. Eiser heeft ter ondersteuning van zijn stelling verder nog aangevoerd dat verweerder bij eiser gedurende zijn varende periode nimmer enige verslaving heeft geconstateerd en hij voorts ook niet strafrechtelijk is vervolgd.

De rechtbank is van oordeel dat genoegzaam vaststaat en niet voor gerede twijfel vatbaar is dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan het gebruik van cocaïne. Uit de getuigenverklaringen, die in mei 2003 zijn afgelegd, blijkt dat de overdracht van de cocaïne aan eiser door twee officieren is gezien. De verklaring van officier J op 17 oktober 2003 dat officier S gelet op zijn positie in het toilet ten tijde van het cocaïnegebruik deze handeling niet (volledig) heeft kunnen zien, levert naar het oordeel van de rechtbank geen onaanvaardbare tegenstrijdigheid op. Hierbij heeft de rechtbank mede gewicht toegekend aan het gegeven dat officier S op 13 januari 2004 zijn eerdere verklaring met betrekking tot het waarnemen van het cocaïnegebruik nader heeft toegelicht. Officier S heeft in dat kader verklaard dat hij eiser bij het verlaten van het toilet van de achterzijde heeft gadegeslagen. Hij zag eiser op dat moment een grijs tuutje van papier of karton met daarop wit poeder aannemen. Vervolgens zag hij dat eiser vooroverboog en hoorde hij eiser een snuivend geluid maken.

Daar komt nog bij dat tenminste drie getuigen hebben verklaard dat eiser, na daarop aangesproken te zijn in de bar, het verweten drugsgebruik heeft toegegeven. Het feit dat eiser aanvankelijk heeft ontkend doet daaraan niet af.

Eisers stelling dat niet op de verklaringen van de officieren mag worden afgegaan omdat zij op de bewuste avond dronken waren, kan geen gewicht in de schaal leggen. Eiser is er naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd zijn stelling van een deugdelijke onderbouwing te voorzien. In ieder geval heeft de rechtbank in de telefonisch op 4 augustus 2003 afgelegde verklaring van matroos K en de schriftelijke verklaring van de heer V van 9 juli 2003 onvoldoende aanknopingspunten gevonden voor de juistheid van eisers standpunt.

Dat uit de gedingstukken niet eenduidig blijkt of er naast eiser en de officieren S en J nog één of twee andere personen op het toilet waren en dat partijen verdeeld zijn over de exacte afmetingen van en de posities in het toilet acht de rechtbank niet van doorslaggevend belang, omdat het onvoldoende afbreuk doet aan hetgeen wel onomstotelijk vast staat.

Evenmin kan aan eisers argument dat verweerder bij hem nooit enige verslaving heeft geconstateerd gedurende zijn varende periode, overwegende betekenis worden gehecht. Op basis van dit gegeven kan immers niet zonder meer geconcludeerd worden dat eiser nog nooit, althans niet op die bewuste avond in mei 2003, cocaïne heeft gebruikt.

Het voorgaande in onderlinge samenhang bezien en gelet op het hiervoor weergegeven beleid, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht vastgesteld dat sprake was van wangedrag. Voorts is de rechtbank van oordeel dat het wangedrag eiser kan worden toegerekend. Gelet op het door verweerder gevoerde drugsbeleid, welk beleid binnen alle geledingen van de krijgsmacht bekend is gesteld en waar ook overigens binnen de krijgsmacht veel nadruk op wordt gelegd, wist eiser of had hij redelijkerwijs kunnen weten dat zijn handelwijze niet geoorloofd was. Verweerder was derhalve bevoegd om eiser op deze grond te ontslaan.

De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik kon maken. Het gegeven dat het Openbaar Ministerie niet is overgegaan tot strafrechtelijke vervolging vormt geen grond voor een ander oordeel. Het strafrechtelijk en disciplinair onderzoek moeten immers los van elkaar worden gezien. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van plichtsverzuim in de vorm van wangedrag is niet relevant of het gepleegde feit tevens voldoet aan een strafrechtelijke delictsomschrijving.

Nu ook anderszins niet is gebleken dat verweerder door eiser bij het besluit van 29 oktober 2003 ontslag te verlenen in strijd heeft gehandeld met enige geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden gezegd dat verweerder niet in redelijkheid tot dit ontslagbesluit heeft kunnen komen. Het bestreden besluit komt dan ook niet voor vernietiging in aanmerking.

Conclusie

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

Verklaart het beroep ongegrond.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Aldus gegeven door mr. C.J. Waterbolk, mr. C.I. Blok-Bitter en

mr. H.J. Visser, commodore b.d. van de Koninklijke Luchtmacht, militair lid, en in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2005, in tegenwoordigheid van de griffier mr. A.P.J. Heesen.

Voor eensluidend afschrift,

de griffier van de Rechtbank 's-Gravenhage,

Verzonden op: