Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AS7550

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-02-2005
Datum publicatie
04-04-2005
Zaaknummer
AWB 04/750 BESLU
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eisers willen met hun beroep vastgesteld zien dat geen grond bestond voor een verbod van de demonstratie van 12 november 2002 en daarmee voor de beperking van hun recht op betoging en het recht op vrije meningsuiting. Eisers zoeken voorts een antwoord op de principiële vraag of verweerder heeft gehandeld in strijd met de Wom, de Grondwet en het EVRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

tweede afdeling, enkelvoudige kamer

Reg. nr. AWB 04/750 BESLU

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

[eiser 1], wonende te [plaats 1], [eiser 2] , wonende te [plaats 2] en "Platform 12 november", gevestigd te Utrecht, eisers,

en

de burgemeester van Den Haag, verweerder.

Ontstaan en loop van het geding

"Platform 12 november", waarin ook eisers [eiser 1 en 2] verenigd zijn, heeft bij faxbericht van 24 oktober 2002 verweerder kennisgeving gedaan (overeenkomstig artikel 10 van de Wet openbare manifestaties, hierna: Wom) van het voornemen van een op 12 november 2002 te Den Haag te houden demonstratie.

Bij faxbericht 7 november 2002 is door eisers een toelichting gegeven op deze mededeling.

Bij besluit van 8 november 2002 is door verweerder de openbare manifestatie van "Platform 12 november" verboden.

Hiertegen hebben eisers bij brief van 14 november 2002 bezwaar gemaakt bij verweerder.

Eisers zijn op de hoorzitting van 12 augustus 2003 verschenen voor het geven van een toelichting op hun bezwaar.

Bij besluit van 8 januari 2004 heeft verweerder het bezwaar van eisers, in afwijking van het advies van de Adviescommissie Bezwaarschriften van 10 september 2003, ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben eisers bij brief van 18 februari 2004 beroep ingesteld bij deze rechtbank.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en tevens bij brief van 19 maart 2004 een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 2 februari 2005 ter zitting behandeld.

[eiser 1] is in persoon verschenen, bijgestaan door gemachtigde van eisers mr. C.J.M. van den Brûle, advocaat te Den Haag. Tevens waren aanwezig T. Combrink en H.S.B. Arts. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.J.A. Mesdag, drs. S.H.M. Koopmans en H. Schouten.

Motivering

Eisers willen met hun beroep vastgesteld zien dat geen grond bestond voor een verbod van de demonstratie van 12 november 2002 en daarmee voor de beperking van hun recht op betoging en het recht op vrije meningsuiting. Eisers zoeken voorts een antwoord op de principiële vraag of verweerder heeft gehandeld in strijd met de Wom, de Grondwet en het EVRM.

De rechtbank stelt vast dat het tijdstip waarop eisers voornemens waren te Den Haag een openbare manifestatie te houden (12 november 2002) reeds geruime tijd is verstreken en dat zij bovendien, na het verbod van de demonstratie in Den Haag, in Amsterdam hebben gedemonstreerd. Dit leidt tot de conclusie dat eisers met hun beroep niet meer kunnen bewerkstelligen wat zij met het instellen ervan hebben beoogd, namelijk het mogen houden van de demonstratie op genoemde datum te Den Haag. De rechtbank is derhalve van oordeel dat in hetgeen eisers met hun beroep hebben willen bewerkstelligen geen procesbelang kan zijn gelegen. De rechtbank verwijst daartoe naar de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 3 juli 2002 (AB 2003, 125).

Eisers hebben desgevraagd ter zitting aangegeven dat hun procesbelang voorts is gelegen in het met het oog op toekomstig te houden demonstraties verkrijgen van een principiële uitspraak omtrent de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Zoals de Afdeling herhaalde malen heeft bepaald (verwezen zij naar de uitspraak van de Afdeling van 20 november 2000, reg. nr. 199903843 / 01) kan het oogmerk een uitspraak te verkrijgen omtrent de principiële betekenis van een besluit, niet als voldoende procesbelang worden aangemerkt. Derhalve kan in het door eisers aangevoerde argument, dat slechts is gelegen in het verkrijgen van een oordeel over overheidshandelen, te weten het besluit de op 12 november 2002 te Den Haag te houden demonstratie te verbieden, niet als voldoende procesbelang worden aangemerkt.

Procesbelang kan tenslotte nog gevonden worden in schade, welke is geleden ten gevolge van het bestreden besluit. Ter zitting heeft eiser [eiser 1] aangegeven schade te hebben geleden. De rechtbank overweegt onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 5 juni 2002 (AB 2002, 349) dat voor het vaststellen van een dergelijk procesbelang tenminste tot op zekere hoogte aannemelijk moet worden gemaakt dat deze schade ook daadwerkelijk is geleden als gevolg van het bestreden besluit. Eisers hebben in het petitum van hun beroepschrift een niet nader onderbouwd verzoek tot schadevergoeding opgenomen, maar de rechtbank ziet hierin, noch in de door de gemachtigde van eisers eerst ter zitting opgestelde en overgelegde - met de hand geschreven - verklaring, een begin van bewijs op grond waarvan aannemelijk is dat eisers ten gevolge van het bestreden besluit daadwerkelijk deze schade hebben geleden. Veeleer komt het de rechtbank voor dat deze kosten (vervoers- en telefoonkosten) gemaakt zijn in de aanloop naar het bestreden besluit.

Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eisers geen belang hebben bij de inhoudelijke behandeling van hun beroep. Het beroep dient derhalve niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Aldus gegeven door mr. C.W. de Wit en in het openbaar uitgesproken op 16 februari 2005, in tegenwoordigheid van de griffier mr. W. Goederee.

Voor eensluidend afschrift,

de griffier van de Rechtbank 's-Gravenhage,

Verzonden op: