Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AS7078

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
31-01-2005
Datum publicatie
03-03-2005
Zaaknummer
AWB 03/5199 BESLU
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Voorkeursrecht op gronden waarvan de planuitwerking nog niet geheel is uitgewerkt.

Hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken gronden van beroep. ABRS, 27 april 2005, 200501044/2.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

eerste afdeling, meervoudige kamer

Reg. nr. AWB 03/5199 BESLU

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de raad van de gemeente Den Haag, verweerder.

Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 24 april 2003 heeft verweerder op grond van artikel 2 van de Wet voorkeursrecht gemeenten (Wvg) de artikelen 10-24, 26 en 27 van die wet van toepassing verklaard op de aan eiser toebehorende gronden, kadastraal bekend gemeente Den Haag, sectie [...].

Bij besluit van 23 oktober 2003, verzonden op 24 oktober 2003, heeft verweerder het tegen genoemd besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit bij brief van 27 november 2003, ingekomen op

2 december 2003 beroep ingesteld. De gronden van dit beroep zijn bij brief van 20 februari 2004 aangevuld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 9 november 2004 ter zitting behandeld.

Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. van der Gouw, mr. F.J.C. Möhlmann en ing. H.J.N. Jansen.

Motivering

In het onderhavige geval is reeds eerder, bij besluit van 19 juli 2001, een voorkeursrecht gevestigd op de grond hier in geding. Het voorkeursrecht is toen gevestigd op grond van artikel 8 van de Wvg met het oog op de verwezenlijking van het zogenoemde "Trekvliettracé". Dit besluit gold voor de maximale termijn van 2 jaar en is op 19 juli 2003 van rechtswege komen te vervallen. Op dezelfde grond is door verweerder bij besluit van 24 april 2003 opnieuw, dit keer op grond van artikel 2 van de Wvg, een voorkeursrecht gevestigd voor de duur van twee jaar. De grondslag voor dit gevestigde voorkeursrecht wordt gevormd door het "Regionaal Structuurplan Haaglanden" (hierna: Structuurplan) dat op 20 februari 2002 door het Stadsgewest Haaglanden is vastgesteld.

Eiser is van mening dat er nog steeds geen concrete plannen zijn met betrekking tot het Trekvliettracé voor het gebied waarin de betreffende grond van hem ligt. Volgens eiser is de variant waarin het tracé door of onder het gebied waarin zijn grond ligt, zou lopen, technisch gezien niet haalbaar. Gelet op de grote onzekerheid over de financiële en planologische haalbaarheid van dit tracé had er niet voor de tweede keer een voorkeursrecht op zijn grond mogen worden gevestigd. Voorts is het hem volstrekt onduidelijk waarom een voorkeursrecht op zijn grond wordt gevestigd. Ook in het structuurplan wordt niets concreets gemeld met betrekking tot de grond van eiser. Verder is niet duidelijk waarom op de naast gelegen grond (van Delta Lloyd) geen voorkeursrecht is gevestigd.

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat het Structuurplan de mogelijkheid biedt om op grond van artikel 2 van de Wvg een aanwijzingsbesluit te nemen. Voorts is verweerder van mening dat uit het Structuurplan blijkt dat de betreffende grond een nieuwe bestemming zal krijgen, deels wegens het Trekvliettracé, deels wegens de herstructurering van het gebied de Binckhorst als geheel. Met betrekking tot het punt van het weer vestigen van een voorkeursrecht op dezelfde grond stelt verweerder zich op het standpunt dat nu het in het onderhavige geval een voorkeursrecht betreft op een andere grondslag, te weten het Structuurplan, artikel 9 van de Wvg zich niet verzet tegen het vestigen van het onderhavige voorkeursrecht.

In het verweerschrift en ter zitting heeft verweerder daar aan toegevoegd dat het feit dat dit tracé niet op korte termijn zal worden gerealiseerd niet betekent dat het geen doorgang zal vinden. De voorbereiding van de ontwikkeling van het tracé en de herstructurering van het bedrijventerrein Binckhorst is in volle gang. De toegedachte bestemmingen voor de grond wijken in voldoende mate af van het bestaande gebruik. Aan de wettelijke vereisten voor toepassing van het voorkeursrecht is voldaan. Voorts stelt verweerder dat ook op het tussen de grond van eiser en de Binckhorstlaan gelegen grond een voorkeursrecht is gevestigd.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 2, eerste lid van de Wvg kunnen bij besluit van de gemeenteraad gronden, begrepen in een structuurplan, waarbij aanwijzingen zijn gegeven voor de bestemming, of in een bestemmingsplan, worden

aangewezen als gronden, waarop de artikelen 10-24, 26 en 27 van de Wvg van toepassing zijn.

In artikel 2, tweede lid, van de Wvg is bepaald dat voor een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid alleen in aanmerking komen de gronden, waaraan bij het structuurplan, onderscheidenlijk het bestemmingsplan een niet-

agrarische bestemming is toegedacht, onderscheidenlijk gegeven en waarvan het gebruik afwijkt van dat plan.

Ingevolge artikel 2a, eerste lid, van de Wvg kan een besluit als bedoeld in artikel 2, eerste lid, of artikel 8, eerste lid, worden genomen door de raad van een gemeente, waaraan zelfstandig of samen met andere gemeenten blijkens nationaal of provinciaal ruimtelijk beleid uitbreidingscapaciteit is toegedacht of gegeven.

Blijkens de plankaart behorend bij het Structuurplan heeft het gebied waarin de betreffende grond ligt de bestemming "Bestaand bedrijventerrein herstructureren" en "Regionale weg indicatief geprojecteerd" gekregen. De bestemming "Regionale weg indicatief geprojecteerd" heeft betrekking op het Trekvliettracé. De bestemming "bestaand bedrijventerrein herstructureren" ziet wat het betreffende gebied betreft op het herstructureren en het upgraden van het bedrijventerrein Binckhorst.

De rechtbank stelt vast dat er weliswaar nog veel onduidelijkheid bestaat over het traject en de haalbaarheid van het Trekvliettracé, maar dat de voorbereiding van de ontwikkeling van dit tracé niet is stilgelegd, maar juist gestaag vordert. Dat er over de haalbaarheid van het Trekvliettracé nog steeds planologische en financiële onzekerheid bestaat, is inherent aan het karakter van het Structuurplan. Over die haalbaarheid zal in andere procedures meer duidelijkheid komen. Niet vereist is dat in dit stadium van voorbereiding al volledige zekerheid over de haalbaarheid van het project wordt gegeven. Op grond van de stukken van het geding en hetgeen ter zitting is verklaard, kan worden vastgesteld dat in ieder geval één van de in deze fase van voorbereiding voorliggende varianten van het Trekvliettracé het gebied betreft waarin de grond van eiser ligt.

De herstructurering van het bedrijventerrein Binckhorst is nader uitgewerkt in het door de gemeenteraad vastgestelde rapport "Gebiedsvisie Binckhorst" uit 2003 dat voortborduurt op het rapport "Visie Binckhorst" uit 2002. Blijkens het Structuurplan en de uitwerking daarvan in dit rapport wordt met de herstructurering van dit terrein een intensivering van het ruimtegebruik en menging van andere functies, als wonen en voorzieningen, beoogd waardoor een aantrekkelijk stedelijk milieu kan ontstaan en de werkgelegenheidsfunctie kan worden versterkt. Aan het bedrijventerrein worden in dit rapport dan ook bestemmingen toegedacht als detailhandel, woningen, sportfaciliteiten en verkeersvoorzieningen. Aan het deelgebied waarin de grond van eiser zich bevindt, wordt de bestemming wonen toegedacht.

Niet ter discussie staat dat volgens het thans vigerende bestemmingsplan op de betreffende grond de bestemming bedrijven, detailhandel, kantoor en bijzondere doeleinden-school rust. Op het perceel staat een grote hal en een kantoorgebouw die worden verhuurd aan een groothandel in ijzerwaren en in vleeswaren. Verder is op het perceel een kinderdagverblijf gevestigd.

Op grond van het bovenstaande concludeert de rechtbank dat de bestemmingen die blijkens het Structuurplan en de uitwerking hiervan zijn toegedacht aan de onderhavige grond niet-agrarisch zijn en afwijken van het huidige gebruik van de betreffende gronden. Aan de formele toepassingsvoorwaarden van artikel 2 van de Wvg is derhalve voldaan.

Er zijn de rechtbank geen feiten of omstandigheden gebleken die leiden tot het oordeel dat verweerder, de belangen afwegende, niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot het vestigen van het voorkeursrecht. De thans nog bestaande onzekerheid over de haalbaarheid van het Trekvliettracé noopt niet tot een andere conclusie.

Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep ongegrond.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Aldus gegeven door mrs. M. Munsterman, M.E. Groeneveld-Stubbe en J.L.W. Aerts en in het openbaar uitgesproken op 31 januari 2005, in tegenwoordigheid van de griffier drs. A.C.P. Witsiers.

bij verhindering van mr. Munsterman getekend door mr. Groeneveld