Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AS6592

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-02-2005
Datum publicatie
03-03-2005
Zaaknummer
AWB 04/28266
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Amv / adequate opvang / China.

De rechtbank is van oordeel dat, nu de asielaanvraag van eiseres dateert van 9 april 2000, het beleid van toepassing is zoals dat gold vóór 4 januari 2001 en derhalve ook de definitie van adequate opvang, zoals geformuleerd in TBV 1996/1 en in hoofdstuk B7/13 Vc 1994. Verweerder heeft derhalve terecht aan dit beleid getoetst. Op 9 april 2001 is een ambtsbericht uitgebracht over de positie van minderjarigen in China. Op grond van het ter plaatse verrichte onderzoek wordt in dit ambtsbericht geconcludeerd dat in China adequate opvang voor Chinese minderjarigen aanwezig is ongeacht de leeftijd van de vreemdeling. De rechtbank overweegt dat eiseres indertijd niet uit een weeshuis of soortgelijke instelling is ontvoerd, maar dat zij juist werd ontvoerd, terwijl haar toen geen adequate opvang werd geboden, terwijl die thans wel aanwezig is. Het argument van eiseres dat de bestreden beschikking onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen, omdat geen rekening is gehouden met individuele omstandigheden, slaagt niet, aangezien zij niet heeft gesteld of aangetoond dat in haar geval geen adequate opvang aanwezig is. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank ’s-Gravenhage

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer, enkelvoudig

__________________________________________________

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht

__________________________________________________

Reg.nr : AWB 04/28266 BEPTDN

Inzake : [A], eiseres, V-nummer [v-nummer], woonplaats kiezende ten kantore van haar gemachtigde, mr. M. Soffers, advocaat te Den Haag

tegen : de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, voorheen de Staatssecretaris van Justitie, verweerder, gemachtigde mr. A. van Dijck, juridisch medewerker bij het kantoor van de Landsadvocaat te Den Haag.

I. PROCESVERLOOP

1. Eiseres, geboren op [geboortedatum] 1984, bezit de Chinese nationaliteit. Op 20 september 2002 heeft verweerder de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 Vw 2000 onder de beperking ‘verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling’ ingetrokken. Eiseres heeft tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend. Op 26 mei 2004 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij schrijven van 22 juni 2004 heeft eiseres tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

3. De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 26 januari 2005. Eiseres is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

II. OVERWEGINGEN

1. In dit geding dient te worden beoordeeld of het bestreden besluit in het licht van de daartegen aangedragen beroepsgronden de toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

2. Eiseres stelt dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte de intrekking van haar verblijfsvergunning voor bepaalde tijd met als doel ‘verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling’, heeft gehandhaafd. Volgens haar is de bestreden beschikking onzorgvuldig en onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd. Daartoe heeft zij –samengevat- het volgende aangevoerd.

Nu zij op 9 april 2000 in Nederland asiel heeft aangevraagd, is op haar het oude beleid zoals vastgelegd in TBV 1996/1 en paragraaf B7/13.7 van de Vreemdelingencirculaire 1994 (Vc 1994) van toepassing. Intrekking dan wel niet verlenging van haar verblijfsvergunning is op grond van dit beleid slechts mogelijk indien nieuwe informatie over ouders en/of verwanten beschikbaar komt, waardoor zou blijken dat er mogelijkheden tot opvang in het land van herkomst zouden bestaan. Deze informatie is in casu niet naar voren gekomen. Weliswaar volgt uit TBV 1996/1 dat adequate opvang kan worden tegengeworpen indien er informatie beschikbaar komt dat in het land van herkomst opvangmogelijkheden zijn, maar gezien het bepaalde in de Vreemdelingencirculaire omhelst adequate opvang, opvang bij ouders en/of verwanten en niet de algemene opvang- en weestehuizen. Eiseres meent dat het nieuwe beleid zoals vastgelegd in TBV 2002/13 niet op haar van toepassing kan zijn. In dit verband heeft zij verwezen naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 4 maart 2004, AWB 03/4829.

Voorts heeft eiseres aangevoerd dat zij op [geboortedatum] 2002 meerderjarig is geworden. Indien zij reeds voor de beleidswijziging van TBV 2002/13 meerderjarig geworden zou zijn, zou zij niet geconfronteerd zijn met een intrekking van haar verblijfsvergunning. Dit is volgens haar een ontoelaatbaar onderscheid naar leeftijd.

Tevens heeft eiseres zich op het standpunt gesteld dat de bestreden beschikking onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen, nu geen rekening is gehouden met individuele omstandigheden. Er kan niet worden gesproken van adequate opvang want uit het niet betwiste asielrelaas blijkt dat zij na het overlijden van haar vader is opgevangen door een vriend van de familie die haar heeft overgedragen aan een man die haar naar het buitenland heeft gebracht om als bordeelmeisje te gaan werken. Voorts speelt mee in hoeverre zij in China als verkrachte vrouw zal worden geaccepteerd. Verweerder had het individuele relaas moeten meewegen bij de beschikking. In dit kader heeft eiseres verwezen naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, AWB 04/10537, LJN AP3459.

Ten slotte heeft eiseres aangevoerd dat zij in de bezwaarfase ten onrechte niet gehoord is door verweerder. In verband hiermee heeft zij verwezen naar een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, van 15 november 2004, 200406403/1.

3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de verblijfsvergunning van eiseres terecht is ingetrokken en dat uitzetting niet achterwege hoeft te blijven.

4. Ingevolge artikel 14, lid 2, Vw 2000, wordt een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder beperkingen verleend, verband houdende met het doel waarvoor het verblijf is toegestaan. Daarbij is bepaald dat aan de vergunning voorschriften kunnen worden verbonden.

Artikel 3.4, lid 1, onder y Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) vermeldt dat de in artikel 14, lid 2, Vw 2000 bedoelde beperkingen verband kunnen houden met verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling.

De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdende met verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling (amv) kan ingevolge het bepaalde in artikel 3.56 van het Vb 2000 worden verleend aan de vreemdeling:

a. wiens aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 is afgewezen, anders dan met toepassing van artikel 30 van de Vw 2000;

b. die zich naar het oordeel van Onze Minister niet zelfstandig kan handhaven in het land van herkomst of een ander land waar hij redelijkerwijs naar toe kan;

c. voor wie naar het oordeel van onze minister, naar plaatselijke maatstaven gemeten, adequate opvang ontbreekt in het land van herkomst of een ander land waar hij redelijkerwijs naar toe kan gaan.

Op grond van artikel 19 Vw 2000 in samenhang met artikel 18, eerste lid onder f, Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden ingetrokken indien niet wordt voldaan aan de beperking waaronder een vergunning is verleend of een voorschrift dat aan de vergunning is verbonden.

5. De rechtbank overweegt het volgende.

Het door verweerder gevoerde beleid inzake alleenstaande minderjarige asielzoekers (ama’s, thans amv’ers), zoals dat gold van 15 maart 1996 tot 4 januari 2001 en is verwoord in hoofdstuk B7/13 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 1994, is aanvullend neergelegd in het Tussentijds Bericht Vreemdelingencirculaire (TBV) 1996/1. De tekst van dit TBV verving de tekst van de Vc 1994 onder B7/13. Blijkens een publicatie in de Staatscourant 2000, 77, is voornoemd TBV krachtens TBV 2000/7 verlengd tot 1 januari 2001. Nadien is de tekst van TBV 1996/1 opnieuw verlengd voor alle gevallen waarin de aanvraag asiel is ingediend vóór 4 januari 2001, bij TBV 2000/30, TBV 2001/6, TBV 2001/34 en laatstelijk bij TBV 2002/13. De rechtbank is van oordeel dat, nu de asielaanvraag van eiseres dateert van 9 april 2000, het beleid van toepassing is zoals dat gold vóór 4 januari 2001 en derhalve ook de definitie van adequate opvang, zoals geformuleerd in voormeld TBV 1996/1 en in het beleid in Vc 1994 (oud) B7/13. Verweerder heeft derhalve terecht aan dit beleid getoetst.

Op 9 april 2001 heeft de Minister van Buitenlandse Zaken een ambtsbericht uitgebracht over de positie van minderjarigen in China. Op grond van het ter plaatse verrichte onderzoek wordt in dit ambtsbericht geconcludeerd dat in China adequate opvang voor Chinese minderjarigen aanwezig is, ongeacht de leeftijd van de vreemdeling.

Op grond van TBV 2002/13 wordt de vergunning van vreemdelingen die vóór 4 januari 2001 een asielaanvraag hebben ingediend, in het bezit zijn van een ama-vergunning en op het moment van beslissen 18 jaar of ouder geworden zijn, niet ingetrokken.

Uit TBV 2002/13 blijkt dat van vreemdelingen die een asielaanvraag vóór 4 januari 2001 hebben ingediend, in het bezit zijn van een ama-vergunning en die nog minderjarig zijn, de verblijfsvergunning dient te worden ingetrokken, omdat er geen sprake is van een nieuwe intrekkingsgrond, maar dat is gebleken dat in China adequate opvang voorhanden is, hetgeen ook onder het beleid van vóór 4 januari 2001 reeds een intrekkingsgrond was.

De rechtbank is van oordeel dat het begrip adequate opvang voor minderjarige Chinezen in TBV 1996/1 ruimer is geformuleerd dan in de oude Vc onder B7/13. Dat betekent dat informatie zoals vervat in dit ambtsbericht - ook onder de vigeur van het in TBV 1996/1 neergelegde beleid - tot intrekking van een verblijfsvergunning voor een alleenstaande minderjarige Chinese vreemdeling kan leiden. Dit beleid gold reeds toen eiseres in Nederland terechtkwam, zodat reeds ten tijde van haar aanvraag geen sprake was van gewekt vertrouwen dat gewijzigde inzichten omtrent opvangmogelijkheden in China haar niet konden worden tegengeworpen.

Dat deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, daar in een uitspraak van 4 maart 2004 (met nummer AWB 03/4829), een ander standpunt over heeft ingenomen doet hieraan niets af, temeer niet nu de rechtbank bij uitspraak van deze zittingsplaats van 7 mei 2004 (AWB 02/87013) in de zin zoals nu opnieuw verwoord in deze uitspraak heeft geoordeeld.

Een en ander betekent dat het toepassen van dit beleid geen schending van het vertrouwensbeginsel oplevert.

6. Eiseres heeft verder een beroep gedaan op de artikelen 2 en 3 van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK).

6.1 Om te kunnen beoordelen of het genoemde beleid dan wel het bestreden besluit in strijd is met deze bepalingen dient ten eerste de vraag beantwoord te worden of deze artikelen zijn aan te merken als een ieder verbindend in de zin van artikel 93 van de Grondwet (Gw).

Een verdragsbepaling is naar haar inhoud een ieder verbindend, als bedoeld in deze bepaling, indien zij voldoet aan twee voorwaarden: 1) bij de uitvoering of naleving zijn rechtstreeks belangen van particulieren betrokken en 2) de bepaling moet naar haar inhoud dusdanig concreet en van dien aard zijn dat zij door het bestuursorgaan of de rechter rechtstreeks kan worden toegepast.

De rechtbank verwijst hierbij naar de jurisprudentie van de Hoge Raad (HR 30 mei 1986, NJ 1986/688 en HR 18 april 1995, NJ 1995/619).

6.2 De rechtbank is van oordeel dat artikel 2 IVRK als een zodanige bepaling moet worden aangemerkt. Hiertoe wordt overwogen dat artikel 2 IVRK inhoudelijk eenzelfde norm bevat als artikel 26 IVBPR en artikel 14 van het EVRM, namelijk een verbod van discriminatie. Blijkens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, en overigens ook van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en de Centrale Raad van Beroep, zijn deze bepalingen een ieder verbindend, zodat de rechtbank geen grond ziet anders te oordelen ten aanzien van artikel 2 IVRK.

6.3 Artikel 3 IVRK is naar het oordeel van de rechtbank niet een ieder verbindende bepaling in de zin van artikel 93 Gw. Hiertoe wordt overwogen dat art. 3 IVRK in de authentieke Engelse tekst als ook in de Nederlandse vertaling een niet concrete en zeer algemeen geformuleerde bepaling is, hetgeen aan rechtstreekse toepassing van die bepaling in de weg staat. Ook is bij de behandeling van de goedkeuringswet van het IVRK de rechtstreekse werking van het verdrag aan de orde geweest. In de opsomming van artikelen met rechtstreekse werking, die staat opgenomen in de memorie van toelichting (TK 1992-1993, 22 855, nr 3., p. 8 en 9), komt art. 3 IVRK niet voor. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 23 september 1988, NJ 1989/743 kan die omstandigheid in dit geval een ondersteuning vormen van het oordeel dat art. 3 IVRK niet een ieder verbindend is, zoals bedoeld in art. 93 GW. Op de bepaling kan dan ook geen rechtstreeks beroep worden gedaan.

6.4 Het vorenstaande betekent dat artikel 3 van het IVRK door uitwerking in wet en beleid zijn doorwerking moet hebben in de Nederlandse rechtsorde. Bij de beantwoording van de vraag of het in dit geval door verweerder toegepaste beleid de toets aan artikel 3:4, tweede lid, van de Awb, kan doorstaan, dient daarom te worden betrokken of artikel 3 van het IVRK daarin op voldoende wijze doorwerking heeft gevonden.

De rechtbank overweegt dat in C2/7.2 van de Vc2000 als uitgangspunt is geformuleerd dat het in beginsel in belang van het kind is om terug te keren naar het land van herkomst, mits aldaar adequate opvang aanwezig is. Ter toelichting is hierbij vermeld dat weinig kinderen baat hebben bij scheiding van hun ouders dan wel van hun omgeving. Dit beleid komt de rechtbank ook in het licht van artikel 3 van het IVRK niet kennelijk onevenredig of anderszins rechtens onjuist voor, met name gelet op lid 2 van dit artikel, dat bepaalt dat staten die partij zijn bij het verdrag zich ertoe verbinden het kind te verzekeren van de bescherming en de zorg die nodig zijn voor zijn of haar welzijn, rekening houdend met de rechten en plichten van zijn of haar ouders, wettige voogden of anderen die wettelijk verantwoordelijk voor het kind zijn, en dat deze staten hiertoe alle passende wettelijke en bestuurlijke maatregelen nemen. Daarbij neemt de rechtbank tevens in aanmerking dat van de zijde van eiseres niet is beargumenteerd waarom dit beleidsuitgangspunt strijdig zou zijn met artikel 3 IVRK. Evenmin is beargumenteerd waarom de invulling die verweerder aan de hand van de informatie vervat in het ambtsbericht van 9 april 2001 heeft gegeven aan het begrip adequate opvang niet met artikel 3 van het IVRK in overeenstemming zou zijn, en de rechtbank ziet ook voor het overige geen grond voor een dergelijk oordeel. De rechtbank ziet namelijk geen grond voor het oordeel dat verweerder opvang in een van overheidswege georganiseerd wees- of verzorgingstehuis niet heeft mogen begrijpen als bescherming en zorg door “anderen die wettelijk verantwoordelijk” zijn in de zin van artikel 3, tweede lid, van het IVRK, mits die opvang adequaat is. Dat de Nederlandse autoriteiten, naar eiseres heeft betoogd, door haar in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning de verantwoordelijkheid van de Chinese autoriteiten hebben overgenomen maakt dit niet anders. Op dat moment werd er namelijk van uitgegaan dat voor eiseres geen adequate opvang in China voorhanden was, zodat het belang van eiseres als minderjarige vergde dat de Nederlandse overheid de verantwoordelijkheid voor haar op zich nam, zolang in China dergelijke opvang niet voorhanden was en zolang de betrokkene minderjarig was. Bij het bereiken van de meerderjarigheid vervallen immers de uit (artikel 3 van) het IVRK voortvloeiende verplichtingen. Daarom is het voeren van een specifiek beleid voor minderjarigen naar het oordeel van de rechtbank niet aan te merken als een ongerechtvaardigde ongelijke behandeling ten opzichte van meerderjarigen, zoals door eiseres is betoogd. Voor zover in dat verband een beroep is gedaan op artikel 2 van het IVRK overweegt de rechtbank bovendien dat op grond van artikel 1 IVRK het verdrag enkel ziet op minderjarigen, zodat verschillende behandeling tussen minderjarigen enerzijds en meerderjarigen anderzijds buiten de werkingssfeer van dit verdrag valt. Op grond van artikel 8:69, tweede lid, Awb de rechtsgronden aanvullend vat de rechtbank het beroep op discriminatie op als een beroep op artikel 26 van het IVBPR. Deze bepaling is naar het oordeel van de rechtbank niet geschonden. Er is immers sprake van een gerechtvaardigd onderscheid tussen minderjarigen en meerderjarigen, zoals hierboven weergegeven.

6.5 Gezien vorenstaande overwegingen spitst het geschil zich toe op de vraag of verweerder op goede gronden heeft aangenomen dat voor eiseres adequate opvang aanwezig was in China. De informatie vervat in het ambtsbericht van 9 april 2001 is door eiseres niet bestreden. Zij heeft aangevoerd dat de opvang onvoldoende adequaat is nu zij niet voldoende beschermd wordt tegen mensensmokkelaars en dit beargumenteerd door te verwijzen naar de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat zij in Nederland terecht is gekomen.

De rechtbank overweegt dat eiseres indertijd niet uit een weeshuis of soortgelijke instelling is ontvoerd, maar dat zij, uitgaande van haar relaas, juist werd ontvoerd terwijl – en wellicht juist omdat – haar toen geen adequate opvang werd geboden, terwijl die thans wel aanwezig is. Het argument van eiseres dat de bestreden beschikking onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen, omdat geen rekening is gehouden met individuele omstandigheden, slaagt niet, aangezien zij niet heeft gesteld of aangetoond dat in haar geval geen adequate opvang aanwezig is.

Voorts is gesteld noch gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder op grond van artikel 4:84 Awb van het beleid had moeten afwijken.

7. Nu eiseres er niet in is geslaagd aan te tonen dat in haar geval geen adequate opvang aanwezig is, ofwel dat zij bij terugkeer zal worden geplaatst in een weeshuis of verzorgingshuis dat, naar lokale maatstaven gemeten, niet als adequaat kan worden aangemerkt, wordt niet voldaan aan de in artikel 3.56 onder c, Vb 2000 genoemde voorwaarde voor verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdende met verblijf als amv. Eiseres voldoet derhalve niet meer aan de beperking waaronder haar een vergunning is verleend

8. Met betrekking tot de grief van eiseres dat zij niet op haar bezwaarschrift is gehoord, overweegt de rechtbank het volgende. De vraag of in bezwaar al dan niet een hoorplicht bestaat wordt beheerst door het bepaalde in hoofdstuk 7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Uitgangspunt is dat er een hoorplicht bestaat, tenzij een van de uitzonderingen van artikel 7:3 Awb zich voordoet. Er is sprake van een kennelijk ongegrond bezwaar wanneer uit het bezwaarschrift zelf reeds aanstonds blijkt dat de bezwaren van de indiener ongegrond zijn en er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over die conclusie. Daarbij moet de inhoud van het bezwaarschrift worden beoordeeld in samenhang met hetgeen in eerste instantie door betrokkene is aangevoerd en met de motivering van de primaire beslissing. De rechtbank is, gelet op de inhoud van het bezwaarschrift bezien in samenhang met hetgeen eiseres in eerste instantie heeft aangevoerd en hetgeen in de primaire beslissing daaromtrent is overwogen, van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar en dat deswege van het horen van eiseres kon worden afgezien. In de gronden van bezwaar is namelijk louter gesteld dat alleen opvang door ouders en/of verwanten in China als adequaat mag worden aangemerkt. Met name bevat het bezwaarschrift geen aanknopingspunt voor een beoordeling of individuele omstandigheden aan de zijde van eiseres tot een andere beslissing noopten; de in dat verband naar voren gebrachte argumenten zijn eerst in de beroepsgronden naar voren gebracht. De grief faalt derhalve.

9. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder op goede gronden de verblijfsvergunning van eiseres heeft ingetrokken. Voorts is niet gebleken van overige feiten of omstandigheden op grond waarvan geoordeeld zou moeten worden dat het bestreden besluit geen stand kan houden.

10. Het beroep is derhalve ongegrond.

11. De rechtbank acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. J.L. Verbeek en in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2005, in tegenwoordigheid van mr. M. de Graaf, griffier.

RECHTSMIDDEL

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt vier weken na de verzending van de uitspraak door de griffier.

Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet worden geadresseerd aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. (Nadere informatie www.raadvanstate.nl)

afschrift verzonden op: