Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AS6014

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-01-2005
Datum publicatie
14-04-2005
Zaaknummer
AWB 03/30282
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voortgezet verblijf / ontbreken mvv / hardheidsclausule.

Nu de feitelijke gezinsband is verbroken met ingang van 26 augustus 1998, heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt kunnen stellen dat vanaf deze datum niet meer werd voldaan aan de voorwaarden van het verblijfsrecht ex artikel 10, lid 2, Vw (oud) van eiser. Bedoeld verblijfsrecht is ingevolge artikel 109 Vb (oud) komen te vervallen vier weken na 26 augustus 1998. De omstandigheid dat de feitelijke gezinsband op een later tijdstip weer is hersteld maakt het vorenstaande niet anders. Eiser heeft niet tijdig, dat wil zeggen binnen zes maanden na het vervallen van zijn verblijfsrecht ex artikel 10, lid 2, Vw (oud), om voortgezet verblijf verzocht. Verweerder stelt zich op het standpunt dat toepassing van het mvv-vereiste niet zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Eiser kan geen rechten meer kan ontlenen aan zijn eerdere, legale, verblijf in Nederland. Uit informatie van de vreemdelingendienst is gebleken dat eiser nog familie heeft in Turkije die hem wellicht kunnen helpen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met het voorgaande - in onderlinge samenhang bezien - voldoende steekhoudende argumenten aangedragen om zich in redelijkheid op het standpunt te kunnen stellen dat er geen sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard zoals bedoeld in artikel 3.71, lid 4, Vb 2000. Verweerder kon derhalve vasthouden aan het vereiste bezit van een geldige mvv. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

ZITTINGHOUDENDE TE ’S-HERTOGENBOSCH

sector bestuursrecht

enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken

UITSPRAAK

Zaaknummer : AWB 03/30282

Datum uitspraak: 11 januari 2005

Uitspraak op het beroep in het geschil tussen:

A, geboren op [...] 1960 en van Turkse nationaliteit, eiser,

gemachtigde mr. K.L.W. Brummans, advocaat te Venlo,

en

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie te ’s-Gravenhage, verweerder.

I. PROCESVERLOOP

Eiser is op 24 april 1987 Nederland ingereisd en heeft zich op 11 mei 1987 aangemeld bij de korpschef van de gemeente B, alwaar hij in het bezit is gesteld van een vergunning tot verblijf, met als doel: "verblijf bij echtgenote C".

Op 20 mei 1988 is eiser van rechtswege in het bezit gesteld van een vergunning tot verblijf voor onbepaalde tijd. Het huwelijk, op grond waarvan eiser verblijf in Nederland heeft gekregen, is op 26 augustus 1998 feitelijk verbroken. Op 30 januari 2001 is de echtscheiding ingeschreven.

Op 31 juli 2001 heeft eiser een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, met als doel: "voortgezet verblijf na verbreking huwelijk".

Bij besluit van 25 maart 2002, op diezelfde datum aan eiser bekendgemaakt, heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen wegens het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Daarbij heeft verweerder eiser medegedeeld dat hij de behandeling van een in te dienen bezwaarschrift niet in Nederland mag afwachten en dat hij Nederland binnen vier weken uit eigen beweging dient te verlaten.

Bij brief van 3 april 2002 heeft eiser tegen voornoemd besluit bezwaar gemaakt bij verweerder. De gronden van het bezwaar dateren van 21 mei 2002.

Op 5 april 2002 heeft eiser de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht om hangende de beslissing op bezwaar een voorlopige voorziening te treffen.

Bij besluit van 29 april 2003, op 1 mei 2003 aan eiser bekendgemaakt, heeft verweerder het bezwaarschrift van eiser ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder eiser medegedeeld dat hij de behandeling van een in te dienen beroepschrift niet in Nederland mag afwachten.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 23 mei 2003 beroep ingesteld.

Tevens heeft eiser op 23 mei 2003 de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht om hangende de beslissing op beroep een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek is geregistreerd onder zaaknummer AWB 03/30279.

Bij brief van 17 juni 2003 heeft eiser de gronden van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening aangevuld.

Verweerder heeft naar aanleiding van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening de op de zaken betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening zijn behandeld ter zitting van 10 januari 2005, waar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder is ter zitting vertegenwoordigd door mr. Y.E.A.M. van Hal. Als tolk was aanwezig G. Dogruyol.

II. OVERWEGINGEN

Aan de orde is de vraag of het besluit van 29 april 2003 in rechte stand kan houden. Dit besluit strekt tot ongegrondverklaring van eisers bezwaren tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, met als doel: "voortgezet verblijf na verbreking huwelijk".

Namens eiser is –kort samengevat – aanspraak gemaakt op vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van artikel 17, eerste lid, aanhef en onder f van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), dan wel op toepassing van de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 3.71, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000).

De rechtbank overweegt als volgt.

Op grond van artikel 16, eerste lid, onder a, van de Vw 2000 kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 worden afgewezen indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd.

Op grond van artikel 3.71, eerste lid van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) wordt de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 afgewezen indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv.

In artikel 17 van de Vw 2000 en in artikel 3.71, tweede lid, van het Vb 2000 is een aantal categorieën vreemdelingen genoemd die zijn vrijgesteld van het vereiste bezit van een mvv.

Het vierde lid van evenbedoeld artikel 3.71 brengt met zich dat het mvv-vereiste buiten toepassing wordt gelaten, indien de toepassing daarvan naar het oordeel van verweerder zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Het betreft hier de zogenoemde hardheidsclausule.

Onbetwist is dat eiser ten tijde van de aanvraag niet in het bezit was van een geldige mvv.

Op grond van het door eiser ingeroepen artikel 17, eerste lid, onder f, van de Vw 2000 geldt het mvv-vereiste niet voor de vreemdeling die tijdig een aanvraag tot wijziging van een verblijfsvergunning heeft ingediend.

Voor zover eiser stelt dat hij valt onder de vrijstellingscategorie, zoals genoemd in artikel 17, eerste lid, onder f, van de Vw 2000, stelt de rechtbank vast dat het mvv-vereiste niet van toepassing is op een aanvraag om voortgezet verblijf. Daarvan is ingevolge hoofdstuk B1/1.2.3. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) sprake indien de vreemdeling:

a. houder van een verblijfsvergunning (asiel of regulier, voor (on)bepaalde tijd) of Nederlander is geweest; en

b. de aanvraag (tot het verlenen, het wijzigen of het verlengen van een verblijfsvergunning) is ontvangen binnen de redelijke termijn van zes maanden nadat het verblijfsrecht op grond van de eerdere verblijfsvergunning of het Nederlanderschap is geëindigd; en

c. geen onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden, terwijl die gegevens tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag tot het verlenen of verlengen zouden hebben geleid; en

d. zijn hoofdverblijf niet buiten Nederland heeft gevestigd.

Verder meldt hoofdstuk B1/1.2.3. van de Vc 2000 dat de aanvraag tot het verlenen, het verlengen of wijzigen van een verblijfsvergunning die is ontvangen nadat de geldigheidsduur van de eerdere verblijfsvergunning is afgelopen dan wel nadat de eerdere verblijfsvergunning is ingetrokken, maar die nog wel is ontvangen binnen de redelijke termijn van zes maanden, wordt getoetst aan de voorwaarden voor voortgezet verblijf. Voorts wordt een aanvraag tot het verlenen, verlengen of wijzigen van het verblijfsdoel van een verblijfsvergunning die meer dan zes maanden na afloop van de geldigheidsduur van de eerdere verblijfsvergunning is ontvangen, in beginsel afgewezen vanwege het ontbreken van een mvv, tenzij er sprake is van feiten en omstandigheden waardoor de te late indiening van de aanvraag niet aan de vreemdeling is toe te rekenen.

Gebleken is dat eiser sedert 20 mei 1988 in het bezit was van verblijfsrecht ingevolge artikel 10, tweede lid, van de Vreemdelingenwet (Stb. 1965, 40, Vw (oud)).

Ingevolge artikel 109 van het bij deze wet behorende Vreemdelingenbesluit (Vb (oud)) komt het verblijfsrecht ex artikel 10, tweede lid, van de Vw (oud) te vervallen vier weken na het tijdstip waarop de vreemdeling niet langer voldoet aan de voorwaarden.

Vaststaat dat eiser op 26 augustus 1998 de echtelijke woning heeft verlaten en zich elders heeft gevestigd. Op 15 november 2001 heeft eisers voormalige echtgenote tegenover de vreemdelingendienst verklaard dat zij vanaf die datum niet meer feitelijk heeft samengewoond met haar ex man, waarna de echtscheiding op 30 januari 2001 is ingeschreven. Naar het oordeel van de rechtbank is er aldus vanaf 26 augustus 1998 sprake geweest van een niet als tijdelijk aan te merken verbreking van de samenwoning tussen eiser en zijn voormalige echtgenote. Nu de feitelijke gezinsband is verbroken met ingang van 26 augustus 1998, heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt kunnen stellen dat vanaf deze datum niet meer werd voldaan aan de voorwaarden van eisers verblijfsrecht ex artikel 10, tweede lid, van de Vw (oud). Met verweerder moet derhalve worden vastgesteld dat evenbedoeld verblijfsrecht ingevolge artikel 109 van het Vb (oud) is komen te vervallen vier weken na 26 augustus 1998. De omstandigheid dat de feitelijke gezinsband op een later tijdstip weer is hersteld maakt het vorenstaande niet anders en betekent evenmin dat het inmiddels vervallen verblijfsrecht zou herleven.

Op grond van het vorenstaande moet worden vastgesteld dat eiser niet tijdig, dat wil zeggen binnen zes maanden na het vervallen van zijn verblijfsrecht ex artikel 10, tweede lid, Vw (oud), om voortgezet verblijf heeft verzocht. Daarnaast is niet gebleken van feiten en omstandigheden waardoor de te late indiening van de aanvraag niet aan eiser is toe te rekenen, zodat verweerder naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid de onderhavige aanvraag als een eerste aanvraag om toelating heeft kunnen aanmerken.- De gestelde onbekendheid met de toepasselijke regelgeving acht de rechtbank onvoldoende zwaarwegend om tot een ander oordeel te komen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dan ook in redelijkheid kunnen besluiten dat eiser niet in aanmerking komt voor vrijstelling op grond van artikel 17, eerste lid, onder f, van de Vw 2000.

Ten aanzien van eisers aanspraken op de hiervoor reeds genoemde hardheidsclausule ex artikel 3.71, vierde lid van het Vb 2000 overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank stelt voorop dat uit de wetsgeschiedenis blijkt dat zij zich terughoudend dient op te stellen bij de toetsing aan artikel 3.71, vierde lid, van het Vb 2000, waarbij zij aantekent dat de reikwijdte van dit artikellid uiterst beperkt is. Een beroep op de in dit artikellid genoemde onbillijkheid wordt slechts in zeer uitzonderlijke en individuele gevallen gehonoreerd.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat toepassing van het mvv-vereiste naar zijn oordeel niet zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard en daartoe aangevoerd dat de omstandigheid dat eiser niet wist dat hij van de verbreking van zijn huwelijk melding diende te maken bij de vreemdelingendienst voor zijn eigen rekening en risico komt. Daarnaast leidt volgens verweerder het feit dat eiser enige tijd moet wachten op een beslissing op zijn mvv-aanvraag niet tot een onbillijkheid van overwegende aard, nu de mvv-procedure normaliter minder dan drie maanden in beslag neemt indien wordt voldaan aan de voorwaarden. Voorts merkt verweerder op dat eiser geen rechten meer kan ontlenen aan zijn eerdere, legale, verblijf in Nederland. Bovendien zijn er naar de mening van verweerder geen aanwijzingen of omstandigheden die erop wijzen dat eiser niet in staat zou zijn zich zelfstandig in Turkije te handhaven. Uit informatie van de vreemdelingendienst is immers gebleken dat eiser nog familie heeft in Turkije die hem wellicht kunnen helpen bij het vinden van woonruimte. Ook gelet op zijn leeftijd, alsmede het feit dat hij het grootste gedeelte van zijn leven in Turkije heeft verbleven, kan volgens verweerder in alle redelijkheid van eiser worden gevergd dat hij terugkeert naar Turkije voor de aanvraag van een mvv. Daarbij kan de voormalige echtgenote van eiser hem vanuit Nederland eventueel morele en financiële steun geven.-

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met het voorgaande - in onderlinge samenhang bezien - voldoende steekhoudende argumenten aangedragen om zich in redelijkheid op het standpunt te kunnen stellen dat er geen sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard zoals bedoeld in het vierde lid van artikel 3.71 van het Vb 2000. Verweerder kon derhalve in redelijkheid vasthouden aan het vereiste bezit van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf.

De stelling van eiser in beroep dat de afgifte van een mvv langere tijd in beslag zal nemen, wat daar ook van zij, leidt naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de dienaangaande bestaande vaste jurisprudentie, evenmin tot de conclusie dat het mvv-vereiste niet mag worden tegengeworpen, zulks onder toepassing van de hardheidsclausule.

De op 22 december 2004 namens eiser in beroep overgelegde bescheiden maken het vorenstaande niet anders. Immers, gelet op de ex-tunc toetsing in beroep kunnen deze bescheiden – welke betrekking hebben op de medische gesteldheid van eisers voormalige echtgenote en op de huidige economische positie van eiser – niet bij de beoordeling van het beroep worden betrokken, daar zij dateren van na het bestreden besluit.

Tot slot is de vraag aan de orde of de weigering om eiser hier te lande verblijf toe te staan, strijd oplevert met het in artikel 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) genoemde respect voor het familie- of gezinsleven.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de weigering om eiser verblijf hier te lande toe te staan geen schending oplevert van het in artikel 8 van het EVRM genoemde recht. Volgens vaste jurisprudentie is het mvv-vereiste niet in strijd met een eventuele uit artikel 8 van het EVRM voortvloeiende positieve verplichting. Immers, het tegenwerpen van het vereiste bezit van een geldige mvv houdt niet noodzakelijkerwijs in dat niet op enig moment hier te lande aan het familie- of gezinsleven inhoud kan worden gegeven. Het vereiste bezit van een geldige mvv beoogt slechts te bewerkstelligen dat de toetsing van de vraag of aan de toelatingsvoorwaarden wordt voldaan plaatsvindt voordat een vreemdeling Nederland inreist.

Al het vorenoverwogene brengt met zich dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

Voor een veroordeling van één der partijen in de door de andere partij gemaakte kosten bestaat geen aanleiding.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank,

- verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. E.H.B.M. Potters en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. B.J. Groothedde als griffier op 11 januari 2005.

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij:

Raad van State

Afdeling bestuursrechtspraak

Hoger beroep vreemdelingenzaken

Postbus 16113

2500 BC ’s-Gravenhage

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Artikel 85 Vw 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt onder meer dat bij het beroepschrift een afschrift moet worden overgelegd van de uitspraak. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing.

Afschriften verzonden: 11 januari 2005