Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AS5593

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-02-2005
Datum publicatie
10-02-2005
Zaaknummer
443728/04-5177
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aandelenlease - 2 pakketten Feestplan II. Ernstige schending van de zorgplicht door Dexia. Afwijzing van de vordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector kanton - locatie Leiden

dkz

rolnr. 443728/04-5177

datum: 2 februari 2005

Vonnis in de zaak van:

de naamloze vennootschap Dexia Bank Nederland N.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam,

eisende partij,

gemachtigde: mr. H. Post,

rolgemachtigde: E. van Mastrigt,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. E.C.A. van Kempen,

rolgemachtigde: E. van Mastrigt.

Partijen worden aangeduid als "Dexia" en "[gedaagde]".

Procedure

De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:

- de dagvaarding voor de sector civiel van deze rechtbank van 29 april 2004, met producties,

- de conclusie van antwoord met producties,

- het vonnis onder rolnr. 222576/HAZA/04.1839 van deze rechtbank, sector civiel, van 18 augustus 2004, houdende verwijzing naar de sector kanton, lokatie Leiden,

- de rolbeslissing d.d. 13 oktober 2004,

- de conclusie van repliek met producties,

- de conclusie van dupliek met productie.

Feiten

Op grond van de onweersproken inhoud van de stukken gaat de kantonrechter van het volgende uit.

a) Dexia is de rechtsopvolgster onder algemene titel van Bank Labouchère N.V., op haar beurt rechtsopvolgster van Legio Lease B.V.(allen hierna ook aangeduid met: Dexia).

b) Op of omstreeks 10 juni 1998 hebben Dexia (destijds: Legio Lease B.V.) en [gedaagde], die daartoe was benaderd door een call-center namens Dexia, twee aandelenlease-overeenkomsten gesloten onder de naam "Feestplan II", respectievelijk genummerd 59012321 en 59012322. Deze overeenkomsten hebben elk een looptijd van 100 maanden, met dien verstande dat het na 36 maanden mogelijk is de overeenkomsten op elk gewenst moment te beëindigen.

c) Krachtens deze - geheel identieke - overeenkomsten kocht Dexia ten name van [gedaagde] een pakket van 366 aandelen ABN AMRO, 122 aandelen ING, 122 aandelen Kon.Olie en 122 aandelen Unilever, waarmee tegen de toenmalige koersen (per 9 juni 1998) een aankoopsom gemoeid was van fl. 68.820,20. [gedaagde] "leasde" dit aandelenpakket vervolgens van Dexia. De overeengekomen rente voor de eerste 3 jaar bedraagt volgens de overeenkomst 1,23% (feitelijk: 1,2333%) per maand of fl. 848,76, over de gehele looptijd is dat fl. 101.851,20 zodat de totale leasesom gesteld is op fl. 170.671,40. Met betrekking tot de rente na de eerste 36 maanden geldt een bijzondere regeling met een mogelijke korting, die groter is naarmate de koers van de aandelen stijgt.

d) [gedaagde] heeft de rente voor de eerste 36 maanden vooruitbetaald nadat hij voor dat doel een tweede hypothecaire lening had afgesloten.

e) Na afloop van deze 36 maanden heeft Dexia aan [gedaagde] een verlenging aangeboden waarbij hij een rente van circa fl. 1.200,- per maand zou moeten gaan betalen (de kantonrechter begrijpt uit de eindafrekening: 2 x € 281,06 = € 562,12 of fl. 1.238,75). Omdat hij die rente niet kon opbrengen heeft hij de overeenkomsten beëindigd.

f) Voorafgaand aan de totstandkoming van de overeenkomst heeft [gedaagde] een brochure ontvangen waarin rekenvoorbeelden worden gegeven.

g) De beide eindafrekeningen per 17 mei 2002 luiden, kort samengevat:

opbrengst aandelen € 30.536,62

73 resterende termijnen € 281,06 tegen

5% contant gemaakt -17.716,81

contant gemaakte restant-hoofdsom -23.163,81

eerste aflossingstermijn -45,38

saldo € 10.389,38.

h) Bij brief van 25 mei 2004 heeft de echtgenote van [gedaagde] de beide overeenkomsten vernietigd; Dexia heeft deze vernietiging per omgaande afgewezen.

Vordering

Dexia vordert genoemd eindsaldo van 2 x € 10.389,38 na verrekening met € 594,46 dividend, derhalve € 20.184,30 vermeerderd met 1,23% per maand contractuele rente, berekend van 17 mei 2002 tot 26 januari 2004 op € 2.144,52 en met € 1.190,00 incl. BTW buitengerechtelijke incassokosten, verdere rente en proceskosten.

Verweer

[gedaagde] verzoekt (voor zover thans nog van belang) primair aanhouding van de zaak totdat in de zaak van de stichting Eega Lease contra Dexia zal zijn beslist. Hij stelt dat zijn echtgenote de overeenkomsten heeft vernietigd. Subsidiair stelt [gedaagde] dat de medewerkers van het callcenter van Dexia, die hem hebben benaderd, hem hebben bedrogen door te verzwijgen dat het belastingvoordeel van de constructie aan het eind van 1998 niet meer zou gelden en dat hij de overeenkomst niet zou zijn aangegaan bij een juiste voorstelling van zaken. Na de eerste 3 jaar bleek dat hij ruim fl.1.200,- per maand moest gaan betalen, wat hij niet kon missen. Voorts voert hij aan dat Dexia haar zorgplicht heeft geschonden als bedoeld in art. 62 van de Algemene Bankvoorwaarden en de artt. 25 en 28 van de Nadere Regeling Gedragstoezicht Effectenverkeer 1999 (hierna: NR 1999) door onvoldoende informatie te verschaffen en zich niet te verdiepen in de draagkracht en de beleggingsdoelstelling van [gedaagde] - een aanvullende oudedagsvoorziening voor hem en zijn echtgenote. Dexia wist dat hij absoluut geen risico kon lopen, omdat hij voor de financiering van de vooruitbetaalde rente over de eerste 3 jaar een tweede hypotheek zou nemen en dat hij boven op de hypotheeklasten een extra last van ruim fl. 1.200,00 per maand niet kon dragen.

Beoordeling

1) Het verzoek om aanhouding, waartegen Dexia zich heeft verzet, wordt als strijdig met een goede procesorde verworpen. Het kan nog jaren duren voordat in hoogste instantie is beslist over alle in zaken als deze aan de orde komende vraagstukken en het geeft geen pas een partij die de beslissing van de rechter vraagt daar zo lang op te laten wachten.

2) In het midden kan blijven al hetgeen partijen hebben aangevoerd over de vraag of de wettelijke bepalingen betreffende huurkoop op de onderhavige overeenkomsten van (overeenkomstige) toepassing zijn. De kantonrechter is immers gebonden aan de verwijzing door de sector civiel, ongeacht de aard van de overeenkomst, en het beroep van [gedaagde] op vernietiging van de overeenkomsten door zijn echtgenote stuit reeds af op de omstandigheid dat dit beroep slechts door de niet-toestemmende echtgenoot kan worden gedaan. Mevrouw [gedaagde] is geen partij in dit geding. Daarom kan in dit geding niet worden vastgesteld of haar, door Dexia per omgaande gemotiveerd afgewezen, beroep op art. 1:88 BW effect heeft, dan wel bijvoorbeeld door verjaring reeds moet falen, zoals Dexia onder veel meer heeft aangevoerd.

3) Voor zover in het verweer van [gedaagde] moet worden gelezen dat hij vernietiging van de overeenkomsten wegens bedrog vordert, verwerpt de kantonrechter dit, omdat de enkele verzwijging van het gegeven dat de fiscale aftrekbaarheid van rente ten tijde van het afsluiten van de overeenkomsten reeds volop ter discussie stond een te smalle basis is om Dexia van bedrog te beschuldigen. Te minder is het dat in het onderhavige geval, waarin de constructie van Feestplan II er juist op gericht was om maximaal te profiteren van de in 1998 nog bestaande mogelijkheid om 3 jaar vooruitbetaalde rente af te trekken van het belastbaar inkomen over dat jaar, en het plan er van uitging dat als de prognoses van Dexia uitkwamen, daarna helemaal geen rente meer zou behoeven te worden betaald. Het Feestplan II hield namelijk in dat op de leaserente over de resterende 84 maanden een korting zou worden verleend, waarvan de hoogte afhankelijk was van de ontwikkeling van de koersen van de betrokken aandelen in de eerste 36 maanden (naar de kantonrechter veronderstelt door middel van een derivatenconstructie). Daarmee zou de rente tot nul kunnen dalen bij een gemiddelde koersstijging van 7,4% per jaar of meer. Op basis van de beurstrend van voorafgaande jaren sedert 1982, met een gemiddelde stijging van volgens de brochure 14,3% per jaar, werd kennelijk verwacht en in elk geval in de brochure gesuggereerd dat die koersstijging hoogstwaarschijnlijk zou worden gehaald.

4) De kern van het probleem in deze en vele andere aandelenleasezaken is nu juist dat Dexia onvoldoende heeft gewaarschuwd voor de mogelijkheid dat de bomen niet tot in de hemel zouden blíjven groeien en dat de aandelenkoersen ook drastisch zouden kunnen gaan dalen, zoals na 1998 inderdaad het geval is geweest, terwijl Dexia die mogelijkheid als professionele partij wel had behoren te voorzien. De brochure luidt: "U betaalt 14,8% rente per jaar (effectief 15,8% per jr). Deze rente staat voor de eerste 3 jaar vast. Dan kan het feest beginnen. Tijdens de laatste 7 jaar kunt u een korting op de leaserente krijgen. Deze korting wordt vastgesteld op basis van de gemiddelde procentuele stijging van uw aandelenpakket per jaar die in de eerste drie jaar wordt gerealiseerd [....] Het voordelig effect kan enorm zijn". Het nadelig effect, bij gemis aan een ingebouwde verzekering of optieconstructie tegen koersverliezen, blijkt echter minstens zo "enorm" te kunnen zijn.

5) Daarom treft wel doel het verweer dat Dexia zowel bij het sluiten van de overeenkomsten als gedurende de verdere looptijd daarvan tekort is geschoten in de bijzondere zorgplicht die zij als professionele partij in acht had te nemen jegens een particulier zonder bijzondere kennis van financiële zaken zoals [gedaagde]. Ten tijde van het afsluiten van de overeenkomsten in 1998 gold trouwens nog niet de NR 1999 (i.w.tr. 1 februari 1999), waarop [gedaagde] zich beroept, maar de NR 1995, die deze zorgplicht summier en algemeen formuleert. De stelling van Dexia dat de NR onverbindend zou zijn faalt omdat bedoelde zorgplicht reeds voortvloeit uit de maatschappelijke positie van de banken (HR 9 januari 1998, NJ 1999, 285). Er is geen grond - en Dexia beweert dat ook niet - om over andere aanbieders van beleggingsproducten zoals destijds Legio Lease B.V. anders te oordelen.

6) Die zorgplicht brengt - en bracht ook reeds in 1998 - met betrekking tot een ingewikkeld financieel product als Feestplan II tenminste mede dat Dexia [gedaagde] vóór het afsluiten van de overeenkomsten uitgebreid had behoren te informeren over alle kansen en risico's daarvan én zich rekenschap had behoren te geven van de vraag of haar potentiële wederpartij naar redelijke verwachting over voldoende bestedingsruimte zou beschikken om aan alle, ook de wellicht onwaarschijnlijk geachte, uit de overeenkomst voortvloeiende verplichtingen te voldoen. In het onderhavige geval had Dexia zich in het bijzonder de vraag moeten stellen of [gedaagde] in staat zou zijn om na verloop van de eerste 36 maanden de cumulatieve last te dragen van rente- en aflossingstermijnen van de door hem, voor de vooruitbetaling van de rente over de eerste 3 jaar, opgenomen tweede hypothecaire lening, de resterende 84 maandtermijnen van, in het ongunstigste geval, € 770,30 per maand en/of een eventueel negatief saldo bij beëindiging. Voorts behoorde zij te onderzoeken of de overeenkomst beantwoordde aan de beleggingsdoelstelling van de betrokkene, te weten het vormen van een aanvullende oudedagsvoorziening voor hem en zijn echtgenote. Dexia had er op bedacht behoren te zijn dat tot haar doelgroep (veel) personen zouden behoren die niet over voldoende inzicht in beleggen beschikken om zich zelfstandig in effectentransacties te begeven. Tenslotte bracht die zorgplicht tevens een saldobewakingsplicht mee.

7) Dexia is in de nakoming van deze zorgplicht in alle opzichten min of meer ernstig tekortgeschoten. Voor wat betreft de informatieplicht blijkt dit uit het volgende:

a) de overeenkomsten noemen niet duidelijk het concrete maandbedrag dat (maximaal) moet worden betaald na ommekomst van de eerste 36 vooruitbetaalde maanden;

b) de (overgelegde versie van de) brochure schetst (anders dan meermalen is geoordeeld met betrekking tot de brochures van de z.g. "WinstVerDriedubbelaar" van Dexia) in de rekenvoorbeelden louter positieve scenario's;

c) de brochure stelt het voor, uitgaande van de op basis van gemiddelden uit het verleden verwachte koersstijging in de eerste drie jaar, alsof de kans heel groot is dat na die eerste 3 jaar nauwelijks of helemaal geen rente meer behoeft te worden betaald;

d) de brochure benadrukt de veiligheid van het product met de woorden "Omdat u belegger ben (en beslist geen speculant) is de looptijd......bewust 10 jaar...",

e) en bevat geen enkele waarschuwing voor de risico's van het met geleend geld beleggen in aandelen zoals die zich in dit geval hebben geopenbaard (behoudens een voetnoot onder een tabel over mogelijke winsten met de vermelding in de kleinst leesbare lettertjes "resultaten uit het verleden zijn geen garantie voor de toekomst" waarmee echter gelet op de plaatsing van de verwijzingsasterisk uitsluitend de daar als voorbeeld genoemde, enorme winst gerelativeerd wordt);

f) een vermelding dat de fiscale aftrekbaarheid van rente destijds reeds ter discussie stond ontbreekt, terwijl Dexia niet naliet het belang daarvan steeds te benadrukken. De brochure begint immers met de tekst: "Het leasen van aandelen is onder andere aantrekkelijk vanwege de fiscale aftrekbaarheid van de leaserente."

1) De verantwoordelijkheid van Dexia voor deze gebrekkige voorlichting aan haar (potentiële) cliënt weegt in het onderhavige geval des te zwaarder omdat Dexia met [gedaagde] gelijktijdig twéé overeenkomsten heeft afgesloten met een zeer hoge gezamenlijke maandrentelast van € 770,30 (fl. 1.697,52) terwijl zij volgens haar eigen brochure een maximum hanteert van € 453,78 (fl. 1.000,-) per maand per cliënt.

9) Naast de gebrekkige informatie aan de cliënt schort het in deze zaak ook aan het inwinnen van voldoende informatie over de cliënt. Ofschoon als onweersproken vaststaat dat aan het sluiten van de overeenkomst veelvuldig telefonisch contact tussen partijen is voorafgegaan en (de callcenter medewerker van) Dexia daardoor wist dat [gedaagde] een tweede hypotheek op zijn huis nam om de eerste drie jaar rente te kunnen betalen en (daarom) geen enkel risico kon nemen, heeft Dexia zich door de wetenschap dat [gedaagde] naar eigen zeggen niet voldoende bestedingsruimte zou hebben om na de eerste 36 maanden zowel de rente en aflossing van zijn (tweede) hypotheek als die van de beide aandelenleaseovereenkomsten uit zijn maandinkomen op te brengen, niet laten weerhouden om de twee overeenkomsten af te sluiten. De wel toegepaste BKR-toetsing is onder deze omstandigheden volstrekt onvoldoende. Daaruit kon immers in beginsel slechts blijken dat [gedaagde] geen achterstand had in de nakoming van eventuele eerder aangegane kredietverplichtingen.

10) Ook heeft Dexia het Feestplan II (tot het onderhavige beloop) niet ontraden terwijl dit, gelet op de uit die telefonische gesprekken aan Dexia bekende beleggingsdoelstelling van [gedaagde] (onder meer, maar zeker niet uitsluitend, bij gemis aan een voorziening tegen het neerwaarts risico) ongeschikt was als aanvullende oudedagsvoorziening voor [gedaagde] en zijn echtgenote. Dit blijkt genoegzaam uit het feit dat [gedaagde] nu in plaats van een aanvullend inkomen, een aanvullende maandlast (van zijn tweede hypotheek) heeft en zijn pensioen ingaat met extra schulden in plaats van extra vermogen.

11) Het tekortschieten van Dexia in haar bovenbedoelde, tweezijdige informatieplicht valt haar in dit geval des te ernstiger aan te rekenen omdat (de callcenter medewerker van) Dexia het initiatief heeft genomen door [gedaagde] meermalen telefonisch te benaderen over het Feestplan II van Dexia, daarbij het ook reeds in de NR 1995 vastgelegde verbod op cold calling op nogal doorzichtige wijze ontduikend door in het eerste telefoongesprek te vragen of men een brochure mocht toezenden.

12) Vervolgens heeft Dexia niet ingegrepen of gewaarschuwd toen de koersen van de betrokken aandelen zodanig daalden dat een negatief saldo dreigde te ontstaan. De omstandigheid dat de overeenkomst een vaste minimumlooptijd van 36 maanden had doet aan haar saldobewakingsplicht niet af; Dexia had de schade immers kunnen beperken door [gedaagde] de mogelijkheid te bieden van tussentijdse beëindiging.

13) Derhalve is Dexia tekort geschoten in de haar jegens [gedaagde] betamende zorgplicht zowel bij als na het sluiten van beide overeenkomsten en is uit dien hoofde tenminste medeverantwoordelijk voor het daaruit ontstane nadeel.

14) Bij dit alles dient mede in aanmerking te worden genomen dat ook [gedaagde] een eigen verantwoordelijkheid draagt voor de gevolgen van zijn handelen. Hij had bij oplettende en zorgvuldige lezing van de brochure kunnen begrijpen dat hij belegde met geleend geld, dat de lening ooit zou moeten worden afgelost en dat de voorgespiegelde rentekorting, die de constructie van Feestplan II in combinatie met de vooruitbetaalde, aftrekbare rente voor de eerste 3 jaar, nu juist zo verleidelijk maakte, niet verzekerd was, zodat hij in het slechtste geval dus zowel de hypotheekrente en -aflossing als de 15,8% per jaar rente en de aflossing van het leasebedrag zou moeten gaan betalen. Voor zover in het verweer van [gedaagde] een beroep op dwaling moet worden gelezen, stuit dit af op de zelfde gronden.

15) De voormelde fouten van Dexia als professionele financiële instelling, belast met eerder bedoelde maatschappelijke zorgplicht, wegen naar het oordeel van de kantonrechter echter zoveel zwaarder dan die van [gedaagde] als (misschien wel te goedgelovige en/of op gemakkelijke winst beluste) leek op beleggingsgebied, dat de fouten van [gedaagde] bij die van Dexia in het niet vallen.

16) Dexia heeft het risico van een koersdaling (en van de daaruit voortvloeiende onverhaalbaarheid van de verstrekte leningen), zoals die zich heeft voorgedaan na het afsluiten van de overeenkomsten, zèlf klaarblijkelijk zo ernstig onderschat - of onbelangrijk geacht - dat zij het voor lief nam, immers zonder onderzoek naar de kredietwaardigheid van [gedaagde] deze een lening van maar liefst € 62.458,49 excl. rente verstrekt zonder enig inzicht in zijn vermogenspositie, met geen enkele andere zekerheid dan de gekochte aandelen.

17) Dat alles wordt niet anders doordat Dexia, voordat zij tot verkoop van de aandelen overging, aan [gedaagde] eerst nog een concept-afrekening heeft gestuurd waaruit hij kon begrijpen dat hij met de onderhavige restschuld zou worden geconfronteerd en dat [gedaagde] desondanks heeft gepersisteerd bij zijn beslissing om de contracten te beëindigen. Het kwaad was toen immers al geschied en [gedaagde] had geen keus meer, omdat hij de maandelijkse rentetermijnen niet kon betalen en door de overeenkomsten niet te beëindigen alleen maar verder in de financiële problemen zou raken.

18) De vordering van Dexia wordt daarom afgewezen met veroordeling van Dexia als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten.

Beslissing

De kantonrechter:

- wijst de vordering af;

- veroordeelt Dexia in de proceskosten, tot op deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 1.335,--, waaronder begrepen € 820,-- voor gemachtigdensalaris, onverminderd de eventueel over deze kosten verschuldigde BTW.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. R.Th. van Leeuwen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 februari 2005.