Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AS4819

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
01-02-2005
Datum publicatie
03-02-2005
Zaaknummer
KG 04/1531
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

[...] 1.1. Bij brief van 25 februari 2003 hebben de autoriteiten van de Duitse deelstaat Nordrhein-Westfalen (hierna ook 'de Duitse autoriteiten') de uitlevering van eiser verzocht vanwege een verdenking van, kort gezegd, het binnenbrengen en afleveren van drugs in Duitsland. [...]

Eiser vordert, zakelijk weergegeven:

a. primair: de uitlevering te verbieden;

b. subsidiair: gedaagde te gelasten hem in Nederland te doen vervolgen.

Daartoe voert eiser aan dat de (voorgenomen) uitlevering jegens hem onrechtmatig is, omdat de minister in zijn beschikking van 1 november 2004 ten onrechte het beroep heeft verworpen dat eiser heeft gedaan op de hardheidsclausule als opgenomen in artikel 10 lid 2 Uitleveringswet en het door Nederland gemaakte voorbehoud bij artikel 1 Europees Verdrag betreffende uitlevering. [...]

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

sector civiel recht - voorzieningenrechter

Vonnis in kort geding van 1 februari 2005,

gewezen in de zaak met rolnummer KG 04/1531 van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

procureur mr. W. Taekema,

advocaat mr. B.Th. Nooitgedagt te Amsterdam,

tegen:

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie),

zetelende te 's-Gravenhage,

gedaagde,

procureur mr. A.Th.M. ten Broeke.

1. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 25 januari 2005 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1. Bij brief van 25 februari 2003 hebben de autoriteiten van de Duitse deelstaat Nordrhein-Westfalen (hierna ook 'de Duitse autoriteiten') de uitlevering van eiser verzocht vanwege een verdenking van, kort gezegd, het binnenbrengen en afleveren van drugs in Duitsland.

Bij uitspraak van 2 december 2003 heeft de rechtbank Almelo de uitlevering toelaatbaar verklaard. Eiser heeft tegen die uitspraak cassatie ingesteld, maar dat cassatieberoep is bij arrest van 30 maart 2004 verworpen.

Op 5 februari 2004 hebben de Duitse autoriteiten een aanvullend uitleveringsverzoek gedaan. Ook die aanvullende uitlevering is door de rechtbank Almelo toelaatbaar verklaard en ook het tegen die beslissing ingestelde cassatieberoep is verworpen.

Bij beschikking van 1 november 2004 heeft de Minister van Justitie (hierna ook 'de minister') de uitlevering toegestaan.

1.2. Eiser lijdt aan een ernstig obstructief slaapapneusyndroom, waardoor hij moet slapen met een beademingsapparaat. Daarnaast lijdt eiser onder meer aan een allergische rhinitis (onder meer voor huisstofmijt), suikerziekte en adipositas.

1.3. Bij brief van 19 oktober 2004 -derhalve vóór het geven van de onder 1.1. genoemde beschikking- heeft gedaagde aan de Duitse autoriteiten, kort gezegd, gevraagd of zij kunnen voorzien in de voor eiser benodigde medische zorg. Bij brief 25 oktober 2004 hebben de Duitse autoriteiten (bevestigend) geantwoord dat:

'[..] nach Auskunft des Chefartzes der Inneren Abteilung des Justizvollzugskrankenhauses Fröndenberg Dr. Riekenbrauck die Behandlung des Verfolgten im Strafvollzug ohne Schwierigkeiten möglich sei; die Behandlung der Erkrankung des Verfolgten sei im Strafvollzug Routine. In diesem Zusammenhang wies Herr Dr. Riekenbrauck darauf hin, dass es medizinisch sinnvoll sei, wenn der Verfolgte bei der Auslieferung das Gerät, auf das er mittlerweile eingestellt sei, mitbringt. [..]'

2. De vorderingen, de gronden daarvoor en het verweer

Eiser vordert, zakelijk weergegeven:

a. primair: de uitlevering te verbieden;

b. subsidiair: gedaagde te gelasten hem in Nederland te doen vervolgen.

Daartoe voert eiser aan dat de (voorgenomen) uitlevering jegens hem onrechtmatig is, omdat de minister in zijn beschikking van 1 november 2004 ten onrechte het beroep heeft verworpen dat eiser heeft gedaan op de hardheidsclausule als opgenomen in artikel 10 lid 2 Uitleveringswet en het door Nederland gemaakte voorbehoud bij artikel 1 Europees Verdrag betreffende uitlevering.

In redelijkheid had de minister het beroep op de hardheidsclausule immers moeten honoreren gelet op de volgende, gezamenlijk te beschouwen, omstandigheden:

a. De slechte gezondheidstoestand van eiser, die meebrengt dat eiser speciale zorg en voorzieningen (waaronder een stofvrije omgeving) nodig heeft, waarvan het maar de vraag is of die in Duitsland aan hem zullen kunnen worden geboden. In Nederland is eiser juist vanwege die gezondheidstoestand immers niet langer gedetineerd. Daarnaast is het praktisch gezien niet goed mogelijk om het beademingsapparaat mee naar Duitsland te nemen.

b. De omstandigheid dat de vervolging van eiser ook in Nederland zou kunnen plaatsvinden, mede gelet op artikel IV van de 'Overeenkomst van Wittem' (Trb. 1979, 142), hetgeen ook in de rede ligt nu zowel de (gestelde) feiten waarvan eiser verdacht wordt als het opsporingsonderzoek met name in Nederland hebben plaatsgevonden en de vervolging van de medeverdachten in Duitsland reeds is afgerond. Bij vervolging in Nederland zou eiser tijdens die vervolging niet gedetineerd hoeven worden en zou een eventueel aan hem op te leggen vrijheidsstraf wellicht kunnen worden vervangen door elektronisch toezicht.

Gedaagde voert gemotiveerd verweer dat hierna, voorzover nodig, zal worden besproken.

3. De beoordeling van het geschil

3.1. Voor wat betreft de slechte gezondheidstoestand van eiser heeft gedaagde aangevoerd dat die geen geslaagd beroep op de hardheidsclausule rechtvaardigt, omdat de Duitse autoriteiten met hun onder 1.3 genoemde brief hebben toegezegd dat eiser in Duitsland de voor hem benodigde medische zorg zal krijgen. Het zal eiser dus mogelijk worden gemaakt om met een beademingsapparaat te slapen. Daarbij heeft gedaagde aangevoerd dat eiser ook tijdens zijn detentie in Nederland de beschikking over een beademingsapparaat had en dat hij ook toen uitstekend kon slapen.

3.2 Voor wat betreft de omstandigheid dat eiser ook in Nederland vervolgd zou kunnen worden, heeft gedaagde aangevoerd dat deze omstandigheid niet relevant is, omdat uitlevering niet tot een (significante) verslechtering van zijn gezondheidstoestand zal leiden. Voorts heeft gedaagde daarbij onder meer aangevoerd dat eiser verdacht wordt van de invoer en aflevering van drugs in Duitsland, waardoor de Duitse rechtsorde het meest in het geding is, zodat het de voorkeur geniet om hem in Duitsland te vervolgen.

3.3. Deze verweren van gedaagde treffen doel. De stellingen van eiser vormen onvoldoende reden om aan te nemen dat de Duitse autoriteiten hun onder 1.3 genoemde toezeggingen niet zullen nakomen, zodat ervan uitgegaan moet worden dat eiser in Duitsland passende medische verzorging zal krijgen. De uitlevering is daarom niet van een bijzondere hardheid.

De mogelijkheid om eiser in Nederland te vervolgen maakt dat niet anders, ook niet in samenhang met eisers gezondheidsproblemen. Mede gelet op de omstandigheid dat de onder 1.1 genoemde verdenking primair de Duitse rechtsorde aangaat, kan niet gezegd worden dat gedaagde in redelijkheid gehouden zou zijn om eiser in Nederland te doen vervolgen in plaats van hem uit te leveren. Daarbij komt nog dat eiser een eventueel door de Duitse rechter aan hem op te leggen vrijheidsstraf in Nederland zal kunnen ondergaan.

3.4. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vorderingen (zowel de primaire als de subsidiaire) zullen worden afgewezen. Eiser zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst de vorderingen af;

veroordeelt eiser in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van gedaagde begroot op € 1.057,--, waarvan € 816,-- aan salaris procureur en € 241,-- aan griffierecht;

verklaart de hiervoor gegeven kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Paris en uitgesproken ter openbare zitting van 1 februari 2005 in tegenwoordigheid van de griffier.

jwo