Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AS4578

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-01-2005
Datum publicatie
15-02-2005
Zaaknummer
AWB 04/46663
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verstekelingen / verplichting terug vervoeren.

Eisers stellen dat de op artikelen 5 en 65 Vw 2000 gebaseerde verplichtingen achterhaald zijn door en in strijd zijn met de veiligheidseisen waaraan zij moeten voldoen op grond van EG-Verordening 725/2004. Uit de Verordening zelf of de door inwerkingtreding van de Verordening bindend geworden delen van de Internationale Code voor de beveiliging van schepen en havenfaciliteiten kan niet worden afgeleid dat aan eisers niet langer de verplichting kan worden opgelegd om de vreemdelingen op grond van artikel 26 SUO en artikel 65 Vw 2000 terug te vervoeren. Voorschrift 8 van het Verdrag voor beveiliging van mensenlevens op zee van 1974 (SOLAS-Verdrag) geeft een kapitein de bevoegdheid om personen de toegang tot het schip te ontzeggen voor de veiligheid of ter beveiliging van het schip. Daaruit kan echter niet worden afgeleid dat deze bevoegdheid afdoet aan de bevoegdheid van verweerder om aan een kapitein de verplichting op te leggen die voortvloeit uit artikel 65, derde lid, Vw 2000. Wel zal verweerder in dat kader een redelijkheidstoets moeten uitvoeren waarin hij de door de kapitein aangevoerde redenen voor weigering zal moeten betrekken en waarin hij de vraag beoordeelt of artikel 65 Vw 2000 dan wel voorschrift 8, SOLAS-verdrag dient te prevaleren. Uit de Richtlijnen voor toewijzing van verantwoordelijkheden bij het vinden van een succesvolle oplossing voor kwesties met verstekelingen kan voorts niet worden afgeleid dat verweerder niet de bevoegdheid heeft om de vreemdelingen terug te plaatsen op het schip. De artikelen 5 en 65 Vw 2000 zijn dan ook niet in strijd met de EG-Verordening 725/2004 noch met de Verstekelingenrichtlijn en dient niet vanwege deze bepalingen buiten toepassing gelaten te worden. De gronden die gericht zijn tegen de removal orders kunnen niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Aangezien verweerder niet het standpunt van eisers draagkrachtig gemotiveerd heeft weerlegd dat terugplaatsing van de vreemdelingen op het schip een onveilige situatie zal opleveren, is ten aanzien van de aanwijzing sprake van een motiveringsgebrek. Beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 5
Vreemdelingenwet 2000 65
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2005/164

Uitspraak

Rechtbank ’s-Gravenhage

nevenzittingsplaats Haarlem

meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken

U I T S P R A A K

artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

artikel 71 Vreemdelingenwet 2000 (Vw)

reg.nr: AWB 04 / 46663 BEPTDN F

inzake: 1. de besloten vennootschap BROERE SHIPPING B.V., gevestigd te Dordrecht, eiseres,

2. A, wonende te B, eiser,

tezamen te noemen eisers,

gemachtigde: mr. B.M. Voogt, advocaat te Rotterdam,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,

gemachtigde: mr. A. Pahladsing, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te

’s-Gravenhage.

1. GEGEVENS INZAKE HET GEDING

1.1 Eiseres is de reder en eiser is de kapitein van het schip genaamd “C”. Op 26 mei 2004 heeft de ambtenaar belast met de grensbewaking bij de Zeehavenpolitie Rotterdam-Rijnmond (hierna ook: Zeehavenpolitie) removal orders uitgereikt waarin hij aan de kapitein en de eigenaar van de C op grond van de artikelen 5 en 65 Vw meedeelt dat voor hen de verplichting geldt de vreemdelingen – voor zover hier relevant – (met de opgegeven naam) D en E alias E (hierna: de vreemdelingen) zo spoedig mogelijk uit Nederland te vervoeren.

1.2 Bij brief van 9 juni 2004 hebben eisers aan de Zeehavenpolitie gemotiveerd bericht dat aan de removal orders geen uitvoering zal worden gegeven.

1.3 Bij brief van 9 juni 2004 heeft de Coördinator Grensbewaking bij de Zeehavenpolitie eisers meegedeeld de vreemdelingen aan boord van de C te zullen plaatsen.

1.4 Tegen deze mededeling hebben eisers bij brief van 14 juni 2004 administratief beroep ingesteld. Eisers zijn op 14 juli 2004 gehoord door een ambtelijke commissie.

1.5 Verweerder heeft het administratief beroep bij besluit van 7 oktober 2004 ongegrond verklaard. Hiertegen hebben eisers op 22 oktober 2004 beroep ingesteld.

1.6 Hangende de behandeling van het beroep hebben eisers op 9 november 2004 een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Bij mondelinge uitspraak van 23 november 2004 (AWB 04/49325) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank en nevenzittingsplaats dit verzoek toegewezen en bepaald dat het besluit tot plaatsing van de vreemdelingen op een aan eiseres behorend schip wordt geschorst totdat is beslist op het door eisers ingediende beroep.

1.7 Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschrift geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

1.8 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 9 december 2004. Eiseres is vertegenwoordigd door haar veiligheidsmanager, de heer R.A.S. Vermeulen. Eiser is in persoon verschenen. Eisers zijn bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder is verschenen bij zijn gemachtigde.

2. OVERWEGINGEN

Toepasselijke wet- en regelgeving

2.1 Ingevolge artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a van de Schengenuitvoeringsovereenkomst van 19 juni 1990, Trb. 1990/145 (hierna: SUO), verbinden de Overeenkomstsluitende Partijen zich ertoe in hun nationale wetgeving onderstaande regeling, voor zover van belang, op te nemen: “wanneer een vreemdeling de toegang tot het grondgebied van één van de Overeenkomstsluitende Partijen wordt geweigerd, is de vervoerder die hem over zee tot aan de buitengrens heeft gebracht, verplicht hem onverwijld terug te nemen; op verzoek van de grensbewakingsautoriteiten dient de vervoerder de vreemdeling terug te brengen naar de derde Staat van waaruit hij werd vervoerd (…).”

2.1.1. Het Akkoord van Schengen van 14 juni 1985, de SUO en alle daarbij behorende overeenkomsten en protocollen inzake de toetreding tot het akkoord van 1985, de besluiten en verklaringen van het uitvoerend comité van Schengen en de besluiten van de centrale groep worden tezamen het Schengenacquis genoemd. Bij besluit 1999/435/EG van 20 mei 1999 is, in overeenstemming met de desbetreffende bepalingen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en het Verdrag betreffende de Europese Unie, de rechtsgrondslag vastgesteld van elk van de bepalingen of besluiten die het Schengenacquis vormen. Daarmee is het Schengenacquis gemeenschapsrecht geworden.

2.2 Ingevolge artikel 5, eerste lid, Vw dient de vreemdeling aan wie toegang tot Nederland is geweigerd, Nederland onmiddellijk te verlaten, met inachtneming van de aanwijzingen welke hem daartoe door een ambtenaar belast met de grensbewaking, zijn gegeven. Ingevolge artikel 5, tweede lid, Vw dient de vreemdeling, bedoeld in het eerste lid, indien hij Nederland is binnengekomen aan boord van een vaartuig in gebruik bij een vervoersonderneming, Nederland onmiddellijk te verlaten met dat vervoer of een hem door de ambtenaar belast met de grensbewaking aangewezen vervoermiddel.

2.3 In artikel 65, eerste lid, Vw is onder meer bepaald dat een vreemdeling die Nederland is binnengekomen aan boord van een vaartuig en die Nederland onmiddellijk moet verlaten, kan worden uitgezet door plaatsing aan boord van een vaartuig in gebruik bij dezelfde vervoersonderneming. Ingevolge het tweede lid van artikel 65 Vw vervoert de vervoersonderneming de vreemdeling op aanwijzing van een ambtenaar belast met de grensbewaking om niet terug naar een plaats buiten Nederland. Voor zover dat niet binnen redelijke tijd mogelijk is, kunnen de kosten van uitzetting op de vervoersonderneming worden verhaald.

In het derde lid is bepaald dat gezagvoerders van vaartuigen aan de uitzetting van de vreemdeling alle medewerking verlenen, die de ambtenaar belast met de grensbewaking redelijkerwijs kan vorderen.

2.4 Met ingang van 1 juli 2004 is Verordening (EG) 725/2004 van 31 maart 2004 betreffende de verbetering van de beveiliging van schepen en havenfaciliteiten in werking getreden en derhalve rechtstreeks van toepassing binnen de Europese Unie. Ingevolge artikel 3 Verordening (EG) 725/2004 passen de lidstaten de daarbij gevoegde bijlagen I en II, alsmede III gedeeltelijk, onverkort toe voor wat betreft het internationale zeescheepvaartverkeer.

2.4.1. In bijlage I zijn de voorschriften van hoofdstuk XI-2 van het Verdrag voor beveiliging van mensenlevens op zee van 1974 (zoals gewijzigd in 2002), vastgesteld door de Diplomatieke conferentie van de Internationale Maritieme Organisatie (hierna: IMO), verder te noemen het SOLAS-Verdrag, opgenomen.

Onder voorschrift 8 van hoofdstuk XI-2 van het SOLAS-Verdrag, genaamd “Beslissingsvrijheid van de kapitein met betrekking tot de veiligheid van het schip”, is onder 1 vermeld dat de kapitein niet door de maatschappij, de verlader of enige andere persoon wordt weerhouden ‘van het nemen of het uitvoeren van een beslissing die naar zijn professionele oordeel moet worden genomen voor de veiligheid en ter beveiliging van het schip. Dit houdt ook in dat de kapitein personen (behalve personen waarvan vaststaat dat zij naar behoren door een verdragsluitende regering zijn gemachtigd) of hun eigendommen de toegang kan ontzeggen en kan weigeren vracht, inclusief containers en andere afgesloten vrachttransporteenheden, aan boord te nemen’.

2.4.2. In bijlage II is opgenomen deel A van de, eveneens door de IMO vastgestelde, Internationale Code voor de beveiliging van schepen en havenfaciliteiten, verder te noemen de ISPS-Code. Ingevolge artikel 7.2, onder 3, deel A van de ISPS-Code worden personen en eigendommen bij hun inscheping gecontroleerd met het oog op de vaststelling en het nemen van preventieve maatregelen tegen veiligheidsincidenten. In artikel 8, deel A is voorgeschreven dat de scheepsveiligheid moet worden beoordeeld. Voorts volgt uit artikel 9.4 en onder 3 van dit deel van de code dat ieder schip een scheepsveiligheidsplan (SVP) moet hebben waarin maatregelen moeten zijn opgenomen om betreding van het schip door onbevoegden te voorkomen.

2.4.3. Ingevolge artikel 3, vijfde lid, van de Verordening (EG) 725/2004 houden de lidstaten zich aan de bepalingen van onder meer de paragrafen 8.3 tot 8.10 van deel B van de ISPS-Code (opgenomen als bijlage III) als waren deze dwingend.

In artikel 8.7 onder 5 van dit deel B is voorgeschreven dat degenen die betrokken zijn bij de uitvoering van een beoordeling van de veiligheid van een schip (BVS) de blijvende relevantie van de bestaande veiligheidsmaatregelen en instructies, procedures en activiteiten in acht dienen te nemen en beveiligingsinstructies dienen vast te stellen waaronder begrepen de toegangscontrolesystemen, inclusief identificatiesystemen.

In artikel 8.9 onder 4 van deel B van de ISPS-Code is bepaald dat in de BVS rekening dient te worden gehouden met alle mogelijke bedreigingen en dat het daarbij onder meer kan gaan om een veiligheidsincident als onbevoegde toegang of gebruik, waaronder de aanwezigheid van verstekelingen.

2.4.4. In artikel 3, vierde lid, van de Verordening (EG) 725/2004 is bepaald dat de lidstaten bij de tenuitvoerlegging van voornoemde bepalingen zoveel mogelijk rekening houden met de richtsnoeren van deel B van de ISPS-Code.

In artikel 9.11, deel B, is onder meer bepaald dat in het SVP voor elk veiligheidsniveau dient te zijn vastgesteld welke identificatiemiddelen nodig zijn om toegang tot het schip toe te staan en om het voor bepaalde personen mogelijk te maken zonder verdere vraag naar hun identiteit op het schip te verblijven.

In artikel 9.12 van ditzelfde deel is onder meer bepaald dat de toegang tot het schip dient te worden ontzegd aan mensen die hun identiteit niet willen of niet kunnen aantonen en/of het doel van hun bezoek niet willen of niet kunnen bevestigen.

2.5 Bij resolutie A.871 van 27 november 1997 heeft de IMO aangenomen ‘Richtlijnen voor toewijzing van verantwoordelijkheden bij het vinden van een succesvolle oplossing voor kwesties met verstekelingen (Guidelines on the allocation of responsibilities to seek the succesfull resolution of stowaway cases)’ (hierna: Verstekelingenrichtlijn). In A2/5.2.8 Vreemdelingencirculaire 2000 heeft verweerder als beleidsregel neergelegd dat aan deze richtlijn zoveel mogelijk gevolg wordt gegeven. De Verstekelingenrichtlijn is opgenomen in de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) als bijlage 1 van hoofdstuk A2. Onder hoofdstukken 1, 3 en 6 zijn richtlijnen opgenomen voor respectievelijk de kapitein, het land van eerste geplande aanloophaven na ontdekking van de verstekeling (haven van ontscheping) en de vlaggenstaat van het schip.

Feiten

2.6 Voor de beoordeling van het beroep zijn de volgende feiten van belang. De C is een chemicaliëntanker. De twee (oorspronkelijk: drie) vreemdelingen, van gestelde Algerijnse nationaliteit, hebben van 18 mei 2004 tot en met 26 mei 2004 als verstekeling verbleven aan boord van de C. Het schip is met deze vreemdelingen aan boord vanuit Ceuta, een Spaanse enclave in Marokko, via Engeland en België naar Nederland gevaren. Na aankomst in Nederland heeft verweerder de vreemdelingen op grond van artikel 3 Vw de toegang tot Nederland geweigerd. De vreemdelingen zijn op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, Vw gedetineerd in het Grenshospitium te Amsterdam.

Standpunten van partijen

2.7 Verweerder beschouwt alleen de brief van 9 juni 2004 van de Zeehavenpolitie als een besluit, waartegen een rechtsmiddel kan worden aangewend. Hij heeft zich overigens – samengevat – op het volgende standpunt gesteld. Eisers zijn op grond van artikel 5 juncto artikel 65 Vw verplicht om de vreemdelingen, aan wie de toegang tot Nederland is geweigerd, en die Nederland zijn binnengekomen als verstekeling op de C, om niet naar een plaats buiten Nederland te vervoeren.

2.8 Eisers hebben in beroep aangevoerd dat vervoer van de vreemdelingen aan boord van de C van hen niet mag worden gevergd.

Primair stellen eisers dat de in artikel 65 Vw neergelegde verplichtingen achterhaald zijn door en in strijd zijn met een aantal specifieke bepalingen van Verordening (EG) 725/2004. Ingevolge de Verordening (EG) 725/2004 dient de identiteit van alle opvarenden van een schip te kunnen worden gecontroleerd en vastgesteld. De ratio daarachter is steeds te weten welke personen zich aan boord van een schip bevinden om potentiële terroristen te kunnen weren. Aangezien de identiteit van de vreemdelingen in dit geval niet vast staat en controle niet mogelijk is, zou eiseres in strijd handelen met de Verordening (EG) 725/2004 door hen desondanks te vervoeren en havens binnen te varen. Dit wordt bevestigd in een verklaring van de heer W.W. Timmers van 16 november 2004, werkzaam bij de hoofddirectie Juridische Zaken van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat. Daarnaast is het terugplaatsen aan boord van de vreemdelingen in strijd met de Verstekelingenrichtlijn. Daaruit blijkt dat alle betrokken partijen de verplichting hebben om verstekelingen zo snel mogelijk van een schip te verwijderen en te voorkomen dat zij voor onbepaalde tijd aan boord van een schip moeten worden vastgehouden. Terugplaatsing van de vreemdelingen zou daarmee in strijd zijn, temeer omdat niet vast staat dat Ceuta de vreemdelingen zal laten ontschepen en de vreemdelingen als gevolg daarvan wellicht heel lang aan boord zullen verblijven. Bovendien is verweerder beter toegerust om de vreemdelingen te verwijderen omdat hij beschikt over een apparaat dat gespecialiseerd is in het achterhalen van de identiteit en nationaliteit van de verstekelingen.

Eiser beroept zich op zijn ongeclausuleerde bevoegdheid in voorschrift 8 uit hoofdstuk XI-2 SOLAS-Verdrag om personen de toegang tot het schip te ontzeggen.

Subsidiair levert de aanwezigheid van de vreemdelingen op de C volgens eisers een dermate groot gevaar op dat bij een concrete belangenafweging terugplaatsing van de vreemdelingen niet aan de orde kan zijn. In dit kader hebben eisers aangevoerd dat de C een chemicaliëntanker is die gevaarlijke lading vervoert en dat het schip niet over accommodatie beschikt die geschikt is om de vreemdelingen gevangen te houden en evenmin over daarvoor geschikt personeel. Ook de economische schade die eiseres zal lijden bij terugplaatsing van de vreemdelingen aan boord van de C dient bij een belangenafweging zwaarder te wegen dan het belang van verweerder. Voor potentiële klanten is de veiligheid op de schepen van groot belang en de aanwezigheid van niet-geïdentificeerde personen wordt door hen als een veiligheidsrisico gezien. Indien de ongeïdentificeerde vreemdelingen aan boord van de C zullen worden teruggeplaatst, zullen potentiële klanten daarvan op de hoogte raken en zullen zij de C mijden. De C zal daardoor grotendeels komen stil te liggen, hetgeen enorme financiële schade meebrengt. Ter ondersteuning van dit standpunt verwijzen eisers naar een brief van Dow Europe GmbH van 9 november 2004. In het bestreden besluit is verweerder niet, dan wel onvoldoende ingegaan op voornoemde belangen, zodat het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd is.

De rechtbank overweegt als volgt.

Het voorliggende besluit

2.9 Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de removal orders van 26 mei 2004 geen besluiten zijn.

2.10 In de removal orders is ten aanzien van beide vreemdelingen – afzonderlijk – aangegeven dat hen de toegang tot Nederland is geweigerd. Vervolgens is meegedeeld: “In according with section 5 and 65 of the Aliens Act 2000, the captain of the vessel and the owner of the vessel are obliged to take the individual concerned out of the country, as the immigration may decided. No state compensation will provided. You are hereby requested to take the above mentioned person out of the country at the first possible opportunity.” Gezien deze tekst behelzen de removal orders de mededeling van de Zeehavenpolitie dat gebruik gemaakt gaat worden van de bevoegdheid, zoals gegeven in de artikel 5 en 65 Vw, en met name in artikel 65, eerste en tweede lid, Vw, om de vreemdelingen uit te zetten door plaatsing aan boord van een vaartuig in gebruik bij eiseres. Dit is naar het oordeel van de rechtbank een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling en gericht op rechtsgevolg, en daarmee een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb.

2.11 De brief van de Zeehavenpolitie van 9 juni 2004 vermeldt: ”Naar aanleiding van uw fax (…) kan ik u mededelen dat de 3 verstekelingen bij vertrek van de C uit de haven van Rotterdam wel aan boord worden teruggeplaatst. Het aan boord plaatsen van de 3 verstekelingen geschiedt op grond van artikel 5, 2e lid en artikel 65 van de Vreemdelingenwet 2000.”

Deze brief vormt naar het oordeel van de rechtbank een afzonderlijk besluit, dat hierna als aanwijzing zal worden aangeduid. Deze brief bevat de aanwijzing, op grond van de vermelde artikelen van de Vw, dat de vreemdelingen aan boord van de C geplaatst zullen worden en houdt derhalve mede in dat de kapitein aan de uitzetting van de vreemdelingen, zoals is opgenomen in artikel 65, derde lid, Vw, alle medewerking dient te verlenen die de ambtenaar belast met de grensbewaking redelijkerwijs kan vorderen.

2.12 Gezien het voorgaande dienen de brieven van eisers van 9 juni 2004 en 14 juni 2004, die tegen deze besluiten opkomen, als twee afzonderlijke administratieve beroepschriften te worden aangemerkt waarop verweerder bij het bestreden besluit heeft beslist.

De verhouding tussen artikel 5 en 65 Vw en het communautaire recht

2.13 Eisers stellen, als meest verstrekkende beroepsgrond, dat de op artikel 5 en 65 Vw gebaseerde en aan hen opgelegde verplichtingen achterhaald zijn door en in strijd zijn met de veiligheidseisen waar zij aan moeten voldoen op grond van de Verordening (EG) 725/2004.

2.13.1. Om te beginnen stelt de rechtbank vast dat de artikelen 5 en 65 Vw de uitwerking zijn van de communautaire verplichtingen voortvloeiende uit het zogenoemde Schengenacquis. Het standpunt van eisers komt daarom in wezen neer op de stelling dat de bevoegdheden van verweerder op grond van de communautaire regel van artikel 26 SUO opzij gezet zouden zijn door de verplichtingen die voor eisers voortvloeien uit de latere Verordening (EG) 725/2004.

2.13.2. De rechtbank constateert dat noch in de tekst, noch in de considerans expliciet is aangegeven hoe de regels neergelegd in Verordening (EG) 725/2004 zich verhouden tot de regels uit het Schengenacquis. De rechtbank constateert ook dat de in het Schengenacquis vervatte regelgeving nog actueel is, hetgeen kan worden afgeleid uit de vaststelling van Richtlijn 2001/51/EG van de Raad van de Europese Unie van 28 juni 2001, welke dient tot aanvulling van het bepaalde in artikel 26 SUO. Er is dan ook geen grond voor het oordeel dat de enkele anciënniteit van het Schengenacquis reeds mee zou brengen dat de Verordening (EG) 725/2004 het Schengenacquis opzij zou hebben gezet.

2.13.3. Uit de preambule van de Verordening (EG) 725/2004 kan worden opgemaakt dat deze tot doel heeft de veiligheid op en de beveiliging van schepen te vergroten, onder meer door voorkoming van opzettelijke ongeoorloofde acties en in het bijzonder terrorisme. Uit de uitwerking van deze doelstellingen in de bepalingen van de Verordening, door dwingende incorporatie van de ISPS-Code, blijkt onder meer dat schepen moeten voldoen aan een groot aantal veiligheids- en beveiligingseisen, waaronder de controle van opvarenden. Eisers kunnen worden gevolgd in hun stelling dat zij gehouden zijn bij het scheepsvervoer te voldoen aan deze eisen. De rechtbank is echter van oordeel dat uit voornoemde bepalingen niet blijkt dat de exploitant van een schip handelt in strijd met de Verordening indien de identiteit van een opvarende van één van zijn schepen niet middels een authentiek document kan worden vastgesteld. De overige inspanningsverplichtingen in het belang van de veiligheid brengen naar hun aard evenmin mee dat de uit artikel 26 SUO voortvloeiende verplichting tot terugvervoer van een verstekeling niet (langer) kan worden opgelegd. De verklaring van de heer Timmers (gedingstuk A10), wat er van de status van de verklaring van een ambtenaar van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat bij de uitleg in onderhavig geding van de communautaire bepalingen ook zij, noopt niet tot een andere beoordeling, aangezien hij enkel stelt, en niet nader onderbouwt, dat het naar zijn mening onontbeerlijk is dat de kapitein middels een daartoe strekkend authentiek document de identiteit en de nationaliteit kan vaststellen van alle personen die aan boord komen. De rechtbank is van oordeel dat bij een redelijke uitleg van de communautaire bepalingen niet gezegd kan worden dat uit de door Verordening (EG) 725/2004 bindend geworden delen van de ISPS-Code zou moeten worden afgeleid dat aan eisers als vervoerder niet langer de verplichting kan worden opgelegd om de vreemdelingen op grond van artikel 26 SUO en artikel 65 Vw terug te vervoeren.

2.13.4. Ingevolge voorschrift 8 van het SOLAS-Verdrag heeft eiser als kapitein van de C de bevoegdheid om voor de veiligheid of ter beveiliging van het schip personen de toegang tot het schip te ontzeggen. Uit deze bepaling kan echter niet worden afgeleid dat deze bevoegdheid afdoet aan de bevoegdheid van verweerder om als orgaan van een verdragsluitende regering als bedoeld in dat zelfde artikel aan eiser als kapitein ingevolge artikel 65, derde lid, Vw, als uitwerking van artikel 26 SUO, de verplichting op te leggen aan de uitzetting van de vreemdelingen alle medewerking te verlenen die de ambtenaar belast met de grensbewaking redelijkerwijs kan vorderen. Wel zal verweerder gelet op de aard van de bevoegdheid van de kapitein de door deze aangevoerde redenen voor weigering in de redelijkheidstoets die hij op grond van artikel 65, derde lid, Vw, moet verrichten, in de afweging of in een concreet geval een aanwijzing moet worden gegeven, moeten betrekken en zal de uit artikel 65 Vw voortvloeiende verplichting in bepaalde gevallen moeten wijken voor de bevoegdheid die de kapitein heeft op grond van artikel 8 van het SOLAS-Verdrag. De beoordeling of zo’n situatie zich voordoet, ligt echter bij verweerder en niet bij de kapitein.

2.13.5. Gezien het voorgaande is de regeling zoals neergelegd in de artikelen 5 en 65 Vw niet in strijd met de Verordening (EG) 725/2004 en dienen zij niet vanwege die Verordening buiten toepassing gelaten te worden.

De verhouding tussen artikel 5 en 65 Vw en overig internationaal recht

2.14 Eisers stellen voorts dat het terugplaatsen van de vreemdelingen aan boord van de C in strijd is met de Verstekelingenrichtlijn. Ook deze grief geeft, nog daargelaten of een regeling als de Verstekelingenrichtlijn met het karakter van beleidsregels een op het communautaire recht gebaseerde bevoegdheid van verweerder opzij kan zetten, geen aanleiding voor gegrondverklaring van het beroep.

2.14.1. Vooreerst dient te worden vastgesteld dat uit de Verstekelingenrichtlijn blijkt dat alleen het land van de oorspronkelijke haven van inscheping van de verstekeling op grond van artikel 4.2 van de Verstekelingenrichtlijn de verplichting heeft om verstekelingen te laten ontschepen. In dit geval is Ceuta de haven van inscheping. Aangezien de C onder Nederlandse vlag vaart, kan de Nederlandse Staat slechts worden aangemerkt als de vlaggenstaat van het schip. De vlaggenstaat van een schip heeft niet de verplichting verstekelingen te ontschepen. Door de vreemdelingen wel van boord te laten gaan in Rotterdam, heeft verweerder als vertegenwoordiger van de Nederlandse Staat meer gedaan dan waar hij op grond van de Verstekelingenrichtlijn toe verplicht was.

2.14.2. Uit de Verstekelingenrichtlijn kan daarnaast niet worden afgeleid dat verweerder niet de bevoegdheid heeft om de vreemdelingen terug te plaatsen op de C. De doelstelling van de Verstekelingenrichtlijn om het aan boord laten van verstekelingen zo veel mogelijk te voorkomen, is onvoldoende voor een ander oordeel. Ook de Verstekelingenrichtlijn brengt daarom niet mee dat aan eisers niet de verplichting kan worden opgelegd voortvloeiende uit artikel 26 SUO en artikel 65 Vw. Dat eiseres zich sedert de ontdekking van de verstekelingen de nodige moeite heeft getroost om de identiteit van de verstekelingen te achterhalen en dat verweerder ook initiatief heeft getoond tot presentatie van de vreemdelingen bij de autoriteiten van hun gestelde landen van herkomst, vormt, anders dan eisers nog hebben aangevoerd, evenmin reden om oplegging van de verplichting tot vervoer van de vreemdelingen in strijd met de Verstekelingenrichtlijn te achten.

De removal orders

2.15 Niet in geschil is dat de door verweerder geweigerde vreemdelingen op een schip van eiseres in Nederland zijn binnengekomen.

2.15.1. De economische belangen die eiseres heeft aangevoerd tegen oplegging van de verplichting om de vreemdelingen terug te vervoeren vormen geen wettelijke grond om van oplegging van de verplichting af te moeten zien. Artikel 26 SUO en 65, eerste en tweede lid, Vw bieden geen ruimte aan verweerder om vanwege dergelijke concrete bezwaren af te zien van oplegging van een algemene terugvervoerverplichting zoals hier is geschied.

2.15.2. Voorts is van belang dat uit gegevens van de IMO blijkt dat Spanje sinds 1962 lid is van de IMO, zodat Ceuta, als onderdeel van Spanje, op grond van de Verstekelingenrichtlijn verplicht is de vreemdelingen te laten ontschepen. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat in dit geval Ceuta de vreemdelingen niet zal laten ontschepen. Verweerder heeft er bij die stand van zaken van uit mogen gaan dat de vreemdelingen enkel gedurende de reis naar Ceuta aan boord verblijven, zodat verweerder aan de stelling dat de vreemdelingen voor onbepaalde tijd aan boord zullen blijven, voorbij heeft kunnen gaan.

2.15.3. De gronden die zich richten tegen de removal orders, ofwel de door verweerder aan eiseres aangezegde verplichtingen voortvloeiende uit artikel 65, eerste en tweede lid, Vw, kunnen niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

De aanwijzing

2.16 Eisers hebben aangevoerd dat terugplaatsing van de vreemdelingen op de C een onveilige situatie zal opleveren. Verweerder heeft zich ten aanzien van die stelling in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat het beroep op het veiligheidsaspect dient te falen omdat dit aspect bij het maken van de keuze om door te varen naar Rotterdam kennelijk niet van een dusdanig groot belang is geweest dat werd besloten de verstekelingen terug te vervoeren naar hun opstaphaven of in een eerdere haven van boord te laten gaan. Dit argument kan het besluit niet dragen, omdat thans niet de vraag voor ligt of van eisers kon worden verlangd de verstekelingen aan boord te houden tot Rotterdam, doch uitsluitend de vraag of de gedwongen terugkeer van de vreemdelingen aan boord van het schip kan worden gevergd. Die situaties en de consequenties voor de veiligheid kunnen niet over een kam worden geschoren. Bovendien zijn sedert de inreis van de vreemdelingen de nieuwe veiligheidsvoorschriften uit de Verordening (EG) 725/2004 van kracht geworden, die een hernieuwde beoordeling van de veiligheidsaspecten rechtvaardigen. De C is bovendien een chemicaliëntanker; aangenomen mag worden dat de lading die een dergelijk schip pleegt te vervoeren maakt dat daardoor een bijzonder veiligheidsrisico aanwezig is.

2.16.1. Verweerder is evenmin ingegaan op de stelling van eisers dat het in verband met de veiligheid niet mogelijk is om de vreemdelingen tegelijkertijd te vervoeren op de C, maar heeft in reactie op die bezwaargrond gesteld dat eiseres beschikt over twaalf schepen, zodat de noodzaak ontbreekt om de vreemdelingen gelijktijdig aan boord van de C uit Nederland te laten vertrekken. In de aanwijzing is echter alleen de C aangewezen om de vreemdelingen tegelijkertijd te vervoeren. Nu verweerder de door eisers aangedragen stellingen aangaande de veiligheid op de C bij gedwongen terugkeer van de vreemdelingen enkel heeft gepareerd door te verwijzen naar de overige schepen van eiseres, heeft hij het besluit ontoereikend gemotiveerd.

2.16.2. Daarnaast heeft verweerder, nog daargelaten dat de aanwijzing niet op plaatsing op andere schepen ziet, het besluit onzorgvuldig voorbereid en daarmee onvoldoende gemotiveerd door daarin ook de andere schepen van eiseres te betrekken zonder te hebben onderzocht of de accommodatie op de andere schepen van eiseres zodanig is dat vervoer op die schepen zonder onaanvaardbaar gevaar voor de veiligheid kan plaatsvinden.

Conclusie

2.17 Nu het bestreden besluit op deze punten onvoldoende gemotiveerd is en derhalve in strijd is met artikel 7:26, eerste lid, Awb, zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren. Het bestreden besluit, doch uitsluitend voor zover dat betreft de handhaving in administratief beroep van de aanwijzing van 9 juni 2004 van de C als schip waarmee de twee vreemdelingen dienen te worden terugvervoerd uit Nederland, kan niet in stand blijven.

2.18 De rechtbank ziet aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten, zulks met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De kosten zijn op voet van het bepaalde in het bovengenoemde Besluit vastgesteld op € 644,-- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).

2.19 Uit de gegrondverklaring volgt dat verweerder het betaalde griffierecht ad € 273,-- dient te vergoeden.

3. BESLISSING

3.1 De rechtbank:

3.2 verklaart het beroep gegrond;

3.3 vernietigt het bestreden besluit voor zover daarin het administratief beroep tegen de aanwijzing van 9 juni 2004 ongegrond is verklaard;

3.5 veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan eiser moet voldoen;

3.6 wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eisers betaalde griffierecht ad € 273,--.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.M. Bruin, voorzitter, en mrs. J.P. Smit en H.C. Greeuw, leden van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken, en uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2005, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Kruithof als griffier.

Afschrift verzonden op: 21 januari 2005

Coll:

RECHTSMIDDEL

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak.