Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AS4065

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-01-2005
Datum publicatie
27-01-2005
Zaaknummer
09/753181-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

[...] Verdachte, eigenaar van een uitzendbureau, heeft in een champignonkwekerij waaraan hij arbeidskrachten leverde ruzie gekregen met de leidinggevende van een ander uitzendbureau, dat arbeidskrachten leverde tegen een lager uurloon dan verdachte. Verdachte heeft daarop, toen beiden naar buiten waren gegaan, het slachtoffer met de achterkant van een vuurwapen meerdere malen hard op het achterhoofd geslagen, waardoor deze zwaar gewond is geraakt. Vervolgens heeft verdachte met een vuurwapen geschoten op een familielid van het eerste slachtoffer die zijn zwager te hulp was gekomen; hierdoor viel deze zwaar gewond ter aarde. Verdachte heeft daarop de benen genomen en is twee dagen later aan de grens tussen Oostenrijk en Hongarije aangehouden. [...]

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09/753181-04

rolnummer 8

's-Gravenhage, 27 januari 2005

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], Turkije,

adres: [adres],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Rijnmond,

Huis van Bewaring De IJssel,

te Krimpen aan den IJssel.

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 30 juli 2004, 19 oktober 2004 en 13 januari 2005.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr Th.U. Hiddema, advocaat te Maastricht, is ter terechtzitting van 30 juli 2004 en 13 januari 2005 verschenen en gehoord.

Er heeft zich een benadeelde partij gevoegd.

De officier van justitie mr Degeling heeft gevorderd dat verdachte terzake van de hem bij dagvaarding onder 1 primair en 2 primair telastgelegde pogingen tot moord met voorbedachten rade - met toepassing van artikel 422 van het Wetboek van Strafrecht - wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaar, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] tot een bedrag van € 8.500,- (gemiste inkomsten voor arbeid € 3.500,-; smartengeld € 5.000,- bij wijze van voorschot), tot afwijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 779,- (kosten kleding € 250,- en vergoeding ziekenhuis

€ 529,-) en tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij voor een bedrag van € 10.000,- (terzake van smartengeld).

De telastlegging.

Aan de verdachte is telastgelegd hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A.

Vrijspraak.

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte bij dagvaarding onder 1 primair en 1 subsidiair is telastgelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen.

P.M.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast. Op grond daarvan is de rechtbank tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat de verdachte de op de dagvaarding onder 1 meer subsidiair en 2 primair telastgelegde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar.

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat zijn cliënt bij zijn confrontatie met [betrokkene] (feit 1) heeft gehandeld uit noodweer dan wel noodweerexces (artikel 41 Wetboek van Strafrecht).

De rechtbank verwerpt dit verweer. Anders dan de raadsman is zij van mening dat niet gesproken kan worden van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding waartegen verdachte zich moest verweren. Zij baseert zich hierbij op de verklaring van [betrokkene] die wordt ondersteund door [benadeelde partij]. De rechtbank acht hetgeen verdachte heeft verklaard dan ook niet aannemelijk, temeer daar hij steeds wisselende, elkaar tegensprekende, verklaringen heeft afgelegd die bovendien niet stroken met het gegeven dat op de muur waar de confrontatie tussen verdachte en [betrokkene] zou hebben plaatsgevonden, geen bloed is aangetroffen.

De rechtbank is met het oog op het vorenstaande van oordeel dat er geen sprake is geweest van een noodweersituatie. Nu zich geen noodweersituatie voordeed, kan verdachte zich niet met goed gevolg beroepen op noodweerexces.

De verdachte is deswege strafbaar, nu te zijnen aanzien geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte, eigenaar van een uitzendbureau, heeft in een champignonkwekerij waaraan hij arbeidskrachten leverde ruzie gekregen met de leidinggevende van een ander uitzendbureau, dat arbeidskrachten leverde tegen een lager uurloon dan verdachte. Verdachte heeft daarop, toen beiden naar buiten waren gegaan, het slachtoffer met de achterkant van een vuurwapen meerdere malen hard op het achterhoofd geslagen, waardoor deze zwaar gewond is geraakt. Vervolgens heeft verdachte met een vuurwapen geschoten op een familielid van het eerste slachtoffer die zijn zwager te hulp was gekomen; hierdoor viel deze zwaar gewond ter aarde. Verdachte heeft daarop de benen genomen en is twee dagen later aan de grens tussen Oostenrijk en Hongarije aangehouden.

Op deze wijze heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan bijzonder ernstige feiten. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij zich bij zijn handelen in het geheel geen rekenschap heeft gegeven van het risico dat hij nam ten aanzien van het leven van met name het tweede slachtoffer. Dat dit slachtoffer in deze zinloze schietpartij niet is gedood is niet aan verdachte te danken geweest. Verdachte heeft de slachtoffers zwaar letsel en veel pijn toegebracht en hen voorts veel angst aangejaagd. Het kan absoluut niet getolereerd worden dat op een situatie waarin de verdachte zich bevond, wordt gereageerd zoals hij heeft gedaan.

De rechtbank heeft in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens een hem betreffend Uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister d.d. 22 april 2004, reeds eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen, ook voor geweldsdelicten, en daarbij ook tot onvoorwaardelijke gevangenisstraffen is veroordeeld.

Wat betreft de persoon van verdachte houdt de rechtbank rekening met het rapport van drs. R. Thomassen, psychiater te 's-Gravenhage, d.d. 22 november 2004, dat als conclusie onder meer inhoudt dat er ten tijde van de telastgelegde feiten bij betrokkene geen sprake was van een psychiatrische stoornis en dat betrokkene ook niet voldoet aan de criteria voor alcoholafhankelijkheid of alcoholmisbruik. De feiten kunnen volgens de rapporteur dan ook volledig aan betrokkene worden toegerekend.

Voorts houdt de rechtbank rekening met het rapport van drs. F.G. Schilder, psycholoog te Rotterdam, d.d. 7 december 2004. Ook deze deskundige komt tot de conclusie dat er bij betrokkene geen sprake was van een persoonlijkheidsstoornis of een psychiatrische stoornis en dat er ten tijde van de telastgelegde feiten dan ook geen sprake is geweest van een gebrekkige ontwikkeling en/of ziekelijke stoornis. Betrokkene dient als volledig toerekeningsvatbaar te worden beschouwd.

De rechtbank heeft ook acht geslagen op het milieurapport van de Reclassering Nederland, ressort Den Haag, d.d. 8 december 2004.

De rechtbank neemt de conclusies van de beide deskundigen voor wat betreft de toerekeningsvatbaarheid van de verdachte over en maakt die tot de hare.

Gelet op het vorenstaande en mede gelet op het feit dat de rechtbank, in tegenstelling tot de officier van justitie, niet de voorbedachte rade en van feit 1 het meer subsidiair telastgelegde bewezen acht, is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden is. De rechtbank heeft bij de strafmaat artikel 422 van het Wetboek van Strafrecht toegepast.

De vordering van de benadeelde partij.

[benadeelde partij], wonende te [woonplaats], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 22.289,76. Ter terechtzitting is de vordering namens de benadeelde partij verminderd met een bedrag van € 45,- terzake van de kosten inlichtingen ziekenhuis, waarna de vordering thans € 22.244,76 bedraagt.

De verdachte heeft de hem telastgelegde feiten ontkend en met het oog daarop de vordering van de benadeelde partij weersproken.

De vordering is gedeeltelijk eenvoudig van aard en vindt rechtstreeks - naar uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken - haar grondslag in het bij dagvaarding onder 2 primair telastgelegde en bewezenverklaarde feit. De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partij (gedeeltelijk) ontvankelijk is in zijn vordering en zal deze vordering als volgt toewijzen.

Voorzover de vordering betrekking heeft op de kosten voor rechtsbijstand ten bedrage van € 2.965,76, is deze door de bij het Voegingsformulier gevoegde bescheiden gestaafd; de rechtbank zal de vordering voor dit bedrag toewijzen.

Voor wat betreft de kledingkosten ten bedrage van € 250,- acht de rechtbank een bedrag van € 100,- redelijk en billijk, aangezien sprake was van werkkleding en verder deze vordering niet met bescheiden is onderbouwd. Voor het overige zal de benadeelde partij niet ontvankelijk worden verklaard.

Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade zal de rechtbank een bedrag van € 5.000,- bij wijze van voorschot toewijzen. Aangezien de gevorderde immateriële schade slechts zeer summier is onderbouwd, acht de rechtbank dit een redelijk bedrag. Voor wat betreft het overige gevorderde bedrag aan immateriële schade, verklaart de rechtbank de vordering niet ontvankelijk.

Voor wat betreft de gemiste inkomsten voor arbeid ten bedrage van € 3.500,-, alsmede de ziekenhuisvergoeding ten bedrage van € 529,-, zal de rechtbank de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren, nu de vordering wat deze posten betreft onvoldoende is onderbouwd.

De toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 45, 57, 289, 302 en 422 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding onder 1 primair en 1 subsidiair telastgelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding onder 1 meer subsidiair en 2 primair telastgelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1 meer subsidiair:

POGING TOT ZWARE MISHANDELING;

ten aanzien van feit 2 primair:

POGING TOT DOODSLAG;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 6 (ZES) JAAR;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

aangehouden in Oostenrijk bij de grens met Hongarije: 17 maart 2004;

in verzekering in Nederland gesteld op : 20 april 2004;

in voorlopige hechtenis gesteld op : 23 april 2004;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte voorts:

om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [benadeelde partij], wonende te [adres], een bedrag van € 8.065,76, met veroordeling tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot deze uitspraak begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij] voornoemd voor het overige niet ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat deze zijn vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag groot € 8.065,76 ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde partij];

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 161 dagen;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mrs Van Belzen, voorzitter,

Veldt-Foglia en Van Maurik, rechters,

in tegenwoordigheid van Van den Bosch, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 januari 2005.

mr Van Maurik is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen