Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AS3478

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-01-2005
Datum publicatie
28-01-2005
Zaaknummer
AWB 04/9734
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Somalië / interim measure / procesbelang.

Eiser heeft rechtsmiddelen aangewend tegen de voorgenomen feitelijke handeling tot verwijdering uit Nederland. Hangende de behandeling van de procedures heeft eiser een interim measure verkregen. De minister is aan de interim measure tegemoet gekomen en heeft eiser op de geplande dag niet uitgezet. Om die reden is de rechtbank van oordeel dat eiser op het moment van de beoordeling van het beroep geen actueel belang heeft bij de inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. De omstandigheid dat een dergelijke of vergelijkbare feitelijke handeling in de toekomst weer tegen eiser zou kunnen worden voorgenomen, maakt niet dat eiser daardoor thans een belang heeft bij de inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Beroep niet-ontvankelijk.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 72
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2005/141

Uitspraak

Rechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 04/9734 BEPDTN

inzake: A, geboren op [...] 1983, van Somalische nationaliteit, eiser,

gemachtigde: mr. Ph.J. Schüller, advocaat te Amsterdam,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,

gemachtigde: mr. J.J. Hofland, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het ministerie van Justitie.

I. PROCESVERLOOP

1. Na het onherroepelijk worden van de afwijzing van de aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 heeft verweerder op 31 december 2003 besloten eiser op 16 januari 2004 via Nairobi naar Somalië te verwijderen. Bij bezwaarschrift van 8 januari 2004 heeft eiser tegen deze voorgenomen uitzetting bezwaar gemaakt. Tevens heeft eiser op 9 januari 2004 een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend. Bij uitspraak van 20 januari 2004 is dit verzoek door de voorzieningenrechter van deze rechtbank en nevenzittingsplaats afgewezen.

2. Vervolgens heeft de gemachtigde van eiser op 15 januari 2004 bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) een verzoek ingediend tot het treffen van een spoedvoorziening, een zogeheten interim measure tegen de dreigende uitzetting van eiser. Ten aanzien van eiser is door de President van het EHRM een interim measure getroffen waarbij de Nederlandse Staat is verzocht om tot nadere kennisgeving niet over te gaan tot verwijdering van eiser. Verweerder heeft aan dit verzoek van de President van het EHRM gehoor gegeven en heeft de geplande uitzetting van 16 januari 2004 afgelast. Het bezwaar van eiser is bij besluit van 27 februari 2004 ongegrond verklaard.

3. Bij beroepschrift van 1 maart 2004 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. De gronden van het beroep zijn ingediend bij brief van 30 maart 2004 en aangevuld bij brieven van 26 oktober 2004, 19 november 2004 en 29 november 2004. Op 9 juni 2004 zijn de op de beroepszaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 6 oktober 2004 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

Tevens heeft eiser op 1 maart 2004 een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend. Bij uitspraak van 15 juli 2004 is dit verzoek door de voorzieningenrechter van deze rechtbank en nevenzittingsplaats toegewezen.

4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 december 2004. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig Z. Jumale, tolk in de Somali taal.

II. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is allereerst de vraag of het beroep ontvankelijk is en in het bijzonder of eiser belang heeft bij de inhoudelijke beoordeling van het beroep.

2.1. Daartoe overweegt de rechtbank allereerst het volgende.

Het onderhavige beroep is gericht tegen het besluit tot kennelijke ongegrondverklaring van het bezwaarschrift. Het onderliggende bezwaarschrift is gericht tegen een feitelijke handeling als bedoeld in artikel 72, derde lid, van de Vw 2000, te weten de eerder voorgenomen verwijdering van eiser uit Nederland. Nu de datum van de voorgenomen verwijdering reeds was verstreken op het moment dat het bestreden besluit werd genomen, vat de rechtbank het bestreden besluit op als een besluit van verweerder om vast te houden aan de rechtmatigheid van de eerder voorgenomen feitelijke handeling.

In het verlengde hiervan vat de rechtbank de inzet van het door eiser ingestelde beroep dan ook op als het verlangen om beoordeeld te zien of verweerder terecht heeft vastgehouden aan de rechtmatigheid van de voorgenomen verwijdering langs de daarbij voorgenomen route en omstandigheden. Eiser heeft niet gesteld dat andere doelen of belangen met het beroep zijn gediend.

Ten overvloede merkt de rechtbank in dit kader nog op dat verweerder inmiddels erkend heeft dat eiser op grond van de interim measure rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8 sub h van de Vw 2000, dat verweerder een vertrekmoratorium heeft ingesteld dat ook betrekking heeft op eiser en dat eiser is toegelaten tot de opvang.

2.2. Voor de vraag of eiser procesbelang heeft is bepalend of eiser een actueel belang heeft bij de inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Het belang bij het vestigen van jurisprudentie voor volgende procedures, vormt in dit kader onvoldoende aanleiding om over te gaan tot inhoudelijke beoordeling. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: AbRS) van 7 november 2000, 200003584/1, JB 2000/349. Derhalve is voor het aannemen van het bovenbedoelde procesbelang vereist dat een positieve uitkomst van de onderhavige procedure dient te kunnen leiden tot een gunstigere positie voor eiser.

2.3. De rechtbank is, gelet op deze maatstaf, van oordeel dat eiser geen belang heeft bij de inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Daartoe acht de rechtbank redengevend dat verweerder de in januari 2004 voorgenomen verwijdering heeft afgelast.

In dit kader wordt overwogen dat de voorgenomen verwijdering waarop het besluit betrekking heeft een handeling is als bedoeld in artikel 72, derde lid, van de Vw 2000. Dit betekent dat, voor de toepassing van het in dit geval geldende procesrecht, de voorgenomen verwijdering gelijk dient te worden gesteld met een beschikking. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van de AbRS van 29 mei 2001, 200101994/1, AB 2001/266.

De omstandigheid dat een dergelijke of vergelijkbare feitelijke handeling in de toekomst weer tegen eiser zou kunnen worden voorgenomen, indien en nadat de procedures bij het EHRM met een voor eiser negatieve uitkomst zouden zijn afgerond, maakt niet dat eiser daardoor thans een belang heeft bij de inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Daartoe is doorslaggevend dat bij een eventueel toekomstig voornemen tot verwijdering sprake zou zijn van een nieuwe handeling, waartegen dit beroep niet gericht is en die in dit geding dan ook nog niet aan de orde kan zijn. Voorts is op dit moment nog niet duidelijk op welke wijze een dergelijke handeling en onder welke omstandigheden die eventuele handeling zal worden uitgevoerd. Daarom is het niet alleen rechtens maar ook feitelijk niet mogelijk om deze eventuele handeling bij dit beroep te betrekken. Het belang bij het vestigen van jurisprudentie voor een eventuele volgende verwijdering vormt, zoals hierboven reeds is aangegeven, onvoldoende aanleiding om tot inhoudelijke beoordeling over te gaan.

3.1. De door eiser aangevoerde argumenten kunnen niet tot een ander oordeel leiden.

3.2. Allereerst is de rechtbank van oordeel dat, anders dan eiser naar voren brengt, de bepalende vraag is of eiser op het moment van de behandeling van het beroep belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling daarvan. Dat een beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien tijdens de procedure door wijziging van omstandigheden het belang daarvan is vervallen, blijkt ook uit de parlementaire geschiedenis van de Awb (TK 1991-1992, 22495, nr. 3, PG AWB II, p. 465) en bijvoorbeeld uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: AbRS) van 14 september 1999, H01.98.1540, AB 1999/443.

De stelling van eiser dat de rechterlijke toetsing van een besluit volgens het bestuursprocesrecht, behoudens uitzonderingen, ex tunc dient plaats te vinden doet hier niet aan af. De hier voorliggende vraag heeft immers betrekking op de ambtshalve beoordeling door de rechtbank of sprake is van een procesbelang, welke beoordeling vooraf gaat aan en niet gelijk gesteld kan worden met de toetsing van het besluit.

3.3. Voorts overweegt de rechtbank dat het betoog van eiser dat het ne bis in idem beginsel in de weg zal staan van een rechterlijke beoordeling van een volgende verwijdering, niet kan slagen.

De uitspraak van de AbRS van 28 oktober 2004, 200407707/1, waarnaar eiser in dit kader verwijst, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Deze uitspraak had immers betrekking op een verzoek om terug te komen op een in rechte onaantastbaar geworden besluit. Een dergelijk verzoek kan niet gelijk gesteld worden met hetgeen in de onderhavige procedure aan de orde is.

De rechtbank overweegt daartoe dat een handeling als bedoeld in artikel 72, derde lid, van de Vw 2000 door zijn aard geen werking kan hebben na het tijdstip waarop de handeling is of zou zijn uitgevoerd. Het voornemen die handeling te verrichten kan daarom slechts betrekking hebben op de daarin omschreven handeling en op het tijdstip, de wijze en de omstandigheden die betrekking hebben op deze specifieke handeling. Ook in dit geval kan van tevoren niet zonder meer aangenomen worden dat een eventuele volgende verwijdering via de in december voorgenomen route en ook overigens op dezelfde wijze en onder dezelfde omstandigheden zal plaatsvinden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de aard van het begrip feitelijke handeling zich er tegen verzet dat een bezwaarschrift tegen een eventuele volgende (voorgenomen) verwijdering van eiser wordt beschouwd als een verzoek om terug te komen op het in dit geding aan de orde zijnde voornemen tot verwijdering.

3.4. De nog door eiser opgeworpen stelling dat bij eventuele opheffing van de interim measure geen rechtsmiddelen meer open zouden staan tegen de beoordeling van de wijze van uitzetting en dat daarom geen sprake zal zijn van een effective remedy in de zin van artikel 13 van het EVRM, kan, gelet op hetgeen hierboven is overwogen, dan ook niet gevolgd worden. Ook de opvatting dat, indien de rechtbank zich onthoudt van een inhoudelijk oordeel, dit niet zou stroken met het beginsel dat primair de lidstaten zelf verantwoordelijk zijn voor het handhaven van het EVRM, wordt – wat daar overigens ook van zij – gelet op hetgeen hiervoor is overwogen niet gevolgd.

3.5. Het argument van eiser tenslotte dat bij het niet-ontvankelijk verklaren van dit beroep geen sprake zal zijn van een inhoudelijke beoordeling van zijn beroepsgronden over de wijze van uitzetting, kan evenmin tot een ander oordeel leiden. De beantwoording van de door eiser opgeworpen rechtsvragen hebben in dit geval, gezien het bovenstaande, nog slechts een theoretische betekenis. Dit kan niet leiden tot de conclusie dat eiser in deze zaak nog een actueel belang heeft bij een inhoudelijke uitspraak op het beroep. De rechtbank verwijst in dit kader eveneens naar de uitspraak van de AbRS van 14 september 1999, H01.98.1450, AB 1999/443.

Daarbij merkt de rechtbank op dat het vervallen van het procesbelang van eiser niet is gelegen in het instellen van het vertrekmoratorium, maar in het feit dat verweerder vanwege de toegewezen interim measure heeft afgezien van het uitvoeren van de feitelijke handeling, te weten de verwijdering van eiser.

4. Gelet op hetgeen hierboven is overwogen, ziet de rechtbank evenmin aanleiding de behandeling van het beroep aan te houden, zoals eiser subsidiair heeft verzocht.

5. De rechtbank concludeert dat het beroep van eiser niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

6. Gelet op het voorgaande is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De rechtbank

verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Gewezen door mr. W.J. van Bennekom, rechter,

in tegenwoordigheid van drs. Y.H.F. van Veldhuizen, griffier, en openbaar gemaakt op: 10 januari 2005

De griffier De voorzitter

Afschrift verzonden op: 10 januari 2005

Conc: LB

Coll:

Bp: -

D: b

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.