Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AR8791

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-01-2005
Datum publicatie
18-01-2005
Zaaknummer
409967/04.1063
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aandelenlease. WCK niet van toepassing op deze overeenkomsten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

zaak/rolnr. : 409967/04.1063

vonnisdatum : 4 januari 2005

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector kanton - locatie Alphen aan den Rijn

Vonnis in de zaak van:

De naamloze vennootschap Dexia Bank Nederland N.V., rechtsopvolgster onder algemene titel van Bank Labouchere N.V., eveneens handelend onder de handelsnaam Legio en op haar beurt rechtsopvolgster van Legio Lease B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam,

eisende partij in conventie bij dagvaarding d.d. 11 maart 2004,

verwerende partij in reconventie,

gemachtigde E. van Mastrigt,

- tegen -

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

gemachtigde mr. M.V.J. Noordermeer,

rolgemachtigde E. van Mastrigt.

1. De procedure

De kantonrechter heeft acht geslagen op de navolgende stukken:

- dagvaarding met producties;

- conclusie van antwoord in conventie, tevens houdende conclusie van eis in reconventie met producties;

- conclusie van repliek in conventie, tevens houdende conclusie van antwoord in reconventie tevens houdende akte voorwaardelijke wijziging van eis met producties;

- conclusie van dupliek in conventie, tevens houdende conclusie van repliek in reconventie met producties;

- conclusie van dupliek in reconventie met producties.

2. Overwegingen

2.1 Tussen partijen - verder te noemen Dexia en [gedaagde] - staat, mede gelet op de door partijen overgelegde producties, als niet dan wel onvoldoende weersproken, het volgende vast:

a. Dexia is de rechtsopvolgster onder algemene titel van de Bank Labouchere N.V. (hierna Labouchere), op haar beurt rechtsopvolgster van Legio Lease B.V. (hierna Legio Lease).

a. Op 15 februari 1999 heeft [gedaagde] met Labouchere twee lease-overeenkomsten gesloten onder de nummers 38000110 en 38000111 onder de naam "SpaArEXtra" (hierna : gezamenlijk de overeenkomsten en ieder afzonderlijk de overeenkomsten I en II). De gelijkluidende overeenkomsten hebben een looptijd van 180 maanden waarbij [gedaagde] van Legio Lease een aangekocht Legio AEX-plus Certificaat (in de overeenkomsten ook aangeduid als de "waarden") met een aankoopbedrag van € 3.884,56 least voor een lease-som van € 8.168,04. Deze lease-som is opgebouwd uit het voormelde aankoopbedrag en een bedrag van € 4.283,48 aan rente.

c. In de door Dexia overgelegde fiscale opinie is voornoemd certificaat omschreven als een waardepapier dat bij inlevering recht geeft op een uitkering welke gekoppeld is aan de ontwikkeling van de AEX inclusief herbeleggingselement.

a. [gedaagde] diende volgens de overeenkomsten de genoemde leasesom als volgt aan Legio Lease te voldoen: gedurende 60 maanden een termijn van € 45,38, via automatische incasso te betalen op of omstreeks de 1e dag van iedere maand.

e. Artikel 3 van de overeenkomsten houdt in:

"Lessee kan deze lease-overeenkomst na 60 maanden dagelijks met onmiddellijke ingang en zonder annuleringskosten beëindigen, onder betaling of verrekening van de restant-hoofdsom op dat moment.".

f. De op de overeenkomsten toepasselijke "Bijzondere Voorwaarden Effecten Lease" (hierna de bijzondere voorwaarden) houden onder meer in:

"(...)

2. Legio-Lease en lessee komen overeen dat het eigendom van de waarden op lessee overgaat door vervulling van de opschortende voorwaarde dat lessee aan al zijn verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst heeft voldaan. Legio-Lease behoudt de eigendom van de waarden totdat lessee aan al zijn verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst heeft voldaan (...).Legio-Lease draagt het risico van het verloren gaan van de waarden (maar uitdrukkelijk niet de koerswaarde van de waarden) totdat deze eigendom van lessee zijn geworden.

5. Indien (a) lessee na schriftelijk ingebrekestelling nalatig blijft met het betalen van één of meer maandtermijnen (...) is Legio-lease gerechtigd de overeenkomst (...) terstond te beëindigen en het onbetaalde restant van de overeengekomen leasesom(men) (...) in zijn geheel op te eisen en de waarden te verkopen op een door Legio-Lease te bepalen moment. Legio-Lease zal de opbrengst van die verkoop in mindering brengen op datgene wat lessee haar verschuldigd is. Een eventueel batig saldo zal asldan door Legio-Lease aan lessee worden uitbetaald.

11. (...) In geval van ontbinding van de overeenkomst zal de vordering van lessee bestaan in een bedrag gelijk aan de verkoopwaarde van de waarden op de datum van ontbinding verminderd met een bedrag gelijk aan de contante waarde van het onbetaalde restant van de totaal overeengekomen leasesom. De contante waarde wordt berekend overeenkomstig het bepaalde in artikel 7A:1576e lid 2 BW.

(...)"

a. Gedurende de looptijd van de overeenkomsten I en II zijn 8 respectievelijk 12 van de onder c genoemde maandtermijnen à € 45,38 via automatische incasso ten laste van de rekening van [gedaagde] betaald.

h. Dexia heeft de overeenkomsten na 36 maanden wegens betalingsachterstand beëindigd en eindafrekeningen opgesteld ingevolge welke [gedaagde] uit hoofde van overeenkomst I een bedrag van € 1.406,47 en uit hoofde van overeenkomst II een bedrag van € 1.197,72 aan haar dient te voldoen.

2.2 Dexia vordert in conventie bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen om aan haar tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 2.604,19 wegens hoofdsom, € 378,08 wegens contractuele rente ad 0,96% per maand vanaf 15 maart 2002 tot en met 11 maart 2004, € 483,14 wegens buitengerechtelijke incassokosten (inclusief BTW), in totaal derhalve € 3.465,41, vermeerderd met de contractuele rente, althans de wettelijke rente, over € 2.604,19 vanaf 2 juli 2003 tot de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het geding.

2.3 Dexia heeft aan haar vordering - kort gezegd - ten grondslag gelegd dat partijen de overeenkomsten zijn aangegaan voor een periode van 15 jaar. De overeenkomsten zijn voortijdig beëindigd omdat [gedaagde] de maandtermijnen niet meer voldeed. Daaraan voorafgaand heeft Intrum Justitia een aangetekend schrijven verstuurd met een herhaald betalingsverzoek en een aanzegging om tot verkoop van de aandelenportefeuilles over te gaan. Bij beëindiging van de overeenkomsten zijn de aangekochte aandelen verkocht en is de opbrengst daarvan aangewend ter aflossing van de aan de bank verschuldigde lening ten behoeve van de aankoop. [gedaagde] is nalatig gebleven met het voldoen van de restantvordering aan Dexia.

2.4 Naar aanleiding van het verweer van [gedaagde] heeft Dexia gesteld dat zij [gedaagde] meermalen heeft verzocht zijn maandtermijnen te voldoen. Deze aanmaningen alsmede de aankondiging verkoop zijn allemaal naar het bij de bank bekende adres van [gedaagde] gestuurd, te weten [adres]. Van een adreswijziging was de bank niet op de hoogte. Indien [gedaagde] daar niet meer woonachtig was en daarom de aanmaningen niet heeft ontvangen, blijft dit voor zijn rekening en risico. In de periode van 25 april 2000 tot en met 14 november 2002 heeft de bank regelmatig contact gehad over de achterstallige termijnen. Verder heeft [gedaagde] 7 keer telefonisch en 1 keer per brief contact opgenomen met de bank. Getracht is om een betalingsregeling te treffen, maar deze is niet tot stand gekomen. Dat [gedaagde] de aanmaning en de eindafrekening niet ontvangen zou hebben doet overigens niets af aan het vorderingsrecht van de bank. Nu [gedaagde] niet heeft gereageerd op de sommatiebrief valt niet in te zien dat hij de vordering wel zou hebben voldaan naar aanleiding van de aanmaning of de eindafrekening.

2.5 Door middel van een voorwaardelijke wijziging van eis vordert Dexia op grond van artikel 6:278 BW, onder de voorwaarde dat enig deel van de hierna vermelde vordering in reconventie van [gedaagde] wordt toegewezen, veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een bedrag gelijk aan het verschil tussen enerzijds de aankoopwaarde van de in artikel 1 van de overeenkomst genoemde effecten en anderzijds de waarde van bedoelde effecten op de datum van vernietiging of ontbinding van de overeenkomst, althans de waarde ten tijde van de verkoop van de effecten.

2.6 [gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd in conventie, welk verweer voor zover nodig bij de beoordeling zal worden weergegeven en besproken, en in reconventie, na wijziging van eis, het volgende gevorderd:

primair, voor recht te verklaren dat de overeenkomsten nietig zijn op grond van de WCK, subsidiair, vernietiging van de overeenkomsten op grond van misbruik van omstandigheden, meer subsidiair vernietiging van de overeenkomsten op grond van dwaling, nog meer subsidiair voor recht te verklaren dat Dexia toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomsten en voor recht te verklaren dat Dexia aansprakelijk is voor de schade die [gedaagde] heeft geleden door de toerekenbare tekortkomingen, meest subsidiair voor recht te verklaren dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld jegens [gedaagde] en voor recht te verklaren dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade die [gedaagde] heeft geleden als gevolg van dit onrechtmatig handelen, in alle hiervoor genoemde gevallen met veroordeling van Dexia tot betaling aan [gedaagde] tegen behoorlijk bewijs van kwijting van € 907,60 (de uit hoofde van de overeenkomsten onverschuldigd betaalde inleg) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2000 tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van Dexia in de kosten van deze procedure.

2.7 Dexia heeft de vordering in reconventie gemotiveerd betwist onder verwijzing naar hetgeen zij in conventie heeft gesteld.

Beoordeling in conventie en in reconventie

2.8 [gedaagde] heeft erkend dat hij na 8 respectievelijk 12 maanden is opgehouden met de betaling van de tussen partijen overeengekomen maandtermijnen. In punt 2.7 van de conclusie van antwoord/eis heeft [gedaagde] toegelicht dat zijn financiële situatie het niet meer toestond om bedragen opzij te zetten. [gedaagde] voert in conventie onder andere het verweer dat hij niet in verzuim is geraakt, omdat hij nimmer een schriftelijke ingebrekestelling zoals voorgeschreven in artikel 5 van de algemene voorwaarden heeft ontvangen. Op of omstreeks 15 maart 2002 was hij niet meer woonachtig op het adres [adres], omdat hij was verhuisd naar het adres [adres]. [gedaagde] stelt dat hij de adreswijziging tijdig aan Dexia heeft doorgegeven. Volgens [gedaagde] is hij door het vorenstaande niet in de gelegenheid is geweest om zijn verplichtingen alsnog na te komen. Dexia was daarom volgens hem niet gerechtigd om tot beëindiging van de overeenkomsten over te gaan. Pas op 10 oktober 2003 heeft [gedaagde] de eerste brief ontvangen van de incassogemachtigde van Dexia. De overeenkomst was echter op dat moment reeds ontbonden.

2.9 De kantonrechter stelt aan de hand van productie 5 bij dagvaarding vast dat de eindafrekeningen van de overeenkomsten zijn opgemaakt per 15 maart 2002. Dit betekent dat de ingevolge artikel 5 van de toepasselijke bijzondere voorwaarden vereiste schriftelijke ingebrekestelling [gedaagde] enige tijd vóór deze datum had moeten bereiken om haar werking te hebben. Hoewel Dexia in de dagvaarding heeft gesteld dat aan [gedaagde] een aangetekende brief is gestuurd met een aankondiging dat tot verkoop van de aandelen zou worden overgegaan, heeft zij naar aanleiding van het verweer van [gedaagde] op dit punt geen bewijs overgelegd noch heeft zij hiervan bewijs aangeboden. Uit de als productie 4 overgelegde voorbeeldbrief kan de kantonrechter niet opmaken dat een brief van bedoelde strekking [gedaagde] ook heeft bereikt. De kantonrechter moet er daarom in dit geding van uit gaan dat [gedaagde] de vereiste schriftelijke ingebrekestelling niet heeft ontvangen. Dit betekent dat [gedaagde] niet in verzuim is geraakt en dat Dexia niet gerechtigd was om tot beëindiging van de overeenkomsten over te gaan. Uit het vorenstaande vloeit voort dat de vordering in conventie niet voor toewijzing in aanmerking komt.

2.10 De overige weren in conventie zullen in verband met het vorenstaande buiten bespreking worden gelaten of bij de beoordeling in reconventie nog aan de orde komen.

2.11 In reconventie stelt [gedaagde] primair dat de overeenkomsten nietig zijn wegens strijd met de WCK. In dit verband heeft [gedaagde] onder andere toegelicht dat hij niet ingevolge artikel 30 lid 2 juncto artikel 30 lid 1 WCK ondertekende afschriften van de overeenkomsten heeft ontvangen na het aangaan van de overeenkomsten. Dat de WCK van toepassing is op de overeenkomsten baseert [gedaagde] op het vonnis van de rechtbank Arnhem van 14 juli 2004, NJF 2004, 418.

2.12 Dexia heeft ten verwere aangevoerd dat [gedaagde] dit verweer heeft aangevoerd in een te laat stadium van het geding. Verder heeft Dexia uitvoerig betoogd dat de WCK op de overeenkomsten niet van toepassing is. In dit verband beroept Dexia zich op het arrest van de Hoge Raad van 25 oktober 1996, NJ 1997, 649, waarin is geoordeeld dat een richtlijnconforme interpretatie van een nationale regeling contra legem in het voorliggende geval niet strookte met het rechtszekerheidsbeginsel. Dexia stelt zich op het standpunt dat zij er redelijkerwijs op mocht vertrouwen dat de WCK geldt zoals de bank haar heeft uitgelegd en waaruit de conclusie volgt dat effectenlease daar niet onder valt. De bepalingen van de WCK zijn volgens haar duidelijk en de uitleg die de rechtbank Arnhem heeft gegeven moet als contra legem en in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel worden beschouwd.

2.13 De kantonrechter verwerpt het eerste door Dexia naar voren gebrachte verweer, omdat [gedaagde] ingevolge artikel 130 Rv. bevoegd is zijn eis in reconventie of de gronden daarvan te veranderen of te vermeerderen zolang nog geen eindvonnis is gewezen. Van strijdigheid met een goede procesorde is in dit geval geen sprake, omdat Dexia in de gelegenheid is geweest, en deze ook heeft benut, om tegen het gevorderde verweer te voeren.

2.14 Ingevolge artikel 30 lid 2 WCK is de kredietgever verplicht om een door hem ondertekend afschrift van de onderhandse akte van de krediettransactie aan de kredietnemer te verstrekken. In lid 5 van artikel 30 WCK is bepaald dat het nalaten hiervan een vernietigingsgrond met betrekking tot de gehele overeenkomst oplevert en dat de kredietnemer hier een beroep op kan doen. Nu Dexia niet heeft betwist dat zij de bedoelde afschriften niet aan [gedaagde] heeft verstrekt, staat thans ter beoordeling of de WCK op de overeenkomsten van toepassing is. Indien dit het geval is komen de overeenkomsten voor vernietiging in aanmerking.

2.15 De kantonrechter is van oordeel dat de definitie van het begrip krediettransactie in de WCK, mede gelet op de in het door [gedaagde] genoemde vonnis van de rechtbank Arnhem weergegeven delen van de wetsgeschiedenis (die als hier ingelast kunnen worden beschouwd), niet een overeenkomst als effectenlease omvat, omdat het element "daadwerkelijk geld ter beschikking wordt gesteld" ontbreekt. In voornoemd vonnis is de rechtbank Arnhem op basis van een richtlijnconforme interpretatie tot een ruimere uitleg van het begrip krediettransactie gekomen. Wat er verder ook zij van de motivering die aan deze ruimere uitleg ten grondslag ligt, deze neemt niet weg dat richtlijnconforme interpretatie volgens jurisprudentie van het Hof van Justitie en van de Hoge Raad (zie het door Dexia genoemde arrest) zijn grenzen vindt in de algemene rechtsbeginselen die deel uit maken van het gemeenschapsrecht, en met name in het rechtszekerheidsbeginsel en het verbod van terugwerkende kracht. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat vorenbedoelde richtlijnconforme uitleg van het begrip krediettransactie in de WCK in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel, dat zich verzet tegen een uitleg waarmee de instellingen in de effectenbranche gelet op de wettekst geen rekening behoefden te houden. Het vorenstaande brengt mee dat de primaire vordering in reconventie niet voor toewijzing in aanmerking komt. In verband hiermee behoeven de overige door [gedaagde] genoemde, op de WCK gebaseerde nietigheden geen bespreking.

2.16 Aan zijn beroep op misbruik van omstandigheden en dwaling heeft [gedaagde] ten grondslag gelegd dat Dexia heeft verzuimd om in het aanmeldingsformulier, de overeenkomsten en de Bijzondere voorwaarden effectenlease aan te geven dat er grote risico's verbonden zijn aan beleggen met geleend geld. Als [gedaagde] van dit risico had geweten, had hij de overeenkomsten niet gesloten. [gedaagde] stelt dat hij in de veronderstelling verkeerde dat hij een spaarplan afsloot waaraan geen enkel risico was verbonden.

2.17 Nu uit de door [gedaagde] gestelde feiten en/of omstandigheden niet valt af te leiden dat de bank ten tijde van het aangaan van de overeenkomst wist of moest begrijpen dat [gedaagde] door enige bijzondere, in artikel 3:44 lid 4 genoemde omstandigheid de aan hem verstrekte informatie over het product SpaArEXtra niet goed begreep en daardoor het risico dat hij op zich nam onvoldoende kon inschatten en Dexia onweersproken heeft gesteld dat [gedaagde] voorafgaand aan de totstandkoming van de overeenkomsten in de gelegenheid is geweest om vragen te stellen omtrent de verplichtingen die hij op zich nam, wordt het beroep op misbruik van omstandigheden verworpen. Bij dit oordeel neemt de kantonrechter mede in aanmerking dat de door Dexia gestelde en niet weersproken toetsing bij het Bureau kredietregistratie kennelijk geen aanknopingspunten hebben opgeleverd voor de verwachting dat [gedaagde] wegens zijn financiële situatie de maandtermijnen niet zou kunnen voldoen. Vergelijking van de gegevens in de overeenkomsten en in de eindafrekeningen leidt bovendien tot de conclusie dat de ten behoeve van [gedaagde] aangekochte certificaten met enige winst zijn verkocht. De kantonrechter kan daarom in dit geding niet vaststellen dat het door [gedaagde] gestelde grote risico zich ook werkelijk ten nadele van hem heeft gerealiseerd. Voor zover [gedaagde] enig nadeel heeft ondervonden vloeit dat in zijn geval voort uit de wegens wanbetaling voortijdige beëindiging van de overeenkomsten. Dit betekent dat, gelet op alle omstandigheden van dit geval, niet kan worden geconcludeerd dat Dexia [gedaagde] van het sluiten van de overeenkomsten had behoren te weerhouden.

2.18 Indien juist zou zijn dat [gedaagde] in zijn contractuele verhouding tot Dexia heeft gedwaald omtrent de inhoud van de overeenkomst, omdat hij meende een spaarplan af te sluiten en hij niet wist dat hij geld leende om daarmee te beleggen, dan behoort de dwaling, gelet op het bepaalde in artikel 6:228 lid 2 BW naar het oordeel van de kantonrechter voor rekening van [gedaagde] te blijven op de volgende gronden. Op de door [gedaagde] ondertekende overeenkomsten is behalve de aanduiding SpaArEXtra onder meer aangegeven dat het om een lease-overeenkomsten gaat en dat hij per overeenkomst een bedrag van € 4.283,48 aan de bank diende te betalen als rente. Dit strookt niet met de toenmalige veronderstelling van [gedaagde] dat hij een spaarplan overeenkwam. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat banken een rente in rekening brengen over een geldschuld en dat rente wordt bijgeteld over een spaartegoed. Nu hij in deze situatie geen navraag heeft gedaan naar de betekenis van de aanduiding "te betalen rente tijdens de looptijd" in samenhang met de door hem te betalen maandtermijnen alvorens de overeenkomst te ondertekenen, komt een beroep op dwaling hem in verband met de omstandigheden van het geval niet toe.

2.19 Voor zover [gedaagde] zijn beroep op dwaling erop heeft gebaseerd dat Dexia hem niet of onjuist heeft ingelicht over de risico's, verbonden aan de overeenkomst, slaagt dit niet. Uit het verweer van [gedaagde] volgt immers dat hij er zich door kennisneming van de aan hem verstrekte informatie van bewust moet zijn geweest dat hij een beleggingsrisico op zich nam. In verband hiermee had het op de weg van [gedaagde] gelegen om voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst navraag te doen naar de precieze omvang van dit risico in relatie tot de betalingsverplichting waartoe hij zich verbond. Onweersproken is dat [gedaagde] geen nadere inlichtingen naar aanleiding van de aan hem verstrekte schriftelijke informatie heeft ingewonnen. Verder is niet gesteld of gebleken dat [gedaagde] aan Dexia kenbaar heeft gemaakt dat hij de schriftelijke informatie niet of niet volledig begreep. Daarom komt hem ook op deze grond geen beroep op dwaling toe.

2.20 De overige stellingen van [gedaagde] waarop hij zijn vordering in reconventie heeft gebaseerd, houden in dat de bank haar (contractuele) zorgplicht betreffende het inwinnen van informatie bij en het verstrekken van informatie aan [gedaagde] voor en tijdens de overeenkomst heeft geschonden, althans dat de bank aldus onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld. [gedaagde] verbindt hieraan de conclusie dat hij recht heeft op terugbetaling van de reeds door hem betaalde termijnen. [gedaagde] noemt in dit verband de verplichtingen die ten tijde van het aangaan van de overeenkomst van partijen waren vastgelegd in de artikelen 25, 28 en 33 NR 1999. Meer in het bijzonder heeft [gedaagde] gewezen op de omstandigheid dat Dexia alleen eigen winstbejag voor ogen heeft gehad, op het feit dat het aan hem verstrekte informatiemateriaal onjuistheden bevat, dan wel een te rooskleurig beeld schetst en aldus misleidend is, en op de omstandigheden dat de bank in strijd zou hebben gehandeld met het "know your custumer"-beginsel en de saldibewakingsplicht, dat de bank hem niet adequaat heeft geïnformeerd over de kenmerken van het product SpaArEXtra en de daarmee samenhangende risico's en dat de bank geen verzekering heeft aangeboden om het risico te dekken.

2.1 De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] zelfs als onervaren belegger in de door hem ondertekende overeenkomsten voldoende duidelijk heeft kunnen lezen dat hij zich verplichtte tot betaling van twee maandtermijnen van € 45,38 gedurende 60 maanden. Vaststaat dat Dexia de aandelen met enige winst heeft verkocht en eindafrekeningen heeft opgemaakt overeenkomstig de algemene voorwaarden, nadat [gedaagde] volgens zijn eigen stelling om financiële redenen de maandtermijnen niet meer voldeed. Op grond van het vorenstaande is de kantonrechter van oordeel dat de in reconventie door [gedaagde] teruggevorderde termijnen in redelijkheid niet kunnen worden aangemerkt als schade ten gevolge van niet in achtgenomen zorgverplichtingen en/of onrechtmatig handelen door Dexia.

2.22 Uit het vorenstaande vloeit voort dat de vorderingen reconventie zullen worden afgewezen.

2.23 Dexia zal als de in conventie in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in conventie. [gedaagde] zal als de in reconventie in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in reconventie.

3 De beslissing

De kantonrechter:

In conventie

wijst de vordering af;

veroordeelt Dexia in de proceskosten tot op dit vonnis aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 450,-- aan gemachtigdensalaris, onverminderd de eventueel over deze kosten verschuldigde BTW;

In reconventie

wijst de vordering af;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten tot op dit vonnis aan de zijde van Dexia begroot op € 90,-- aan gemachtigdensalaris, onverminderd de eventueel over deze kosten verschuldigde BTW.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. J.P. Mulder en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 januari 2005.