Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2004:AS7302

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-10-2004
Datum publicatie
03-03-2005
Zaaknummer
AWB 04/4110 BESLU
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft verzoekers onder meer heeft meegedeeld dat hij niet bereid is het voorkeursrecht gevestigd op het perceel, [...] op grond van artikel 5, eerste lid, van de Wet voorkeursrecht gemeenten (Wvg) door te halen of anderszins afstand te doen van het voorkeursrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Voorzieningenrechter van de Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

Reg.nr. AWB 04/4110 BESLU

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:84

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening van

[verzoeker 1] en [verzoeker 2], wonende te [woonplaats], verzoekers,

ten aanzien van het besluit van 31 augustus 2004, meegedeeld bij brief van

6 september 2004, van het college van burgemeester en wethouders van Noordwijk, verweerder, waarbij verweerder verzoekers onder meer heeft meegedeeld dat hij niet bereid is het voorkeursrecht gevestigd op het perceel, kadastraal bekend gemeente Noordwijk, sectie [...], nummer [...], plaatselijk bekend [adres] op grond van artikel 5, eerste lid, van de Wet voorkeursrecht gemeenten (Wvg) door te halen of anderszins afstand te doen van het voorkeursrecht.

Tegen dit besluit hebben verzoekers bij brief van 24 september 2004 een bezwaarschrift ingediend bij verweerder. Bij brief van diezelfde datum hebben verzoekers de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Tegen de in het besluit vervatte weigering de notaris te berichten dat de voorgenomen vervreemding van het perceel niet in strijd is met de artikelen 10 tot en met 23 van de Wvg, hetgeen ertoe leidt dat de notaris geen notariële voetverklaring kan opnemen als bedoeld in artikel 24 van de Wvg, hebben verzoekers gelijktijdig een civiel kort geding geëntameerd (zaaknummer: 229210 / KG ZA 04-1191).

De zaken zijn op 13 oktober 2004 gevoegd ter zitting behandeld.

[gemachtigde] van Bouwbedrijf [bedrijf] B.V. te [plaats] is namens verzoekers verschenen, bijgestaan door mr. J.J. van Turenhout, advocaat te Alphen aan den Rijn. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Lever, bijgestaan door ing. [betrokkene].

Ter fine van uitspraak c.q. vonnis zijn de gevoegd behandelde zaken gesplitst.

Beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor zover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wvg kunnen bij besluit van de gemeenteraad gronden, begrepen in een structuurplan, waarbij aanwijzingen zijn gegeven voor de bestemming, of in een bestemmingsplan, worden aangewezen als gronden waarop de artikelen 10 tot en met 24, 26 en 27 van toepassing zijn.

In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat voor een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid alleen in aanmerking komen (1) de gronden waaraan bij het structuurplan, onderscheidenlijk het bestemmingsplan een niet-agrarische bestemming is toegedacht, onderscheidenlijk gegeven en (2) waarvan het gebruik afwijkt van dat plan.

In artikel 5, eerste lid, van de Wvg is, voor zover hier relevant, bepaald dat zodra en voorzover de bij het raadsbesluit gegeven aanwijzing niet meer beantwoordt aan de in artikel 2, tweede lid, gestelde eisen, of de in artikel 2, vierde lid, bedoelde termijn is verstreken, burgemeester en wethouders de aanwijzing doen vervallen door het plaatsen van een desbetreffende aantekening bij de ingevolge artikel 4, eerste lid, ter inzage liggende stukken, onder vermelding van de percelen en perceelsgedeelten waarop de aantekening betrekking heeft.

Voor de beoordeling van het onderhavige verzoek om voorlopige voorziening is van belang dat partijen niet van mening verschillen over de volgende feiten en omstandigheden.

- Bij besluit van 17 februari 2004, verzonden op 26 februari 2004, heeft verweerder onder verlening van vrijstelling Bouwbedrijf [bedrijf] B.V. vergunning verleend voor het oprichten van drie vrijstaande woningen aan de [adres] te [woonplaats].

- Eén woning is bestemd voor verzoekers. De twee andere woningen met bijbehorende grond zijn verkocht aan particulieren.

- Verzoeker [verzoeker 2] is in samenwerking met het bouwbedrijf in staat de op het betrokken perceel toegedachte bestemming te realiseren.

- Het bouwbedrijf is echter niet in staat dan wel bereid de bouw vóór te financieren.

- Pas na verwezenlijking van de toegedachte bestemming, de bouw en de in gebruik name van de woningen, is voldaan aan het in artikel 2, tweede lid, van de Wvg opgenomen vereiste.

Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of verweerder in dit geval, gegeven de zich voordoende omstandigheden, voorafgaand aan de realisatie van de toegedachte bestemming, gehouden is de aanwijzing te doen laten vervallen.

Mede gelet op hetgeen de Hoge Raad in zijn arrest van 19 december 2003 (LJN: AL7043) heeft overwogen, stelt de voorzieningenrechter vast dat in artikel 5 van de Wvg limitatief wordt opgesomd in welke gevallen verweerder een aanwijzing moet doen vervallen. Daartoe behoort niet het geval van verzoekers die de exploitatie van het perceel veilig willen stellen en baatafroming door verweerder willen voorkomen.

Hetgeen van de zijde van verzoekers is aangevoerd met betrekking tot het door verweerder ongeoorloofd afdwingen van het sluiten van een exploitatieovereenkomst als bedoeld in artikel 42 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, waarbij een bijdrage van € 200.000 wordt verlangd voor het toepassen van meergenoemd artikel 5, eerste lid, dan wel voor het afzien van het recht op koop, brengt in het oordeel van de voorzieningenrechter geen verandering. Onderhavig verzoek om voorlopige voorziening kan zich immers uitsluitend beperken tot de rechtmatigheid van bovengenoemd besluit.

Verweerder heeft recht en belang bij handhaving van het voorkeursrecht totdat de bouw daadwerkelijk gerealiseerd is, aangezien hij alleen op deze wijze zijn regiefunctie tot aan de realisatie van de bestemming kan uitoefenen.

Gezien het voorgaande beslist de voorzieningenrechter als volgt.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Aldus gegeven door mr. D. Allewijn, als voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2004, in tegenwoordigheid van de griffier J. Bijleveld.