Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2004:AS4909

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-11-2004
Datum publicatie
15-02-2005
Zaaknummer
AWB 04/7073
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eritrea / geloofwaardigheid asielrelaas / desertie.

De rechtbank stelt vast dat eiser geen documenten betreffende de door hem gevolgde reisroute heeft overgelegd, maar dat hij een specifieke en te verifiëren verklaring heeft afgelegd met betrekking tot de wijze waarop hij naar Nederland is gereisd en de datum waarop de reis heeft plaatsgevonden. Naar het oordeel van de rechtbank was verweerder derhalve gehouden een en ander tegen het licht te houden van hoofdstuk C1/5.8.3, onder b, Vc 2000. Nu verweerder zich hiervan onvoldoende rekenschap heeft gegeven en een wil tot medewerking eiser redelijkheidshalve niet kan worden ontzegd, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank derhalve aan het ontbreken van reisdocumenten in redelijkheid niet een zodanig gewicht mogen toekennen dat de geloofwaardigheid van hetgeen eiser aan zijn asielaanvraag ten grondslag heeft gelegd reeds op voorhand was aangetast. Gelet op het feit dat eiser heeft gesteld eerder in aanvaring met de militaire autoriteiten van zijn land te zijn gekomen en dat de gedwongen deelname aan de oorlog in Sudan reeds als een bestraffing voor zijn opstandige gedrag dient te worden aangemerkt, is de rechtbank van oordeel dat verweerder deze omstandigheden had dienen te betrekken bij de oordeelsvorming met betrekking tot de vraag of eiser als deserteur in aanmerking dient te komen voor toelating als vluchteling. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

Nevenzittingsplaats Arnhem

Vreemdelingenkamer

Registratienummer: Awb 04/7073

Datum uitspraak: 17 november 2004

Uitspraak

ingevolge artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

in de zaak van

A,

geboren op [...] 1978,

van Eritrese nationaliteit,

eiser,

gemachtigde mr. H.L. Booij,

tegen

DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE,

Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND),

verweerder,

vertegenwoordigd door G.F.P. Riteco,

ambtenaar in dienst van de IND.

Het procesverloop

Bij besluit van 16 januari 2004 heeft verweerder de aanvraag van eiser van 1 juli 2003 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen.

Op 13 februari 2004 heeft eiser beroep ingesteld tegen dit besluit.

Openbare behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 28 juni 2004. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. R. van Leeuwarden.

De beoordeling

1. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:69 van de Awb, dient de rechtbank het bestreden besluit — de motivering waarop dit besluit berust daaronder begrepen — te toetsen aan de hand van de tegen dat besluit aangevoerde beroepsgronden.

2. Eiser heeft het volgende aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd. Eiser is afkomstig uit Eritrea. Hij is in juli 1995 na zijn middelbare schooltijd op 17-jarige leeftijd in dienst gegaan. Anderhalf jaar later zwaaide hij af. Met een startkapitaal van zijn vader opende eiser vervolgens een muziekwinkel. In mei 1998 volgde een mobilisatieperiode. Eiser verkeerde in de veronderstelling dat de mobilisatie ongeveer een maand zou duren, hetgeen hem deed besluiten zijn winkel achter te laten en zich te melden. Inmiddels was de oorlog met Ethiopië uitgebroken waardoor de mobilisatie veel langer duurde dan eiser had aangenomen. Terwijl eiser onder de wapenen was, werd eiser aangeslagen door de belastingdienst van zijn land voor inkomsten die hij onder meer gedurende de mobilisatie uit zijn winkel genoten zou hebben. Eiser verbleef echter aan het front en omdat er niet werd betaald is er beslag gelegd op zijn winkel. In mei 2000 is eiser gewond geraakt aan zijn linkerbeen en overgebracht naar een ziekenhuis in Keren. Drie maanden na opname in het ziekenhuis kreeg eiser bevel zich weer bij zijn eenheid te melden. Omdat zijn been nog niet volledig was genezen, is eiser daarentegen naar zijn ouderlijk huis gegaan. In oktober 2000 is eiser aldaar opgepakt door de militaire politie en naar de gevangenis van de zesde brigade gebracht. Daar zat eiser gevangen tot juli 2001. Na deze periode is eiser naar zijn eenheid teruggestuurd. Hij kreeg problemen met zijn commandant omdat deze van mening was dat eiser zich recalcitrant opstelde. Zo stelde eiser vragen waarom hij niet aan zijn been geopereerd kon worden. Ook maakte hij zich druk over het feit dat zijn winkel in beslag was genomen, terwijl hij zijn plicht deed voor zijn land. Daarnaast bracht hij de slechte positie van de vrouwen in het leger en het feit dat het hem als christen niet was toegestaan de Bijbel te lezen ter sprake. Zijn commandant reageerde daarop door hem in te zetten voor gevaarlijke missies. Na verloop van tijd werd eiser gedwongen overgeplaatst naar een eenheid die deel uitmaakte van de Sudanese rebellenbeweging SPLA en acties uitvoerde tegen de regering in Khartoum. Omdat eiser niet betrokken wenste te worden bij een conflict waar hij niet achter kon staan, is hij in december 2002 gedeserteerd. Na een tijd illegaal in Sudan te hebben verbleven, is eiser op 7 juni 2003 vetrokken naar Nederland.

3. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat eiser in gebreke is gebleven zijn aanvraag middels het overleggen van voldoende documenten te ondersteunen, hetgeen afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van zijn relaas. Blijkens een algemeen ambtsbericht van het ministerie van Buitenlandse zaken inzake Eritrea van 13 maart 2003 worden Eritrese mannen pas op 18-jarige leeftijd opgeroepen voor militaire dienst. Dat eiser reeds op 17-jarige werd opgeroepen wordt derhalve niet geloofwaardig geacht. De verwijzing naar het UK Home Office Country Report over Eritrea van oktober 2003 doet daar niet aan af. Eiser heeft gesteld dat het onmogelijk was om uitstel te verkrijgen, hetgeen in tegenspraak is met het in voornoemd ambtsbericht hieromtrent gestelde. Eiser heeft weliswaar in de correcties en aanvullingen aangegeven een foutieve datum betreffende zijn mobilisatie-oproep te hebben genoemd en vervolgens de juiste datum gegeven, doch het enkel corrigeren van een eerder genoemde datum zonder daarvoor een plausibele verklaring te geven, wordt niet zonder meer gevolgd. Verweerder acht het asielrelaas van eiser derhalve primair ongeloofwaardig. Indien echter van de geloofwaardigheid moet worden uitgegaan, acht verweerder de door eiser gestelde desertie onvoldoende om op basis daarvan aan te nemen dat eiser in aanmerking komt voor verblijf hier te lande als vluchteling. Het enkele feit dat een vreemdeling dienst heeft geweigerd of is gedeserteerd en hiervoor bestraffing heeft te duchten, is immers op zichzelf niet voldoende om te concluderen dat de betrokken vreemdeling vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Eiser voldoet niet aan de criteria zoals die terzake dienstweigering/desertie en vluchtelingschap zijn opgesteld in hoofdstuk C1/4.2.12 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000). Voorts bestaat er geen aanleiding om ten aanzien van eiser gebruik te maken van de inherente afwijkingsbevoegdheid zoals neergelegd in artikel 4:84 van de Awb. Er bestaat voorts geen reëel en voorzienbaar risico dat eiser bij terugkeer naar Eritrea wordt geconfronteerd met een behandeling waartegen artikel 3 van het (Europees) Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) bescherming beoogt te bieden.

4. Eiser heeft daartegen aangevoerd dat hij niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor het feit dat de reisagent het paspoort en de ticket van eiser afpakte toen zij aankwamen in Nederland. Daarbij dient te worden bedacht dat eiser voldoende concrete en verifieerbare informatie over de door hem gevolgde reisroute heeft verschaft. Het is allerminst ongeloofwaardig dat eiser op 17 jarige leeftijd werd opgeroepen voor militaire dienst. De informatie uit het UK Home Office Country Report inzake Eritrea waarnaar is verwezen sluit dit immers niet uit. Nu pas in het ambtsbericht van 2003 melding is gemaakt van een Eritrese wet op basis waarvan uitstel van militaire dienst kan worden geclaimd, is het volstrekt onduidelijk of voornoemde wet reeds in 1995 van kracht was. Hierbij dient voorts te worden bedacht dat eiser niet op de hoogte was van het bestaan van een dergelijke wet. Wat betreft de datum waarop eiser werd gemobiliseerd, kan het verweerder worden aangerekend niets te hebben gedaan met het feit dat eiser in de correcties en aanvullingen, zonder hier door verweerder op te zijn gewezen, melding heeft gemaakt van het feit dat hij niet in augustus 1998 doch in mei 1998 een oproep heeft gekregen om zijn militaire plicht te vervullen. Voorts heeft hij eveneens aangegeven niet tot juli 1998 maar tot mei 1998 in de muziekwinkel te hebben gewerkt. Het laatste blijkt uit de aantekeningen die voorafgaande aan het indienen van de correcties en aanvullingen door de rechtshulpverlener zijn gemaakt, doch de gemachtigde van eiser is nalatig geweest om deze verklaring op te nemen in de aan verweerder toegezonden correcties en aanvullingen. Eiser mag volgens verweerder niet voldoen aan de criteria met betrekking tot desertie en vluchtelingschap zoals die zijn opgenomen in hoofdstuk C1/4.2.12 van de Vc 2000, doch daarbij is over het hoofd gezien dat onderhavige zaak een bijzonder geval betreft. Eiser wenste namelijk niet deel te nemen aan een geheime oorlog in buurland Sudan en is daarom gedeserteerd, hetgeen tot gevolg heeft dat hij bij terugkeer naar Eritrea hiervoor onevenredig zwaar zal worden gestraft. Verweerder heeft voorts niet in aanmerking genomen dat eiser reeds eerder in de problemen is gekomen met de militaire autoriteiten van zijn land waardoor er een aanzienlijke kans bestaat dat onevenredig hard zal worden opgetreden tegen eiser. Eiser baseert een en ander op het ambtsbericht van 13 maart 2003 waaruit kan worden opgemaakt dat hard optreden tegen deserteurs usance is in Eritrea en dat daarbij de bestraffing sterk afhankelijk is van specifieke omstandigheden. Het kan verweerder worden verweten dit niet bij de beoordeling in onderhavige zaak te hebben betrokken.

5. Gezien de gronden van het beroep heeft de rechtsstrijd betrekking op de in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b en c, van de Vw 2000 genoemde inwilligingsgronden.

6. Op grond van artikel 29 van de Vw 2000 kan, voor zover van belang, een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden verleend aan de vreemdeling:.

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen;

c. van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst.

7. Blijkens de bestreden beschikking en het bij dit besluit gevoegde voornemen heeft verweerder vastgesteld dat eiser onvoldoende documenten heeft overgelegd om de door hem gevolgde reisroute te kunnen vaststellen, waardoor de geloofwaardigheid van de door hem afgelegde verklaringen reeds op voorhand is aangetast. Dienaangaande constateert de rechtbank dat eiser bij binnenkomst in Nederland, afgezien van een vervalst paspoort en een vliegticket die hij aan zijn reisagent heeft moeten afstaan, niet beschikte over enige documentatie waarmee hij zijn identiteit, nationaliteit en de door hem gevolgde reisroute kon aantonen. Blijkens het rapport van eerste gehoor was eiser zich daarvan bewust, hetgeen hem motiveerde aan te geven dat hij contact had opgenomen met zijn ouders om hem zijn in het land van herkomst achtergebleven persoonsdocumenten te doen toekomen. Gelet op het feit dat verweerder eiser niet heeft tegengeworpen onvoldoende documenten betreffende zijn identiteit en nationaliteit te hebben overgelegd, constateert de rechtbank dat verweerder zich op basis van de door eiser ten tijde van het nader gehoor overgelegde documenten met betrekking tot deze gegevens voldoende geïnformeerd heeft geacht.

8. Voorts stelt de rechtbank vast dat eiser weliswaar geen documenten betreffende de door hem gevolgde reisroute heeft overgelegd, doch dat hij een specifieke en te verifiëren verklaring heeft afgelegd met betrekking tot de wijze waarop hij naar Nederland is gereisd en de datum waarop de reis heeft plaatsgevonden. Eiser heeft immers verklaard dat hij met Egypt Air is gevlogen vanaf Khartoum airport op 7 juni 2003 omstreeks 05.00 uur een tussenlanding heeft gemaakt in Caïro tussen 08.30 en 09.00 uur en vervolgens omstreeks 13.00 uur van dezelfde dag vanuit Caïro vetrokken is met een ander toestel van Egypt Air, waarna hij op een Nederlandse luchthaven is geland omstreeks 18.00 uur. Naar het oordeel van de rechtbank was verweerder derhalve gehouden een en ander tegen het licht te houden van hoofdstuk C1/5.8.3, onder b, van de Vc 2000 waarin is vermeld dat “in het geval een asielzoeker geen documenten inzake de reisroute overlegt, maar omtrent de reisroute en het ontbreken van documenten een consistente, gedetailleerde en verifieerbare verklaring aflegt, hij blijk geeft van wil tot medewerking aan de vaststelling van de reisroute”. Volgens het hiervoor vermelde hoofdstuk uit de Vc 2000 “kan de conclusie zijn, wanneer de verifieerbare elementen blijken te kloppen, dat het volledig ontbreken van documenten inzake de reisroute niet aan de asielzoeker is toe te rekenen”. Nu verweerder zich hiervan blijkens de bestreden beschikking en het daarbij ingelaste voornemen hiervan onvoldoende rekenschap heeft gegeven en een wil tot medewerking eiser redelijkheidshalve niet kan worden ontzegd, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank derhalve aan het ontbreken van reisdocumenten in redelijkheid niet een zodanig gewicht mogen toekennen dat de geloofwaardigheid van hetgeen eiser aan zijn asielaanvraag ten grondslag heeft gelegd reeds op voorhand was aangetast.

9. Het vorenstaande leidt ertoe dat de rechtbank het asielrelaas dient te beoordelen op basis van het gestelde in hoofdstuk C1/1, sub 2 en hoofdstuk C1/3, sub 2.2 en 3.4, van de Vc 2000 waarin wordt vermeld dat verweerder het relaas en de daarin gestelde feiten voor waar aanneemt, indien de asielzoeker alle hem gestelde vragen zo volledig mogelijk heeft beantwoord en het relaas op hoofdlijnen innerlijk consistent en niet-onaannemelijk is en strookt met wat over de algemene situatie in het land van herkomst bekend is.

10. Op basis van de rapporten van het eerste en het nader gehoor constateert verweerder blijkens de bestreden beschikking en het daarbij ingelaste voornemen een aantal tegenstrijdigheden waardoor afbreuk wordt gedaan aan de geloofwaardigheid van het asielrelaas van eiser. De rechtbank stelt evenwel vast dat door verweerder ter zitting is aangeven dat hij de leeftijd waarop eiser zich voor vervulling van zijn dienstplicht heeft gemeld niet langer als tegenstrijdigheid categoriseert. Wat betreft de datum waarop eiser heeft voldaan aan de oproep tot mobilisatie wordt, afgezien van de vraag of een en ander tot hoofdlijn van het asielrelaas dient te worden gerekend, overwogen dat eiser deze uit zichzelf in het nader gehoor heeft gecorrigeerd en overeenkomstig artikel 3.111, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) en het gestelde in 12.4 van het nader gehoor laten opnemen in de correcties en aanvullingen die verweerder voor het nemen van het bestreden besluit zijn toegezonden. Namens eiser is in beroep aangeven en met een productie onderbouwd dat eiser daarbij tevens het tijdstip waarop hij voor het laatst werkzaam was in de muziekwinkel heeft gecorrigeerd, doch dat de gemachtigde nalatig is geweest dit in de correcties en aanvullingen op te nemen. Gelet op het hiervoor beschreven feitencomplex, dat als zodanig niet door verweerder is bestreden, gecombineerd met het gegeven dat de mobilisatie als zodanig voor eiser geen reden heeft gevormd zijn land van herkomst te verlaten, is de rechtbank van oordeel dat de onduidelijkheid die bij verweerder met betrekking tot de mobilisatiedatum is ontstaan in redelijkheid de geloofwaardigheid van de door eiser beschreven problemen waarmee hij in zijn land van herkomst is geconfronteerd niet aantast.

11. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder in redelijkheid niet tot ongeloofwaardigheid van het asielrelaas heeft kunnen concluderen op basis van hetgeen eiser onder meer heeft verklaard ten aanzien van het verlaten van zijn ouderlijk huis, aangezien hetgeen door verweerder hierover in het voornemen is opgemerkt eerder als onduidelijkheid in de rapporten van gehoor dan als een tegenstrijdige of inconsistente verklaring kan worden aangemerkt en moeilijk staande kan worden gehouden dat dit element behoort tot de hoofdlijn van hetgeen eiser aan zijn asielaanvraag ten grondslag heeft gelegd.

12. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank derhalve toe aan de beoordeling van het door verweerder ingenomen subsidiaire standpunt inhoudende dat, indien van de geloofwaardigheid van het asielrelaas moet worden uitgegaan, eiser niet voor toelating als vluchteling of anderszins in aanmerking komt omdat niet wordt voldaan aan de criteria die daarvoor ten aanzien van dienstweigeraars en deserteurs zijn opgesteld.

13. De rechtbank constateert dat verweerder zich terzake vorengenoemd standpunt heeft gebaseerd op hetgeen is verwoord in hoofdstuk C1/4.2.12 van de Vc 2000 gecombineerd met het gestelde omtrent dienstweigering c.q. desertie in de algemene ambtsberichten van het ministerie van Buitenlandse Zaken inzake Eritrea van 20 oktober 2000, 1 maart 2002 en 13 maart 2003. Door eiser is aangeven dat hij tot zijn daad van desertie is gekomen omdat hij zich niet wilde mengen in een strijd die zijn land naar zijn mening niet aangaat, hetgeen door verweerder niet is betwist. Afgezien van de vraag of eiser daarmee blijk heeft gegeven van ernstige of onoverkomelijke gewetensbezwaren, heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank door mede te verwijzen naar het ambtsbericht van 13 maart 2003 onvoldoende rekenschap gegeven van het feit dat blijkens hetzelfde ambtsbericht deserteurs zonder proces worden bestraft door hun superieuren. Tevens zijn er gevallen bekend waarin de politie zich aan mishandeling van dienstplichtontduikers, dienstweigeraars en deserteurs zou hebben schuldig gemaakt en zijn er tevens berichten in de openbaarheid zijn gekomen dat dienstplichtontduikers, dienstweigeraars en deserteurs door militaire autoriteiten zijn bestraft met maatregelen als het langdurig blootstellen aan hoge temperaturen of het langdurig binden van handen en voeten. De bedoelde passage wordt gevolgd door een passage waarin is aangegeven dat de bestraffing van dienstplichtontduikers, dienstweigeraars en deserteurs sterk afhankelijk lijkt te zijn van de specifieke omstandigheden van een betrokkene, bijvoorbeeld of er sprake was van dienstplichtontduiking, dienstweigering of desertie, of het in vredestijd of oorlogstijd plaatsvond, of het destijds bekend was bij de autoriteiten en wat de achtergrond van betrokkene was. Tevens meldt het ambtsbericht dat, aangezien er een registratiesysteem is voor dienstplichtigen, aangenomen wordt dat ook deserteurs zijn geregistreerd en als zodanig bekend zijn bij de autoriteiten.

14. Gelet op het feit dat eiser heeft gesteld eerder in aanvaring met de militaire autoriteiten van zijn land te zijn gekomen en dat de gedwongen deelname aan de oorlog in Sudan reeds als een bestraffing voor zijn opstandige gedrag dient te worden aangemerkt, is de rechtbank van oordeel dat verweerder deze omstandigheden had dienen te betrekken bij de oordeelsvorming met betrekking tot de vraag of eiser als deserteur in aanmerking dient te komen voor toelating als vluchteling.

15. Het beroep is derhalve gegrond wegens schending van het motiveringsvereiste (artikel 3:46 van de Awb) en het vereiste dat het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis vergaart omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen (artikel 3:2 van de Awb). Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. Er bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

De beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het besluit van 16 januari 2004 geheel;

draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 644,00, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als de rechtspersoon die deze kosten dient te voldoen aan de griffier van deze nevenzittingsplaats.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C.E. Ackermans-Wijn en in het openbaar uitgesproken op 17 november 2004 in tegenwoordigheid van mr. S.M. Kooistra als griffier.

de griffier?

de rechter

w.g. Kooistra

w.g. Ackermans-Wijn

Voor eensluidend afschrift,

de griffier van de rechtbank 's-Gravenhage,

nevenzittingsplaats Arnhem,

Verzonden: 18 november 2004

Rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de verzending van een afschrift hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing. Een afschrift van de uitspraak dient overgelegd te worden. Meer informatie treft u aan op de website van de Raad van State (www.raadvanstate.nl).