Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2004:AS4583

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-10-2004
Datum publicatie
25-02-2005
Zaaknummer
AWB 04/22872
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

'14-1-brief'.

Eisers brief dient te worden aangemerkt als een verzoek aan verweerder om eiser op grond van artikel 3:4, derde lid, Vb 2000 een verblijfsvergunning te verlenen. Het betreft derhalve een verzoek om een bepaald, naar strekking concreet geduid besluit te nemen. De brief dient derhalve te worden aangemerkt als een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, Awb. De brief van verweerder, die strekt tot afwijzing van de aanvraag, is mitsdien, anders dan verweerder in het bestreden besluit heeft geoordeeld, aan te merken als een besluit als bedoeld in artikel 1:3, tweede lid, Awb, waartegen bezwaar open stond. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit een draagkrachtige motivering ontbeert en is genomen in strijd met artikel 7:12 Awb. Nu verweerder het bezwaar op onjuiste gronden niet-ontvankelijk heeft geacht, heeft bovendien geen heroverweging van het primaire besluit plaatsgevonden als bedoeld in artikel 7:11 Awb. Met betrekking tot eisers beroep op de hoorplicht overweegt de rechtbank als volgt. Nu verweerder het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft geacht, heeft verweerder zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is. Verweerder kon dan ook niet op grond van artikel 7:3, onder a, Awb van het horen van eiser afzien. Derhalve is sprake van schending van artikel 7:2 Awb. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

meervoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 04/22872 BEPTDN

inzake: A, geboren op [...] 1963, van Turkse nationaliteit, wonende te B, eiser,

gemachtigde: mr. A.C.M. Nederveen, advocaat te Amsterdam,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,

gemachtigde: mr. C.E. McLean-Laurman, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het ministerie van Justitie.

I. PROCESVERLOOP

1. Op 11 juni 2003 is namens eiser aan verweerder verzocht gebruik te willen maken van zijn discretionaire bevoegdheid om aan eiser op grond van bijzondere en individuele omstandigheden verblijf toe te staan. Bij brief van 17 juni 2003 heeft verweerder aangegeven het dossier te laten beoordelen op de door eiser aangegeven schrijnendheid. Bij brief van 31 oktober 2003 heeft verweerder eiser meegedeeld dat, nu de beslissing in rechte vaststaat, verweerder geen ruimte aanwezig acht om zijn zaak opnieuw te beoordelen. Bij bezwaarschrift van 28 november 2003 heeft eiser tegen deze brief gemotiveerd bezwaar gemaakt. Het bezwaar is bij besluit van 27 april 2004 (kennelijk) niet-ontvankelijk verklaard.

2. Bij beroepschrift van 17 mei 2004 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. De gronden van het beroep zijn ingediend bij brief van 14 juni 2004. Op 29 juni 2004 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 11 september 2004 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep. Op 12 oktober 2004 heeft eiser nog nadere stukken ingediend.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2004. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde.

II. FEITEN

1. In dit geding gaat de rechtbank uit van de volgende feiten.

2. Eiser verblijft naar eigen zeggen sinds 1989 als vreemdeling in de zin van de vreemdelingenwetgeving in Nederland. Op 10 december 1998 heeft hij een aanvraag ingediend om verlening van een vergunning tot verblijf met als doel arbeid in loondienst. Deze procedure is geëindigd met de uitspraak van 15 april 2003 (AWB 00/73974 en 00/75826 OVERIO) van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, waarbij het beroep ongegrond is verklaard.

3. Op 2 november 1999 heeft eiser een aanvraag ingediend om verlening van een vergunning tot verblijf op grond van Tussentijds Bericht Vreemdelingencirculaire (TBV) 1999/23. Deze procedure is eveneens geëindigd bij voornoemde uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 15 april 2003 waarbij het beroep ongegrond is verklaard.

III. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of verweerder het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

2. In dat kader ziet de rechtbank zich geplaatst voor de vraag of de brief van verweerder van 31 oktober 2003 is aan te merken als een appellabel besluit.

3. Verweerder heeft zich te dien aanzien onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 16 januari 2004 (JV 2004/84) op het standpunt gesteld dat de brief van eiser van 11 juni 2003 niet is aan te merken als een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Het antwoord van verweerder van 31 oktober 2003 op eisers brief is dan ook niet aan te merken als een besluit waartegen rechtsmiddelen kunnen worden aangewend.

4. Eiser heeft zich, onder verwijzing naar diverse uitspraken van deze rechtbank, op het standpunt gesteld dat zijn brief van 11 juni 2003 wel degelijk is aan te merken als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb. De brief van verweerder van 31 oktober 2003 valt derhalve aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3, tweede lid, van de Awb.

5. Op grond van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

Artikel 1:3, tweede lid, van de Awb bepaalt dat onder beschikking wordt verstaan: een besluit dat niet van algemene strekking is, met inbegrip van de afwijzing van een aanvraag daarvan.

Het derde lid van artikel 1:3 van de Awb bepaalt dat onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen.

6. Ingevolge artikel 13 van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning slechts ingewilligd indien met de aanwezigheid van de vreemdeling een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel indien internationale verplichtingen of klemmende redenen van humanitaire aard daartoe nopen.

7. Op grond van artikel 14, tweede lid, van de Vw 2000 wordt een verblijfsvergunning als bedoeld in dat artikel verleend onder beperkingen, verband houdende met het doel waarvoor het verblijf is toegestaan. Aan de vergunning kunnen voorschriften worden verbonden. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de beperkingen en voorschriften.

8. Artikel 3.4, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000 geeft een opsomming van de beperkingen bedoeld in artikel 14, tweede lid, van de Vw 2000. Het derde lid van artikel 3.4 van het Vb 2000 bepaalt dat de minister een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 kan verlenen onder een andere beperking dan bedoeld in het eerste lid van artikel 3.4 van het Vb 2000.

9. Bij brief van 11 juni 2003 is namens eiser het volgende meegedeeld:

“Hierbij vraag ik uw aandacht voor de bijzonder schrijnende situatie waarin A, geboren [...] 1963, van Turkse nationaliteit, verkeert. De heer A is thans 23 jaar in Nederland en heeft nimmer strafbare feiten gepleegd. Hij heeft een geldig paspoort en tot op heden heeft hij altijd wit gewerkt. Over zijn werkzaamheden heeft hij altijd premies en belastingen afgedragen. Gezien deze bijzondere individuele omstandigheden en schrijnende situatie waarin cliënt verkeert, verzoek ik u gebruik te willen maken van uw discretionaire bevoegdheid om aan verzoeker op grond van bijzondere en individuele schrijnende omstandigheden verblijf toe te staan. Indien u aspecten uit dit verzoek nader uitgelegd of onderbouwd met stukken uit het dossier wenst te hebben, verneem ik dat gaarne van u.”

10. De rechtbank overweegt als volgt. Verweerder heeft bij diverse gelegenheden toegezegd in individuele, schrijnende, gevallen gebruik te zullen maken van zijn discretionaire bevoegdheid en te besluiten alsnog in het verblijf in Nederland te berusten (onder meer in het debat in de Tweede Kamer op 23 september 2003, Handelingen 2003-2004, 23 september 2003, TK nr. 4, p. 191). Naar het oordeel van de rechtbank kan een verblijfsvergunning die verweerder op grond van zijn discretionaire bevoegdheid verleent, uitsluitend zijn gebaseerd op artikel 3.4, derde lid, van het Vb 2000, nu er geen andere bepaling bestaat op grond waarvan de minister bevoegd is een verblijfsvergunning te verlenen onder een beperking, die niet in het Vb 2000 is geregeld. Ook de minister heeft zijn discretionaire bevoegdheid aldus opgevat en heeft in dit kader, zo blijkt uit de vierentwintigste wijziging van het Voorschrift Vreemdelingen 2000, vreemdelingen de mogelijkheid geboden om een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd op grond van artikel 3.4, derde lid, van het Vb 2000 te doen. Niet in geschil is dat deze verblijfsvergunningen worden verleend onder de beperking “bijzonder onvoorzien geval”.

11. Gelet hierop dient eisers brief van 11 juni 2003 te worden aangemerkt als een verzoek aan verweerder om eiser op grond van artikel 3:4, derde lid, van het Vb 2000 een verblijfsvergunning te verlenen. Het betreft derhalve een verzoek om een bepaald, naar strekking concreet geduid besluit te nemen. De vergelijking met voornoemde uitspraak van de AbRS van 16 januari 2004 gaat dan ook niet op. De brief dient derhalve te worden aangemerkt als een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb.

12. De brief van verweerder van 31 oktober 2003, die strekt tot afwijzing van de aanvraag, is mitsdien, anders dan verweerder in het bestreden besluit heeft geoordeeld, aan te merken als een besluit als bedoeld in artikel 1:3, tweede lid, van de Awb, waartegen bezwaar open stond.

13. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit een draagkrachtige motivering ontbeert en is genomen in strijd met artikel 7:12 van de Awb. Nu verweerder het bezwaar op onjuiste gronden niet-ontvankelijk heeft geacht, heeft bovendien geen heroverweging van het primaire besluit plaatsgevonden als bedoeld in artikel 7:11 van de Awb.

14. Met betrekking tot eisers beroep op de hoorplicht overweegt de rechtbank als volgt. Nu verweerder het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft geacht, heeft verweerder zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is. Verweerder kon dan ook niet op grond van artikel 7:3, onder a, van de Awb van het horen van eiser afzien. Derhalve is sprake van schending van artikel 7:2 van de Awb.

15. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de artikelen 7:2, 7:11 en 7:12 van de Awb. Derhalve zal het beroep gegrond worden verklaard, het bestreden besluit worden vernietigd wegens strijd met de wet en bepaald worden dat verweerder binnen tien weken een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak.

16. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1).

17. Op grond van het bepaalde in artikel 8:74 van de Awb wijst de rechtbank de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht.

IV. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder binnen tien weken een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 644,-- (zegge: zeshonderd vierenveertig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier;

5. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht ad € 136,-- (zegge: honderd zesendertig euro).

Gewezen door mr. H.B. van Gijn, voorzitter, en mrs. J.C. Boeree en C. Klomp, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Huys, griffier, en openbaar gemaakt op: 29 oktober 2004

De griffier, De voorzitter,

Afschrift verzonden op: 29 oktober 2004

Conc: AH

Coll:

Bp: -

D: B

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Ingevolge artikel 69, eerste lid, van de Vw 2000 bedraagt de termijn voor het instellen van hoger beroep vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.