Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2004:AS3135

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-11-2004
Datum publicatie
28-01-2005
Zaaknummer
AWB 02/67438, e.v.
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Procesrecht / toepassing artikel 1F VSV / artikel 3 EVRM.

Het besluit kan geen stand houden, omdat geen rekening is gehouden met artikel 3 EVRM. Verweerder heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om nieuwe besluiten te nemen. Het verzoek om een rechterlijk oordeel over de toepassing van artikel 1F VSV komt dan neer op een verzoek aan de rechtbank om een oordeel te geven over een rechtsvraag, waarbij het oordeel in onderhavige procedure voor de uitkomst niet meer van belang is. De door verweerder voorgestelde procedure kan leiden tot een aantal procedurele complicaties. Een oordeel van de rechtbank op dit moment heeft bovendien mogelijk een ongewenste anticiperende werking op de inhoud van de nog te nemen besluiten. Niet is uitgesloten dat verweerder, ondanks het inroepen van artikel 1F VSV, tot de conclusie komt dat eisers verblijfsvergunningen dienen te worden verleend. Beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 6:18
Algemene wet bestuursrecht 6:19
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2005/138
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

meervoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 02/67438 BEPTDN, AWB 03/34692 BEPTDN en AWB 03/34689 BEPTDN

inzake: A, geboren op [...] 1945, eiser, en B, geboren op [...] 1955, eiseres, mede namens haar minderjarige kinderen, en C, geboren op [...] 1980, eiser sub 2, allen van Afghaanse nationaliteit, wonende te D, eisers,

gemachtigde: mr. M.B.J. Strooij, advocaat te Amsterdam,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,

gemachtigde: mr. C. Brand, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het ministerie van Justitie.

I. PROCESVERLOOP

1. Op 20 november 1999 hebben eisers aanvragen ingediend, welke aanvragen thans worden aangemerkt als aanvragen tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000.

2. Op 17 mei 2002 heeft verweerder aan eiser schriftelijk mededeling gedaan van het voornemen zijn aanvraag af te wijzen. Bij brief van 14 juni 2002 heeft eiser zijn zienswijze op dit voornemen naar voren gebracht. Bij besluit van 9 augustus 2002 heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Bij beroepschrift van 3 september 2002 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. De gronden van het beroep zijn ingediend bij brief van 2 oktober 2002 en aangevuld bij brief van 17 oktober 2004.

3. Op 17 april 2003 heeft verweerder aan eiseres en eiser sub 2 schriftelijk mededeling gedaan van het voornemen hun aanvragen af te wijzen. Eiseres en eiser sub 2 hebben op dit voornemen geen zienswijze naar voren gebracht. Bij besluiten van 27 mei 2003 heeft verweerder de aanvragen afgewezen. Bij beroepschriften van 19 juni 2003 hebben eiseres en eiser sub 2 tegen deze besluiten beroep ingesteld bij de rechtbank. De gronden van de beroepen zijn ingediend bij brieven van 21 augustus 2003 en aangevuld bij brief van 17 oktober 2004.

4. Op 7 augustus 2003 respectievelijk 9 februari 2004 zijn de op de zaken betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 14 oktober 2004 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van de beroepen.

5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2004. Eisers zijn aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens was G.J.J. de Vries ter zitting aanwezig als tolk in de Dari taal.

II. OVERWEGINGEN

1. De rechtbank stelt vast dat verweerder in de onderhavige zaken de aanvragen van eisers heeft afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, juncto artikel 31, tweede lid, aanhef en onder k, van de Vw 2000. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde, omdat ten aanzien van hem ernstige redenen bestaan om te veronderstellen dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1(F), aanhef en onder a, b en c, van het Vluchtelingenverdrag (Vv). Verweerder heeft in het bestreden besluit ten aanzien van eiser geen standpunt ingenomen met betrekking tot de vraag of eiser bij terugkeer naar zijn land van herkomst een reëel risico loopt op een behandeling strijdig met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

2. In het verweerschrift van 14 oktober 2004 heeft verweerder onder 3.3. het volgende naar voren gebracht. “Ten aanzien van artikel 3 EVRM meent verweerder dat het aangevallen besluit niet in overeenstemming wordt geacht met hetgeen de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) hieromtrent in haar uitspraken van 2 juni 2004 en 9 juli 2004 heeft geoordeeld. Om proceseconomische redenen acht de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie het van belang om in het onderliggende geval een rechterlijk oordeel te mogen ontvangen omtrent de toepassing van artikel 1F van het Vv”.

De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting desgevraagd medegedeeld dat verweerder van oordeel is dat de bestreden besluiten, gelet op het gestelde in het verweerschrift, geen stand kunnen houden en dat de beroepen reeds deswege gegrond dienen te worden verklaard. De gemachtigde van eisers heeft desgevraagd ter zitting voorts verklaard dat eisers er de voorkeur aan geven dat de rechtbank de beroepen gegrond verklaart zonder een oordeel te geven over de toepassing van artikel 1F Vv.

3. Nu verweerder heeft medegedeeld dat het bestreden besluit ten aanzien van eiser geen stand kan houden en de aanvragen van eiseres en eiser sub 2 afhankelijk zijn van die van eiser, verklaart de rechtbank de beroepen gegrond en vernietigt de bestreden besluiten wegens strijd met artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 en de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. De rechtbank zal zich onthouden van een oordeel omtrent de toepassing van artikel 1F Vv en wel om de volgende redenen.

4. De rechtbank stelt vast dat verweerder geen gebruik heeft gemaakt van de, in dit geval voor de hand liggende, mogelijkheid om nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van de uitspraken van de AbRS, welke nieuwe besluiten op de wijze als omschreven in de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb in onderhavige procedure zouden kunnen worden betrokken. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting niet kunnen aangeven waarom verweerder dit heeft nagelaten. Dit nalaten is te minder begrijpelijk nu, gelet op de datering van voornoemde uitspraken van de AbRS, vastgesteld kan worden dat verweerder bijna vijf maanden de tijd heeft gehad om nieuwe besluiten te nemen.

5. Ten tweede wordt opgemerkt dat in een procedure aan de hand van de gronden van beroep wordt beoordeeld of het bestreden besluit stand kan houden dan wel dient te worden vernietigd. In onderhavige procedure ligt de uitkomst van die beoordeling reeds bij voorbaat vast. Het verzoek om een rechterlijk oordeel over de toepassing van artikel 1F Vv komt dan ook neer op een verzoek aan de rechtbank om een oordeel te geven over een rechtsvraag, waarbij het oordeel in onderhavige procedure voor de uitkomst niet meer van belang is. Daarnaast zou de door verweerder voorgestelde procedure kunnen leiden tot een aantal procedurele complicaties, waaronder de vragen of van zo’n rechtsoordeel in hoger beroep kan worden gekomen en of de rechter is gebonden aan zo’n oordeel indien verweerder een nieuw besluit neemt conform het oordeel en de vreemdeling hiervan in beroep komt. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat verweerder in de onderhavige situatie geen rechtsbelang heeft bij een oordeel over de toepassing van artikel 1F Vv.

6. Ten derde wordt gewezen op rechtsoverweging 2.6.8 in de uitspraak van de AbRS van 2 juni 2004 (JV 2004, 279) waarin onder meer wordt overwogen:

“Voorts staat het de minister vrij te beoordelen of sprake is van vluchtelingschap alvorens artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag in te roepen en zal hij in voorkomende gevallen moeten bezien of daartoe aanleiding bestaat. In de gevallen waarin uit genoegzaam onderzoek is gebleken dat de vreemdeling niet kan worden uitgezet en daarenboven voorts sprake is van een uitzonderlijke situatie waarin de vreemdeling zich bevindt, kan van de minister voorts worden gevergd dat hij beoordeelt of het blijvend onthouden van een verblijfsvergunning niet disproportioneel is.”

Uit voorgaande overweging volgt dat een denkbaar verband bestaat tussen de (eventuele) beoordeling van het vluchtelingschap, artikel 1F van het Vv en het bepaalde in artikel 3 EVRM. In onderhavige zaken heeft geen statusbepaling plaatsgevonden. Het is primair aan verweerder om te beoordelen of, in de nog te nemen besluiten, alsnog wordt vastgesteld of er sprake is van vluchtelingschap. De rechtbank is van oordeel dat haar oordeel in deze stand van het geding over de toepassing van 1F Vv onder deze omstandigheden prematuur, en reeds in zoverre minder gewenst is, omdat verweerder zijn beoordeling nog niet heeft verricht tegen de achtergrond van voornoemde overweging van de AbRS en verweerder vrijelijk dient te kunnen oordelen. Een oordeel van de rechtbank op dit moment heeft bovendien mogelijk een ongewenste anticiperende werking op de inhoud van de nog te nemen besluiten.

7. Ten slotte is, gelet op rechtsoverweging 2.6.8 van de onder II.6 genoemde uitspraak van de AbRS, niet uitgesloten dat verweerder, ondanks het inroepen van artikel 1F Vv, tot de conclusie komt dat aan eisers verblijfsvergunningen dienen te worden verleend. In dat geval is het rechterlijk oordeel waar verweerder om heeft verzocht, niet van betekenis voor de komende besluiten.

8. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eisers in verband met de behandeling van de beroepen bij de rechtbank redelijkerwijs hebben moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644 ,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor de beroepschriften, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1).

III. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart de beroepen gegrond;

2. vernietigt de bestreden besluiten;

3. bepaalt dat verweerder binnen acht weken na verzending van deze uitspraak nieuwe besluiten neemt met inachtneming van deze uitspraak;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 644,-- (zegge: zeshonderd en vierenveertig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier;

Gewezen door mr. W.J. van Bennekom, voorzitter, en mrs. J.H.M. van de Ven en C. Klomp, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.F. Koenis, griffier, en openbaar gemaakt op 11 november 2004.

De griffier De voorzitter

Afschrift verzonden op:

Conc: KV

Coll:

Bp: -

D: B

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Ingevolge artikel 69, eerste lid, van de Vw 2000 bedraagt de termijn voor het instellen van hoger beroep vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.