Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2004:AS2651

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-10-2004
Datum publicatie
27-01-2005
Zaaknummer
AWB 04/20318
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Mvv-vereiste / vrijstelling.

Verweerder heeft in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel gehandeld. Eiser had in de gelegenheid moeten worden gesteld een contra-expertise in de procedure te brengen alvorens de beslissing op bezwaar werd genomen. Verweerder heeft met een beroep op het tijdig beslissen op bezwaar niet aan het verzoek om contra–expertise te laten uitvoeren voorbij mogen gaan. Eisers procespositie is tegen zijn wil geschaad, hetgeen zwaarder dient te wegen dan het belang tijdig een beslissing op bezwaar te nemen. Voorts kan verweerder in dit geval het onverkort vasthouden aan de in een uitspraak genoemde beslistermijn niet met succes tegenwerpen aan eisers verzoek om voor de beslissing op bezwaar een contra-expertise te laten uitvoeren. Verweerder is in beginsel gehouden een door de rechtbank bepaalde beslistermijn na te leven. Er kunnen zich echter nieuwe feiten of omstandigheden voordoen op grond waarvan verweerder in dat bijzondere geval niet onverkort aan deze verplichting kan vasthouden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 04/20318 BEPTDN

inzake: A, geboren op [...] 1966, van Marokkaanse nationaliteit, eiser,

gemachtigde: mr. J. Jager, advocaat te Amsterdam,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,

gemachtigde: mr. N. Aalbers, ambtenaar ten departemente.

1. PROCESVERLOOP

1.1. Op 16 april 2003 heeft eiser een verblijfvergunning regulier voor bepaalde tijd ingediend onder de beperking medische behandeling. Bij besluit van 2 juli 2003 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Hiertegen heeft eiser op 14 juli 2003 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 27 april 2004 heeft verweerder dit bezwaar ongegrond verklaard.

1.2. Bij beroepschrift van 29 april 2004 heeft eiser tegen voornoemd besluit beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn op 25 mei 2004 ingediend. In het verweerschrift van 1 september 2004 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep. Bij brief van 20 augustus 2004 heeft eiser zijn standpunt nog nader onderbouwd.

1.3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 september 2004. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde.

2. OVERWEGINGEN

2.1. Verweerder stelt zich blijkens het bestreden besluit op het standpunt dat eiser niet in aanmerking komt voor de gevraagde verblijfsvergunning. Eiser beschikt niet over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Niet is gebleken dat hij behoort tot een van de categorieën die is vrijgesteld van het mvv-vereiste. Blijkens het BMA-advies kunnen de reumatologische en psychische klachten van eiser in het kader van dysthyme en polyatritis worden behandeld in het land van herkomst. Eiser is in staat te reizen en de behandeling van de dysthyme stoornis en polyatritis is in Marokko beschikbaar. Nederland is dan ook niet het meest aangewezen land voor het ondergaan van de medische behandeling. Aangezien het advies van Bureau Medische Advisering (BMA) op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen bestaat er geen aanleiding om het ter zitting van de ambtelijke commissie gedane verzoek om een “second opinion” te honoreren. Het stellen van de mvv-eis leidt niet tot een onbillijkheid van overwegende aard. Dat eiser reeds jaren in Nederland verblijft en volledig is geïntegreerd in de Nederlandse samenleving, leidt niet tot de conclusie dat op grond hiervan moet worden afgeweken van het beleid. Hij is sedert 26 februari 1997 niet meer in het bezit van een geldige verblijfsvergunning. Dat hij desondanks hier is gebleven komt voor zijn rekening en risico.

2.2. Eiser heeft in beroep het volgende aangevoerd:

a. Verweerder heeft in bezwaar ten onrechte geen gelegenheid geboden een “second opinion” in te brengen. Uit het in beroep overgelegde rapport van dr. J.V.M. Marhold, psychiater, komt een veel pessimistischer beeld naar voren dan door Mentrum (Geestelijke Gezondheidszorg Amsterdam) is geschetst

b. Aan het bestreden besluit kleeft een zorgvuldigheids- dan wel een motiveringsgebrek. Verweerder is niet ingegaan op de stelling tijdens de hoorzitting inhoudende dat de beantwoording van vraag 5b in het advies van het Bureau Medische Advisering (BMA) vaag is.

c. Het BMA-advies is ontoereikend en onzorgvuldig met betrekking de psychische behandeling nu hierin niet is ingegaan op het feit dat eiser zeer lang in Nederland woont, in Nederland is geïntegreerd en is vervreemd van zijn geboorteland. Evenmin is ingegaan op het belang van de aanwezigheid van een sociaal vangnet. Eiser wordt jarenlang begeleid door zijn broer en schoonzuster en heeft met niemand in Marokko een hechte band. Het BMA had moeten onderzoeken welke gevolgen een gedwongen terugkeer naar Marokko heeft voor de ziekte van eiser mede in het licht van de huidige opvangsituatie. Er is dan ook onvoldoende gemotiveerd waarop de verwachting berust dat geen psychische decompensatie of een medische noodsituatie op korte termijn behoeft te worden verwacht. Ook is geen antwoord gegeven op de vraag welke gevolgen het wegvallen van bestaanszekerheid kan hebben.

d. Van eiser kan niet worden verlangd dat hij naar Marokko terugkeert om aldaar een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) aan te vragen en de beslissing hierop af te wachten. Verweerder misbruikt zijn bevoegdheid voor een doel waarvoor deze niet is geschreven. Eiser heeft immers sedert 1991 hier ononderbroken verblijf, zodat geen sprake is van regulering van de instroom.

e. Er wordt verblijf toegestaan indien er sprake is van combinatie van bijzondere factoren -zeer lange verblijfsduur, medische factoren, gezinsomstandigheden en overige klemmende redenen van humanitaire aard-, die ertoe leiden dat de toepassing van het beleid in het individuele geval getuigt, zoals het onderhavige, van een bijzondere hardheid. Verweerder heeft hieraan geen overweging gewijd.

2.3. Ter zitting heeft verweerders gemachtigde onder meer gesteld dat de ex-tunc toetsing met zich brengt dat het in beroep overgelegde rapport van dr. J.V.M. Marhold niet bij de beoordeling van het beroep kan worden betrokken. Voorts heeft verweerder niet onzorgvuldig gehandeld door een “second opinion” niet af wachten aangezien verweerder, gelet op de uitspraak van 30 januari 2004 van deze rechtbank en zittingsplaats, aan de daarin genoemde beslistermijnen was gehouden

De rechtbank overweegt het volgende.

2.4. 1. Met betrekking tot de beroepsgrond van eiser dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door de door eiser in bezwaar aangekondigde “second opinion” (die in beroep is overgelegd) niet af te wachten, wordt het volgende overwogen.

2.4.2. De rechtbank merkt het in beroep overgelegde rapport van dr. J.V.M. Marhold aan als een contra-expertise tegenover het door het BMA uitgebrachte advies.

2.4.3.Vastgesteld wordt dat eiser in zijn aanvullend bezwaarschrift van 4 augustus 2003 verweerder heeft verzocht het BMA in te schakelen. Op 30 september 2003 heeft hij beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift van 14 juli 2003. Bij brief van 27 oktober 2003 heeft verweerder BMA verzocht een advies uit te brengen. Eiser heeft op 21 november 2003 wederom beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op het onderhavige bezwaar, welk beroep op 30 januari 2004 (AWB 03/60874) door deze rechtbank en zittingsplaats gegrond is verklaard. Hierin is bepaald dat verweerder binnen zes weken na deze datum een beslissing op het bezwaar moest nemen. Op 16 maart 2004 heeft eiser nogmaals een beroepschrift ingediend tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar. Vervolgens is het BMA-advies op 30 maart 2004 uitgebracht.

Voorts blijkt uit het verslag van de hoorzitting van de ambtelijke commissie van 15 april 2004 dat eisers gemachtigde aldaar met betrekking tot het BMA-advies tot twee maal toe het onderdeel dat betrekking heeft op eisers geestestoestand en de gevolgen die hieraan moeten worden verbonden heeft betwist en dat hij gelet hierop een “second opion” in het geding wenste in te brengen. Hij heeft daarbij verklaard dat hij bereid is zijn beroepschrift van 16 maart 2004 tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar in te trekken indien een “second opion” zou worden afgewacht. Vervolgens heeft verweerder een beslissing op bezwaar op 27 april 2004 genomen waarin is overwogen dat er geen aanleiding wordt gezien het ter zitting van de ambtelijke commissie gedane verzoek te honoreren. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat een contra-expertise, gelet op beslistermijn in de uitspraak van 30 januari 2004 en op eisers beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar, niet kon worden afgewacht.

2.4.4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eiser in de gelegenheid had moeten stellen een contra-expertise in de procedure te brengen alvorens, na beoordeling hiervan door verweerders deskundige, de beslissing op bezwaar te nemen. Nu dit niet is gebeurd moet strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel worden aangenomen.

2.4.5. Door het instellen van een beroep tegen het niet tijdig nemen van de beslissing op bezwaar wordt in beginsel beoogd dat verweerder dit besluit spoedig neemt. In het onderhavige geval was voor het nemen van dit besluit het inwinnen van een deskundigenadvies - het BMA-advies - noodzakelijk. Eiser heeft op 21 november 2003 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van de beslissing op bezwaar. De Awb kent juist en uitsluitend dit middel om de procedure, waar onder in dit geval tevens is begrepen het afkomen van het BMA-advies, te bespoedigen. Deze rechtbank met deze zittingsplaats heeft eisers beroep bij uitspraak van 30 januari 2004 gegrond verklaard en daarbij bepaald dat een beslissing op bezwaar binnen zes weken na verzending van de uitspraak dient te worden genomen. Eiser was van mening dat verweerder zich niet aan deze opdracht heeft gehouden, waarop hij op 16 maart 2004 een tweede beroep fictief heeft ingesteld, waarop bij het afkomen van het BMA-advies nog niet door de rechtbank was beslist.

Verweerder had uit de voornoemde en expliciete opmerkingen van eisers gemachtigde tijdens de hoorzitting moeten begrijpen dat eiser een contra-expertise wilde laten uitvoeren, waarvan het resultaat zou moeten worden beoordeeld bij de beslissing op bezwaar. Dit is immers de meest aangewezen weg om de voor eiser ongunstige conclusies uit het BMA-advies, zoals reeds opgemerkt een deskundigenbericht, in rechte te bestrijden. Eiser heeft in dit verband aangeboden zijn beroepschrift van 16 maart 2004 in te trekken. De vraag waarom eiser dit beroep niet sowieso heeft ingetrokken buiten beschouwing latend, had verweerder in dit geval niet met een beroep op het tijdig beslissen op bezwaar aan dit verzoek voorbij mogen gaan. Eisers procespositie is tegen zijn wil eiser geschaad, hetgeen zwaarder dient te wegen dan het belang tijdig een beslissing op bezwaar te nemen. Bovendien was reeds een nieuw beroep fictief aanhangig waarbij in het geval dit niet zou zijn ingetrokken, de vraag zou moeten worden beantwoord wat het belang van eiser bij dit beroep zou zijn geweest nu hij zelf om uitstel van het nemen van de beslissing op bezwaar heeft gevraagd.

Dit geldt evenzeer voor het argument dat verweerder op basis van voornoemde uitspraak van deze rechtbank gehouden was te beslissen voordat een contra-expertise in het geding kon worden gebracht. Verweerder is in beginsel gehouden een door de rechtbank bepaalde beslistermijn na te leven. Er kunnen zich echter nieuwe feiten of omstandigheden voordoen op grond waarvan verweerder in dat bijzondere geval niet onverkort aan deze verplichting kan vasthouden; zo ook in deze zaak. Als nieuwe omstandigheden dienen te worden aangemerkt het wederom instellen van een beroep fictief door eiser en het hierna afkomen van het BMA-advies. Zoals bovenstaand is gemotiveerd zou het naleven van de rechterlijke uitspraak in dit geval een zorgvuldige voorbereiding van het besluit belemmeren, terwijl bij de beoordeling door verweerder van de ernst van dit verzuim had moeten worden meegewogen de nieuwe omstandigheid dat een nieuw beroep fictief was ingesteld; een beroep waarvan op voorhand kan worden aangenomen dat gezien eisers eigen verzoeken om uitstel, de kans dat het gegrond zou worden verklaard zeer gering zou zijn.

Voornoemde omstandigheden maken dat verweerder in dit geval het onverkort vasthouden aan de in de uitspraak genoemde beslistermijn niet met succes kan tegenwerpen aan eisers verzoek om voor het nemen van de beslissing op bezwaar een contra-expertise in de procedure te brengen.

2.5. Gelet op het voorgaande wordt geoordeeld dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Derhalve zal het beroep gegrond worden verklaard, het bestreden besluit worden vernietigd en bepaald worden dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak. Gelet hierop kan hetgeen overigens door partijen is aangevoerd derhalve buiten bespreking blijven.

2.6. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1).

2.7. Op grond van het bepaalde in artikel 8:74 van de Awb wijst de rechtbank de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht.

III. BESLISSING

De rechtbank:

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 644 ,-- (zegge: zeshonderd en vierenveertig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan eiser;

5. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht ad € 136,- (zegge: honderd en zesendertig euro).

Gewezen door mr. J. Recourt, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. G. Panday, griffier, en openbaar gemaakt op 14 oktober 2004.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift verzonden op: 14 oktober 2004.

Conc:GP

Coll

Bp: -

D: B

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Ingevolge artikel 69, eerste lid, van de Vw 2000 bedraagt de termijn voor het instellen van hoger beroep vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.