Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2004:AR7261

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-11-2004
Datum publicatie
07-02-2005
Zaaknummer
AWB 01/68792
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proces-verbaal
Inhoudsindicatie

Overgangsrecht / niet tijdig beslissen / voornemenprocedure.

Niet betwist is dat op de onderhavige aanvraag eerst onder de Vw 2000 een inhoudelijk besluit is genomen. Op dergelijke aanvragen is in beginsel het procesrechtelijke regime van de Vw 1994 van toepassing. In de jurisprudentie bestaan aanwijzingen dat verweerder in de uitvoeringspraktijk niettemin tot de keuze komt om toch een voornemenprocedure te volgen. Gelet hierop en de omstandigheid dat eiser heeft gesteld door het niet voeren van een voornemenprocedure in zijn processuele belangen te zijn geschaad, wordt daarin grond gezien het bestreden besluit wegens strijd met het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel te vernietigen. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer, enkelvoudig

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak ingevolge artikel 8:67 Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr : AWB 01/68792 OVERIO

Inzake : [A], eiser, V-nummer [V-nummer], woonplaats kiezende ten kantore van zijn gemachtigde, mr. G.E.M. Later, advocaat te Den Haag,

tegen : de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder, gemachtigde mr. C.S. de Smit, pleitend juridisch medewerker verbonden aan het kantoor van Pels Rijcken & Drooglever Fortuijn advocaten & notarissen te Den Haag.

1. ZITTING

Datum: 23 november 2004.

Zitting hebben:

mr. M.C.J.A. Huijgens, lid van de enkelvoudige kamer,

S. Kedar, griffier.

Ter zitting zijn verschenen eiser in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde, en verweerder bij gemachtigde.

Na het onderzoek ter zitting te hebben gesloten, heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan als onder 3. vermeld.

2. OVERWEGINGEN

In geschil is het besluit van 29 mei 2002, waarbij het bezwaar tegen het uitblijven van een besluit op eisers aanvraag om toelating als vluchteling en om een vergunning tot verblijf met als doel ‘klemmende redenen van humanitaire aard’ van 8 juli 1997, ongegrond is verklaard en de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘tijdsverloop in een asielprocedure’ niet is ingewilligd.

Namens eiser is onder meer betoogd dat nu op de aanvraag van 8 juli 1997 materieel eerst onder het Vreemdelingenrecht 2000 is beslist verweerder een voornemenprocedure had moeten volgen. Eiser meent dat hij door deze gang van zaken in zijn belangen is geschaad.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het bestreden besluit niet anders gezien kan worden dan een beslissing op bezwaar, zodat een voornemenprocedure niet gevolgd behoefde te worden.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van het bepaalde in artikel 117, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 de door eiser op 8 juli 1997 ingediende aanvraag om toelating als vluchteling, waarop ten tijde van de inwerkingtreden van de Vw 2000 nog geen reële beschikking was genomen, aangemerkt dient te worden als een aanvraag op grond van artikel 28 van die wet. Niet betwist is dat op de onderhavige aanvraag eerst onder de Vw 2000 een inhoudelijk besluit is genomen.

Op dergelijke aanvragen is in beginsel het procesrechtelijke regime van de Vw 1994 van toepassing.

In de jurisprudentie (vgl. ABRvS, 18 maart 2003, nr. 200300859/1; Rb Den Haag zp Almelo, 27 mei 2003, JV 2003/S383) bestaan aanwijzingen dat verweerder in de uitvoeringspraktijk (niettemin) tot de keuze komt om toch een voorneemprocedure te volgen.

Gelet hierop en de omstandigheid dat eiser heeft gesteld door het niet voeren van een voornemenprocedure in zijn processuele belangen te zijn geschaad, wordt daarin grond gezien het bestreden besluit wegens strijd met het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel te vernietigen.

Dat eiser tegen het uitblijven van een reële besluit in rechte is opgekomen en hij op het bezwaarschrift, gericht tegen het uitblijven van een beslissing is gehoord, doet hieraan niet af. Immers, ten tijde van dat gehoor lag er geen inhoudelijke afwijzing van verweerder voor, zoals als dat wel het geval zou zijn geweest in het kader van de voornemen- en zienswijze procedure. Daardoor is het voor eiser niet goed mogelijk geweest om de afwijzende beslissing op een adequate manier te betwisten.

Gelet op het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat eiser in zijn belangen is geschaad en dat hij recht en belang heeft bij de vernietiging van het thans bestreden besluit. Het beroep dient dan ook gegrond te worden verklaard.

De rechtbank ziet in dit geval aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 805,-- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 1/2 punt voor de nadere zitting met een waarde per punt van € 322,-- en wegingsfactor 1).

3. BESLISSING

De rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 805,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie) als rechtspersoon die deze kosten aan eiser dient te vergoeden;

5. gelast dat de Staat der Nederlanden als rechtspersoon het door eiser betaalde griffierecht ad € 109,36 vergoedt.

griffier: rechter:

RECHTSMIDDEL

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier.

Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd.

Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. (Nadere informatie www.raadvanstate.nl)

Verzonden op: