Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2004:AR7201

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-10-2004
Datum publicatie
02-02-2005
Zaaknummer
AWB 04/38848
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Hoger beroep / bevoegdheid rechtbank.

De rechtbank heeft eerder het beroep van verzoeker tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een verblijfsvergunning reeds gegrond verklaard. Hij vraagt thans alsnog als voorlopige voorziening een verbod op uitzetting totdat opnieuw op het opengevallen bezwaar is beslist. Ter zitting blijkt dat verweerder hoger beroep heeft aangetekend tegen de uitspraak van de rechtbank, waarbij het beroep van verzoeker gegrond is verklaard. Uit artikel 8:81, tweede lid, Awb juncto artikel 36, eerste lid, Wet RvS, vloeit voort dat verzoeker in deze situatie als wederpartij in hoger beroep een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening kan richten tot de voorzitter van de Afdeling. Het wettelijk systeem verzet zich ertegen dat gelijktijdig bij zowel de rechtbank als bij de Afdeling een voorlopige voorziening kan worden gevraagd en verkregen. De voorzieningenrechter concludeert dat hij niet bevoegd is om te beslissen op het onderhavige verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank ’s-Gravenhage

nevenzittingsplaats Haarlem

voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

artikel 8:81 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

artikel 71 Vreemdelingenwet 2000 (Vw)

reg.nr: AWB 04 / 38848 BEPTDN J

inzake: A, geboren op [...] 1970, van Sudanese nationaliteit, verzoeker,

gemachtigde: mr. J. Singh, advocaat te Hoofddorp, ter zitting waargenomen door diens kantoorgenoot drs. J.E. Groenenberg,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,

gemachtigde: mr. J.A.C. Verbeek, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te ’s-Gravenhage.

1. GEGEVENS INZAKE HET GEDING

1.1 Verzoeker heeft verweerder op 11 februari 2003 verzocht hem op grond van schrijnende omstandigheden in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Bij besluit van 11 juli 2003 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Hiertegen heeft verzoeker op 22 juli 2003 bezwaar gemaakt, welk bezwaar bij besluit van 4 november 2003 ongegrond is verklaard. Op 1 december 2003 heeft verzoeker tegen laatstgenoemd beroep ingesteld. Bij uitspraak van 13 mei 2004 heeft deze rechtbank en nevenzittingsplaats dit beroep gegrond verklaard en verweerder opgedragen opnieuw te beslissen op het bezwaarschrift van 22 juli 2003.

1.2 Bij verzoekschrift van 30 augustus 2004 heeft verzoeker verzocht verweerder te verbieden hem uit Nederland te verwijderen totdat opnieuw op het bezwaar is beslist.

1.3 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2004. Verzoeker is daar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij zijn gemachtigde. Ter zitting heeft de voorzieningenrechter het onderzoek geschorst teneinde partijen in de gelegenheid te stellen de voorzieningenrechter nadere informatie te verschaffen. Partijen hebben hun reacties op 14 oktober 2004 aan de rechtbank doen toekomen. Op diezelfde datum heeft de voorzieningenrechter het onderzoek, met toestemming van partijen zonder het houden van een nadere zitting, gesloten en uitspraak bepaald op heden.

2. OVERWEGINGEN

2.1 Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb kan, indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, tegen een besluit bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Uit het tweede lid van artikel 8:81 Awb volgt dat indien bij de rechtbank beroep is ingesteld, een partij in de hoofdzaak een verzoek om voorlopige voorziening kan doen.

2.2 Ingevolge artikel 6:15, eerste lid, Awb wordt, indien in het bezwaar- of beroepschrift wordt ingediend bij een onbevoegd bestuursorgaan of bij een onbevoegde administratieve rechter, het bezwaar- of beroepschrift zo spoedig mogelijk doorgezonden aan het bevoegde orgaan. Blijkens het tweede lid van artikel 6:15 Awb is het eerste lid van overeenkomstige toepassing indien in plaats van een bezwaarschrift een beroepschrift is ingediend of omgekeerd.

2.3 Ingevolge artikel 8:81, vierde lid, Awb is artikel 6:15 Awb van overeenkomstige toepassing indien een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is ingediend.

2.4 Ingevolge artikel 36, eerste lid, Wet op de Raad van State (Wet RvS) is artikel 8:81 Awb van overeenkomstige toepassing, indien bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld.

2.5 Ter zitting is gebleken dat verweerder hoger beroep heeft aangetekend tegen de uitspraak van deze rechtbank en nevenzittingsplaats van 13 mei 2004.

2.6 Uit artikel 8:81, tweede lid, Awb juncto artikel 36, eerste lid, Wet RvS, vloeit voort dat verzoeker een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening kan richten tot de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). Het wettelijk systeem verzet zich ertegen dat gelijktijdig bij zowel de rechtbank als bij de Afdeling een voorlopige voorziening kan worden gevraagd en verkregen. De voorzieningenrechter concludeert daarom dat hij niet bevoegd is om te beslissen op het onderhavige verzoek en zal zich onbevoegd verklaren.

2.7 De rechtbank zal het verzoek op de voet van artikel 6:15 Awb doorzenden aan de Afdeling, opdat haar voorzitter kan beslissen op het verzoek. De voorzieningenrechter zal de griffier daarom opdragen afschrift van deze uitspraak, het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening en de tot heden wederzijds overgelegde stukken door te zenden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, postbus 16113, 2500 BC, 's-Gravenhage.

2.8 Gezien het vorenstaande wordt het oordeel van de voorzieningenrechter niet anders door het feit dat vanwege de gegrondverklaring van het beroep de bezwaarfase opnieuw is opengevallen.

2.9 Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is niet gebleken.

3. BESLISSING

De voorzieningenrechter:

verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het gevraagde verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.M. Bruin, voorzieningenrechter, en uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2004, in tegenwoordigheid van mr. H.A. de Graaf als griffier.

afschrift verzonden op: 19 oktober 2004

Coll:

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.