Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2004:AR5788

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-11-2004
Datum publicatie
17-11-2004
Zaaknummer
09/017038-01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft gedurende een lange periode een substantieel vermogen alsmede de daarover uitgekeerde rente en dividend niet aan de Belastingdienst opgegeven. Hij heeft hierdoor de Belastingdienst en daarmee de maatschappij ernstig financieel benadeeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09/017038-01

rolnummer 0006

's-Gravenhage, 5 november 2004

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de door de politierechter naar de meervoudige strafkamer verwezen zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

adres: [adres].

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 22 oktober 2004.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr E.A.C. van Kempen, advocaat te 's-Gravenhage, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr H. Dijkstra vordert dat na te noemen op schrift gestelde wijziging in de telastlegging zal worden toegelaten. De rechtbank wijst deze vordering, na verdachte en de raadsvrouw dienaangaande te hebben gehoord toe, en beveelt dat de telastlegging zal worden gewijzigd als omschreven in de aan dit proces-verbaal gehechte vordering wijziging telastlegging.

Nadat de rechtbank heeft beslist dat daarmee kan worden volstaan stelt de griffier een door haar gewaarmerkt afschrift van de vordering aan de raadsvrouw ter hand.

Met toestemming van de verdachte en de raadsvrouw wordt het onderzoek aanstonds voortgezet.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte terzake van het hem bij dagvaarding onder 1 en 2 telastgelegde wordt veroordeeld tot een geldboete van ? 17.000,-, subsidiair 220 dagen hechtenis en een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de tijd van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis.

De telastlegging.

Aan de verdachte is telastgelegd - na wijziging van de telastlegging ter terechtzitting - hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A, en van de vordering wijziging telastlegging, gemerkt A1.

Voorvragen en verweren

Alvorens de rechtbank oordeelt over mogelijke vormverzuimen ten aanzien van de verkrijging van bewijsmateriaal overweegt zij het navolgende. Het voorbereidend onderzoek als bedoeld in artikel 359a Sv heeft uitsluitend betrekking op het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte terzake het aan hem tenlaste gelegde feit waarover de rechtbank heeft te oordelen. Artikel 359a Sv is niet van toepassing indien het verzuim is begaan buiten het verband van dit voorbereidend onderzoek. De van de Belgische fiscale autoriteiten verkregen documenten, zijnde kopieën van microfiches, zijn voor de FIOD-ECD de grondslag geweest voor een onderzoek. De rechtbank is derhalve van oordeel dat deze documenten zijn verkregen buiten het kader van het voorbereidend onderzoek ex artikel 359a Sv, tenzij sprake zou zijn van wetenschap of bemoeienis door het OM of Nederlandse opsporingsambtenaren bij de oorspronkelijke verkrijging van de betreffende documenten.

Dit neemt niet weg dat niet kan worden uitgesloten dat onrechtmatig optreden van natuurlijke- of rechtspersonen of buitenlandse instanties in de fase voorafgaand aan het voorbereidende onderzoek onder omstandigheden zodanige schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde of veronachtzaming van de rechten van de verdediging in de strafzaak tot gevolg heeft dat dit dient te leiden tot uitsluiting van bewijsmateriaal dat tengevolge van dat onrechtmatig handelen is verkregen.

De rechtbank overweegt hiertoe het navolgende.

1. Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de officier van justitie:

1.1. Onrechtmatige bewijsverkrijging door de Belgische autoriteiten

Vast staat dat door de Belgische fiscale autoriteiten gegevens, te weten de kopieën van microfiches, zijn verstrekt aan de FIOD-ECD op basis van EEG Richtlijn 77/799. Gelet hierop moet worden vastgesteld, dat het hier om een rechtsgeldige overdracht van documenten gaat. Deze documenten zijn voor de FIOD-ECD de grondslag geweest voor een onderzoek.

De betreffende kopieën van microfiches zouden gegevens bevatten van Nederlanders die een rekening zouden hebben bij de Kredietbank Luxembourg (verder te noemen KB Lux). In beginsel is de Nederlandse rechter niet gehouden de rechtmatigheid van de verkrijging van die gegevens door de buitenlandse (in casu Belgische) autoriteiten te onderzoeken. De rechter mag er op vertrouwen dat een verdragsstaat zijn opsporingsbevoegdheden in overeenstemming met de verdedigingsrechten, neergelegd in het EVRM zal uitoefenen. Dit is slechts anders indien er sterke aanwijzingen zijn dat de verdragsnormen zijn geschonden en wel zodanig dat door een mogelijk gebrek de rechtmatigheid van het opsporingsonderzoek tegen verdachte is geschaad in een belang dat de geschonden norm beoogt te beschermen.

Gelet op de inhoud van het verslag van het Vast Comité van Toezicht op de Politiediensten te Brussel van 27 juli 1999, waarvan een kopie zich bij de stukken bevindt en het verhandelde ter terechtzitting valt thans niet uit te sluiten dat een situatie als voornoemd zich hier voordoet.

De inhoud van het verslag van het Vast Comité van Toezicht op de Politiediensten - waarin wordt geconcludeerd, dat in het onderhavige geval de Belgische strafrechtrichtlijnen niet werden toegepast en dat de wijze waarop terzake gehandeld werd als onbehoorlijk en ondoelmatig moet worden beschouwd - is in vonnissen van Belgische rechtbanken als reden genoemd om te twijfelen aan de regelmatigheid van het verkregen bewijs.

Dit zou ook voor de rechtbank reden kunnen zijn om de rechtmatigheid van de verkrijging van die gegevens te beoordelen.

In dit licht is echter van belang de schriftelijke reactie op het naar aanleiding van een tussenvonnis van 12 september 2002 (LJN AE 7569) van de rechtbank Amsterdam gedane rechtshulpverzoek aan de Belgische autoriteiten. Uit een brief van 3 maart 2003 van A. van Oudenhove, procureur-generaal bij het Parket bij het Hof van Beroep te Brussel volgt, dat vanuit België geen nadere duidelijkheid verschaft kan worden omtrent de wijze waarop de Belgische justitie en de Belgische belastingdienst de in geding zijnde microfiches hebben verkregen. Niet te verwachten is dat zulks binnen afzienbare termijn anders zal zijn.

Een definitieve afgewogen beoordeling omtrent de rechtmatigheid is dus onmogelijk, niettemin blijven er krachtige aanwijzingen dat sprake is van onrechtmatige verkrijging naar Belgisch recht.

Voor de vraag of dit moet leiden tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie is van belang de vraag of de Nederlandse autoriteiten, te weten FIOD-ECD en of het openbaar ministerie hebben gehandeld in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde. Er is in andere soortgelijke zaken immers gesuggereerd dat deze instanties de hand hebben gehad in een eventuele onrechtmatige verkrijging, dat sprake is geweest van samenspanning met de Belgische autoriteiten. Meerdere hypothesen zijn naar voren gebracht doch concrete aanknopingspunten ter zake ontbreken. Van een schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde door de Nederlandse autoriteiten, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is te kort gedaan is dan ook geen sprake. Gelet op genoemde Richtlijn mocht ten tijde van de verstrekking van de uit België afkomstige gegevens worden uitgegaan van de rechtmatigheid hiervan. De gegevens mochten in elk geval als startinformatie voor een onderzoek dienen. De eventuele onrechtmatige verkrijging naar Belgisch recht staat dan ook niet in de weg aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie.

1.2. Schending van het gelijkheidsbeginsel

Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte door het handelen van de FIOD geen gebruik heeft kunnen maken van de zogenaamde inkeerregeling. Bij verdachte is immers op 30 oktober 2001 de FIOD binnengevallen, terwijl pas bij persbericht van 15 december 2002 de inkeerregeling openbaar is gemaakt. Deze gang van zaken is in strijd met het gelijkheidsbeginsel.

De rechtbank is van oordeel dat, zo er al sprake is van een persbericht van het Ministerie van Financiën, dit door de verdediging bedoelde krantenbericht niet meer behelst dan een weergave van een reeds sinds jaren in de AWR neergelegde inkeerregeling, waarvan verdachte op de hoogte kon zijn. De essentie van deze wettelijke regeling is nu juist dat belastingplichtigen (eerder verzwegen) informatie verstrekken, vóórdat de Belastingdienst dan wel de FIOD bij hen gericht navraag daarover doet. Dat op deze mogelijkheid in zijn algemeenheid in of door de pers nogmaals wordt gewezen op een moment dat tegen verdachte reeds een onderzoek was gestart, maakt niet dat sprake is van (een mate van) ongelijkheid die meebrengt dat de (latere) vervolging in strijd is met wettelijke en verdragsrechtelijke voorschriften en/of beginselen van een goede procesorde en zou moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie. Daarbij is tevens van belang dat verdachte sinds 1990 zijn belastingaangiften liet invullen door een belastingadviseur, waarvan eveneens kan worden geacht dat hij op de hoogte is van een dergelijke regeling.

Van de zijde van de verdediging is voorts aangevoerd dat de keuze van het afhandelingtraject, te weten een boete en daarnaast strafvervolging, willekeurig is. Het is dan ook de vraag of er hier wel sprake is van een gelijke behandeling van verdachte. Op grond van de ATV-richtlijnen zou verdachte ook voor een tweede boete of een transactie in aanmerking kunnen komen.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

Voorop staat dat het besluit om tot vervolging over te gaan in beginsel is voorbehouden aan het Openbaar Ministerie en dat dit besluit door de rechtbank slechts marginaal kan worden getoetst. Het stond het Openbaar Ministerie in casu vrij om in afwijking van de ATV-richtlijnen een aantal criteria op te stellen op basis waarvan zou worden besloten tot nader onderzoek respectievelijk vervolging, teneinde aldus tot een projectmatige aanpak te komen. De ATV-richtlijnen voorzien ook uitdrukkelijk in deze mogelijkheid. De beslissing om sommige rekeninghouders strafrechtelijk te vervolgen en anderen een fiscale boete op te leggen zou slechts dan in strijd met het gelijkheidsbeginsel zijn indien sprake is van een ongelijke behandeling in strijd met de wet, een verdrag of een of meer algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake. Voor de afdoening van het grote aantal gevallen van belastingontduiking in de KB Lux affaire heeft het openbaar ministerie in samenspraak met de Belastingdienst, in het kader van een projectmatige, themagerichte aanpak algemene en objectieve criteria ontwikkeld. Ten aanzien van verdachte is aan de hand van een van deze criteria beslist, te weten een minimum saldo van tenminste fl. 500.000,- op een peildatum in 1994. Op grond van vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat ook in dit opzicht niet is gebleken van een schending van het gelijkheidsbeginsel, laat staan dat is gebleken dat sprake zou zijn van een zodanige vorm van willekeur dat dit tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie zou moeten leiden.

1.3. Schending van het ne-bis-in idem beginsel

Van de zijde van de verdediging is nog aangevoerd, dat de officier van justitie het recht op vervolging heeft verloren nu verdachte reeds boetes heeft moeten betalen over de jaren 1995 en 1996. De raadsvrouw heeft daarbij gewezen op de tussen de belastingdienst en de verdachte totstandgekomen vaststellingsovereenkomst, welke ziet op afwikkeling van navordering, boete, heffingsrente over de jaren 1990 tot en met 2000.

De rechtbank overweegt dienaangaande het navolgende.

Ingevolge artikel 69a van de Algemene wet inzake Rijksbelastingen (AWR) vervalt het recht tot strafvervolging op de voet van artikel 69 AWR indien de inspecteur aan een belastingplichtige reeds een boete heeft opgelegd.

In dit geval is totstandgekomen een zogenaamde vaststellingsovereenkomst op de voet van artikel 7:900 van het Burgerlijk wetboek. Onderwerp van deze vaststellingsovereenkomst is, zo blijkt uit de brief van de inspecteur van 12 december 2002, "de na te vorderen inkomstenbelasting/premie volksverzekering en vermogensbelasting over de jaren 1990 tot en met 2000, alsmede de heffingsrente daarover en (indien van toepassing) de boeten, voorzover die een gevolg zijn van het hiervoor genoemde onderzoek". De rechtbank leidt hieruit af, dat terzake van de boeten een voorbehoud wordt gemaakt. Onderdeel van deze vaststellingsovereenkomst is bovendien een bijlage in de vorm van een specificatie, waaruit blijkt, dat inzake de inkomstenbelasting een boete is opgelegd over de jaren tot en met 1994 en inzake de vermogensbelasting over de jaren tot en met 1996. Inzake de inkomstenbelasting is geen boete opgelegd over 1995 en volgende jaren en inzake de vermogensbelasting is geen boete opgelegd over 1997 en volgende jaren.

Hoewel - zoals in de rechtbank in soortgelijke vaststellingsovereenkomsten wel heeft gezien - nadrukkelijker een voorbehoud had kunnen worden opgenomen, kan niet worden volgehouden, dat de officier in algemene zin zijn recht tot vervolging heeft verloren. Dat geldt slechts voorzover de telastlegging ziet op de aangiften vermogensbelasting 1995 en 1996. In zoverre zal de officier niet-ontvankelijk worden verklaard. Voor het overige zal het verweer te worden verworpen.

2. Bewijsuitsluiting

Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de ontvankelijkheid van de officier van justitie overweegt de rechtbank met betrekking tot de gevoerde verweren, dat sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs het volgende.

Zoals hiervoor reeds is overwogen zijn er krachtige aanwijzingen die er op duiden dat het door de Belgische autoriteiten verkregen bewijs naar maatstaven van Belgisch recht onrechtmatig is verkregen. Belgische rechtbanken zijn tot de conclusie gekomen, dat de overgelegde microfiches als bewijsstuk dienen te worden uitgesloten van bewijs omdat zij niet beschikken over stukken die noodzakelijk zijn ter controle van die rechtmatigheid. (correctionele rechtbank te Hasselt, 30 april 2003).

Naar het oordeel van de rechtbank leidt dit echter niet zonder meer tot de conclusie dat de kopieën van de microfiches ook in Nederland uitgesloten dienen te worden voor het bewijs danwel dat de vruchten van het op basis daarvan uitgevoerde onderzoek van het bewijs dienen te worden uitgesloten. Op grond van diverse stukken in het dossier, waaronder het eerder genoemde rapport van de commissie P. kan worden vastgesteld, dat er met name vraagtekens kunnen worden geplaatst waar het betreft de omgang met informanten en voorts dat er sprake zou zijn geweest van een onrechtmatige huiszoeking, waarbij de microfiches zijn aangetroffen. Het zou hier dan uitsluitend kunnen gaan om schending van de belangen van de direct betrokkenen, dat wil zeggen degenen die op het moment van die mogelijke schendingen onderwerp van strafrechtelijk onderzoek waren.

Vast staat dat dit strafrechtelijke onderzoek waarbinnen die gestelde schendingen zouden hebben plaatsgevonden zich niet richtte tegen verdachte of andere Nederlandse rekeninghouders en er jegens verdachte nog geen voorbereidend onderzoek was gestart door ambtenaren van het OM of Nederlandse opsporingsambtenaren. Ook overigens is niet aannemelijk geworden dat er door de Belgische - of Nederlandse - autoriteiten handelingen zijn verricht waardoor verdachte en/of andere Nederlandse rekeninghouders zijn geschaad in enig in rechte te eerbiedigen belang dat een (mogelijk) in België (of Luxemburg) geschonden norm beoogt te beschermen. In het bijzonder herhaalt de rechtbank dat het in het geheel niet aannemelijk is geworden dat de Nederlandse en/of Belgische autoriteiten enige bemoeienis hebben gehad met ontvreemding of het kopiëren van de interne bankgegevens van de Kredietbank Luxembourg door derden.

Voorts merkt de rechtbank op dat in het onderhavige geval uitsluitend de rechtmatige verkrijging van de betreffende microfiches wordt betwist en gesteld noch gebleken is dat de mogelijk daaraan klevende gebreken (ook) de betrouwbaarheid van het bewijs zelf aantasten.

Het vorengaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat er geen reden is om de uit België afkomstige bescheiden, zijnde kopieën van microfiches, uit te sluiten voor het bewijs, danwel te oordelen dat de vruchten van het op basis daarvan uitgevoerde onderzoek voor het bewijs dienen te worden uitgesloten.

Ten overvloede merkt de rechtbank hierbij op, dat zelfs indien de betreffende informatie uitsluitend als startinformatie zou mogen worden gebruikt en van het bewijs zou moeten worden uitgesloten er in dit geval niettemin voldoende overig bewijs is, dat verdachte de telastgelegde feiten heeft gepleegd.

Voorts is van de zijde van de verdediging aangevoerd dat verdachte, in tegenstelling tot hetgeen daaromtrent is vermeld in het proces-verbaal, bij zijn verhoor niet is meegedeeld dat hij niet tot antwoorden verplicht was.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank stelt vast dat verdachte op 30 oktober 2001 door twee buitengewoon opsporingsambtenaren is verhoord terzake van verdenking van een strafbaar feit. Verdachte is aldus het door hen opgemaakte proces-verbaal van verhoor voorafgaand aan het verhoor meegedeeld dat hij als verdachte zal worden gehoord en dat hij niet tot antwoorden verplicht is. De rechtbank ziet geen aanleiding de juistheid van dit op ambtseed opgemaakt proces-verbaal in twijfel te trekken. De enkele stelling van verdachte dat hem de cautie niet is verleend is daartoe onvoldoende.

De bewijsmiddelen.

P.M.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast. Op grond daarvan is de rechtbank tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat de verdachte de bij de dagvaarding onder 1 en 2 telastgelegde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft gedurende een lange periode een substantieel vermogen alsmede de daarover uitgekeerde rente en dividend niet aan de Belastingdienst opgegeven. Hij heeft hierdoor de Belastingdienst en daarmee de maatschappij ernstig financieel benadeeld.

Blijkens een op naam van verdachte staand uittreksel uit het Algemeen documentatieregister d.d. 25 oktober 2001 is verdachte in het verleden nimmer veroordeeld.

De rechtbank houdt bij de bepaling van de hoogte van de straf rekening met het tijdsverloop. Hoewel er geen sprake is van een gehele inactiviteit bij het openbaar ministerie, blijft staan dat verdachte lang heeft moeten wachten tot hij zekerheid kreeg omtrent de vervolging. Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte medewerking heeft verleend aan het onderzoek, waardoor de kans op herhaling gering moet worden geacht. Tenslotte houdt de rechtbank rekening met de (slechte) gezondheid van verdachte.

Gelet op vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat een geldboete behoort te worden opgelegd. Bij de vaststelling van de vermogensstraf heeft de rechtbank rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.

De toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 23, 24, 24c, 57 van het Wetboek van Strafrecht;

- 68 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (oud)

- 68 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen

- 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (nieuw)

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart de officier van justitie niet ontvankelijk voorzover de telastlegging zoals vermeld bij feit 1 ziet op de aangiften vermogensbelasting 1995 en 1996;

verklaart de officier van justitie voor het overige ontvankelijk in zijn vordering;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding onder 1 en 2 telastgelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

Opzettelijk een bij de belastingdienst voorziene aangifte onjuist en onvolledig doen, terwijl daarvan het gevolg zou kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven, meermalen gepleegd

en

Opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist en onvolledig doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 2:

Opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist en onvolledig doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd.

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een geldboete van ? 15.000,-;

bepaalt dat de geldboete bij gebreke van betaling en verhaal zal worden vervangen

door hechtenis voor de tijd van 210 dagen;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mrs Poustochkine, voorzitter,

Kuijer en Boerlage, rechters,

in tegenwoordigheid van mr Meijers, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 november 2004.