Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2004:AR5709

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-10-2004
Datum publicatie
10-12-2004
Zaaknummer
AWB 04/25961, 04/25964
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Driejarenbeleid / inherente afwijkingsbevoegdheid.

Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank niet in redelijkheid kunnen besluiten geen gebruik te maken van zijn inherente afwijkingsbevoegdheid ingevolge artikel 4:84 Awb. Van belang acht de rechtbank in dit geval dat eisers vanwege drukte op het aanmeldcentrum buiten hun schuld eerst op 1 februari 2000 hun asielaanvraag hebben kunnen indienen, terwijl eisers zich reeds op 28 december 1999 hebben aangemeld bij het AC te Zevenaar, op 30 december 1999 in de gelegenheid zouden worden gesteld hun asielaanvraag in te dienen, maar onverrichter zake weer teruggestuurd zijn. Deze door eisers aangevoerde omstandigheid is niet reeds in het driejarenbeleid verdisconteerd. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE 's-GRAVENHAGE

Zitting houdende te Assen

Vreemdelingenkamer

Regnr.: AWB 04/25961 BEPTDN A S2 & AWB 04/25964 BEPTDN A S2

uitspraak: 18 oktober 2004

U I T S P R A A K

inzake: A

eiser,

geboren op [...] 1960

van Armeense nationaliteit

alsmede zijn echtgenote

B

eiseres,

geboren [...] 1962,

van Azerbeidzjaanse nationaliteit,

verblijvende te C,

mede namens hun minderjarige kinderen,

IND dossiernummer: 0002.01.2000,

gemachtigde: mr. E. Heykoop, werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand Asiel Noordoost-Nederland te Groningen

tegen: DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage,

verweerder,

gemachtigde: mr. Vanoy, ambtenaar ten departemente.

PROCESVERLOOP

Op 1 februari 2000 hebben eisers aanvragen tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend, als bedoeld in artikel 28 Vreemdelingenwet 2000.

Bij beschikkingen van 25 juni 2001, bekend gemaakt op 25 juni 2001, heeft verweerder afwijzend op de aanvragen beslist.

Bij beroepschrift van 23 juli 2001 hebben eisers tegen de hiervoor genoemde beschikkingen beroep ingesteld.

Bij uitspraak van 19 december 2002 (AWB 01/33778 en AWB 01/39237) heeft de rechtbank te ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen de beroepen gegrond verklaard en de beschikkingen van 25 juni 2001 vernietigd.

Bij beschikkingen van 3 september 2003, verzonden op 4 september 2003, heeft verweerder de aanvragen wederom niet ingewilligd en tevens ambtshalve besloten aan eisers geen verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “tijdsverloop gedurende de asielprocedure” te verlenen.

Op 2 oktober 2003 hebben eisers bezwaar gemaakt tegen het niet verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd.

Bij beschikkingen van 12 mei 2004 is het bezwaar ongegrond verklaard.

Bij beroepschrift van 7 juni 2004 hebben eisers beroep ingesteld bij de rechtbank tegen deze beschikkingen. De gronden van het beroep zijn ingediend op 10 juni 2004.

De griffier heeft de van verweerder ontvangen stukken aan eisers gezonden en hen in de gelegenheid gesteld nadere gegevens te verstrekken. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 10 september 2004. Eisers zijn daarbij verschenen bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

In deze procedure dient te worden beoordeeld of de bestreden beschikkingen van 12 mei 2004 toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

Verweerder heeft in de bestreden besluiten overwogen dat eisers niet in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “ tijdsverloop gedurende de asielprocedure”. Ingevolge C2/9.2.b van de Vc 2000 is de datum van de asielaanvraag de datum waarop de termijn begint te lopen. Ook uit C2/9.4.1. van de Vc 2000 blijkt dat de termijn gaat lopen vanaf de datum van ontvangst van de asielaanvraag. Nu eisers hun aanvraag op 1 februari 2000 hebben ingediend, hadden zij op het moment van de afschaffing van het driejarenbeleid per 1 januari 2003 nog geen drie jaar relevant tijdsverloop opgebouwd. Eisers komen gelet op het vorenstaande niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “relevant tijdsverloop in de asielprocedure”. Eisers zijn op grond van artikel 7:3, onder b van de Awb niet gehoord.

Eisers stellen zich op het standpunt dat de beschikkingen in strijd zijn met artikel 7:12 van de Awb nu verweerder niet op de inhoud van het bezwaarschrift is ingegaan.

Voorts hebben eisers een beroep op het gelijkheidsbeginsel gedaan. Naar aanleiding van een uitspraak van de rechtbank Utrecht - waarin is geoordeeld dat aanvangdatum driejaren termijn de datum van aanmelding is - heeft verweerder een verblijfsvergunning regulier verstrekt. Eisers stellen zich op het standpunt dat het gelijkheidsbeginsel met zich brengt dat ook zij voor een vergunning in aanmerking dienen te komen. Voorts hebben eisers hun aanvraag later moeten indienen doordat verweerder eisers niet eerder in de gelegenheid heeft gesteld hun aanvragen in te dienen. Op 28 december 1999 hebben eisers zich aangemeld bij het aanmeldcentrum te Zevenaar. Eisers zijn vervolgens naar Ermelo verwezen. Op 30 december 1999 zijn eisers door verweerder uit Ermelo opgehaald en naar Zevenaar gebracht om hun asielaanvraag te doen. In Zevenaar aangekomen, bleek dat de IND geen tijd had en moeten eisers terugkeren. Aangezien eisers buiten hun schuld pas op 1 februari 2000 hun aanvraag hebben kunnen indienen, moet in hun geval de ingangsdatum 28 december 1999 of 30 december 1999 worden gehanteerd.

Voorts hebben verwezen naar een uitspraak van de REK van 18 juni 1998, JV 1998/133. Ten slotte hebben eisers gesteld dat er in hun geval sprake was van een andere situatie dan waarvan sprake was in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 april 2004. In die procedure was er geen sprake van de omstandigheid dat eisers naar een aanmeldcentrum werden gebracht om hun aanvraag te doen en door toedoen van verweerder onverrichter zake weer terug moesten keren.

Beoordeling van het beroep

De Minister kan krachtens artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verlenen. Ingevolge het tweede lid kan zodanige vergunning worden verleend onder beperkingen, verband houdende met het doel waarvoor het verblijf is toegestaan. Ingevolge artikel 3.4, eerste lid van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna; het Vb 2000), houden, voor zover thans van belang, de in artikel 14, tweede lid, van de wet bedoelde beperkingen verband met het feit dat na drie jaren niet onherroepelijk is beslist op een asielaanvraag. In artikel 3.6 van het Vb 2000 is bepaald dat een verblijfsvergunning, als bedoeld in artikel 14 van de wet, slechts ambtshalve kan worden verleend onder een drietal beperkingen.

Eén daarvan is de beperking, vermeld in artikel 3.4, eerste lid, onder x, van het Vb 2000.

De wijze waarop de minister gebruik maakt van zijn bevoegdheid ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “het feit dat na drie jaren niet onherroepelijk is beslist op een asielaanvraag” te verlenen, is uiteengezet in C2/9 van de Vc 2000. In die paragraaf is, voorzover thans van belang, het volgende vermeld:

a. Op de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd of het verlengen van de geldigheidsduur daarvan, als bedoeld in artikel 28 Vw 2000 is drie jaren na ontvangst ervan niet onherroepelijk beslist.

b. De vreemdeling moet gedurende deze periode rechtmatig verblijf hebben gehad op grond van artikel 8, onder f, g, of h, Vw 2000 in afwachting van de beslissing op het beroepschrift gericht tegen de afwijzing van deze aanvraag.

c. Gedurende de relevante periode van drie jaar moet de asielaanvraag nog aan de orde zijn, dat wil zeggen dat de vreemdeling niet inmiddels een ander verblijfsdoel nastreeft.

Voorts staat in paragraaf C2/9.4 van de Vc 2000 dat de termijn gaat lopen vanaf de datum van ontvangst van de asielaanvraag door middel van het formulier, bedoeld in artikel 3.108 van het Vb 2000 en dat de dag van ontvangst van de aanvraag dus meetelt bij de berekening van de termijn. Ook in A4/6.22.2. van de Vc 1994 was vermeld dat de driejaren-termijn gaat tellen vanaf het moment van de aanvraag om toelating voor het oorspronkelijke verblijfsdoel voor zover dat nog gehandhaafd is. In de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 april 2004 (200400453/1) is reeds geoordeeld dat verweerder in redelijkheid tot het voeren van het hiervoor vermelde beleid, neergelegd in onderdeel C2/9 van de Vc heeft kunnen besluiten.

Dit laat echter onverlet dat onder zeer bijzondere omstandigheden onverkorte toepassing van de regeling tot een onredelijke beleidstoepassing zou kunnen leiden en er onder omstandigheden voor verweerder noodzaak kan bestaan om onder gebruikmaking van de inherente afwijkingsbevoegdheid zoals neergelegd in artikel 8:84 van de Awb alsnog aan één of meer specifieke voorwaarden voorbij te gaan.

Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank niet in redelijkheid kunnen besluiten geen gebruik te maken van zijn inherente afwijkingsbevoegdheid ingevolge artikel 8:84 Awb. Van belang acht de rechtbank in dit geval dat eisers vanwege drukte op het aanmeldcentrum - hetgeen door de gemachtigde van verweerder niet weersproken is - buiten hun schuld eerst op 1 februari 2000 hun asielaanvraag hebben kunnen indienen, terwijl eisers zich reeds op 28 december 1999 hebben aangemeld bij het AC te Zevenaar, op 30 december 1999 in de gelegenheid zouden worden gesteld hun asielaanvraag in te dienen, maar onverrichter zake weer teruggestuurd zijn. Dit bijzondere samenstel van - door verweerder niet weersproken feiten - valt naar het oordeel van de rechtbank aan te merken als een bijzondere omstandigheid. Deze door eisers aangevoerde omstandigheid is niet reeds in het driejarenbeleid verdisconteerd.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de bestreden besluiten een deugdelijke motivering ontberen. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de weigering om eisers in aanmerking te brengen voor een verblijfsvergunning regulier de rechterlijke toets niet kan doorstaan.

De beroepen zijn derhalve gegrond.

Voor vergoeding van het betaalde griffierecht of veroordeling van een partij in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, bestaat thans aanleiding.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond en vernietigt de bestreden besluiten;

- draagt verweerder op opnieuw op het bezwaar te beslissen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon om het betaalde griffierecht ad EUR 136,- aan eisers te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad EUR 644,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan eisers moet voldoen.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC te ‘s-Gravenhage Ingevolge artikel 85 Vw 2000 dient het beroepschrift één of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 Awb is niet van toepassing.

Aldus gegeven door mr. B.I. Klaassens, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. S. Derks als griffier op 18 oktober 2004.

Afschrift verzonden: 21 oktober 2004