Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2004:AR5702

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-10-2004
Datum publicatie
10-12-2004
Zaaknummer
AWB 03/40830
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Feitelijke gezinsband / bewijsnood.

Niet in geschil is dat eiseres in het buitenland feitelijk niet behoorde tot het gezin van haar vader, zijnde referent. Verweerder heeft niet inhoudelijk getoetst aan de vraag of het niet inwilligen van de aanvraag schending van artikel 8 EVRM op zou kunnen leveren, omdat er geen sprake is van gelegaliseerde stukken waaruit blijkt dat referent de vader van eiseres is. Eiseres heeft zich beroepen op bewijsnood. Verweerder heeft gesteld dat er van bewijsnood geen sprake is. De rechtbank oordeelt dat eiseres gemotiveerd heeft aangegeven waarom er in haar situatie sprake is van bewijsnood. Derhalve had het op de weg van verweerder gelegen om, ook bij de toepassing van artikel 8 EVRM, advies te vragen aan het ministerie van Buitenlandse Zaken inzake de mogelijke bewijsnood van eiseres. Verweerder heeft in redelijkheid zonder een dergelijk nader onderzoek het beroep op artikel 8 EVRM niet kunnen afwijzen, enkel met verwijzing naar het ontbreken van gelegaliseerde stukken inzake de familieverwantschap. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE 's-GRAVENHAGE

Zitting houdende te Assen

Vreemdelingenkamer

Regnr.: AWB 03/40830 BEPTDN A S2

uitspraak: 15 oktober 2004

U I T S P R A A K

inzake: A,

geboren op [...] 1983,

verblijvende te B,

van Angolese nationaliteit,

IND dossiernummer: 9809.29.8081,

eiseres,

gemachtigde: mr. B. Werink, advocaat te Groningen,

tegen: DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage,

verweerder,

gemachtigde: mr. E.A. Lukkien, ambtenaar ten departemente.

PROCESVERLOOP

Op 18 september 1998 heeft eiseres een aanvraag tot verlening van een vergunning tot verblijf ingediend met als doel “verblijf bij ouder C, loonarbeid”

Bij beschikking van 7 mei 1999 heeft verweerder de aanvraag niet ingewilligd.

Op 3 juni 1999 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen deze beschikking.

Bij beschikking van 3 juli 2003 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Bij beroepschrift van 24 juli 2003 heeft eiseres beroep ingesteld bij de rechtbank tegen deze beschikking.

De griffier heeft de van verweerder ontvangen stukken aan eiseres gezonden en haar in de gelegenheid gesteld nadere gegevens te verstrekken. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 27 juli 2004. Eiseres is daarbij verschenen bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

Eiseres heeft op 18 september 1998 een aanvraag gedaan om een vergunning tot verblijf met als doel verblijf bij ouder(s), loonarbeid. De vader van eiseres verblijft sedert 30 oktober 1993 in Nederland, hij is toen met zijn huidige echtgenote en jongste kind uit Angola vetrokken. De twee kinderen uit een eerdere relatie, onder wie eiseres, bleven in Angola en woonden bij hun grootmoeder van moederskant. Eiseres heeft tot 1997 bij haar grootmoeder in Angola gewoond en na haar overlijden bij haar oom. Eiseres haar oom wilde niet langer voor haar zorgen en heeft haar weggestuurd.

Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden, die gelden voor een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdende met gezinshereniging of gezinsvorming. De familierechterlijke relatie met referent is in casu niet aangetoond door middel van officiële gelegaliseerde bescheiden en de vreemdeling behoort feitelijk niet tot het gezin dan wel behoorde feitelijk niet tot het gezin van de in Nederland wonende ouder(s) bij wie verblijf wordt beoogd. Dat van eiseres niet gevraagd kan worden gelegaliseerde bescheiden uit Angola te overleggen, zoals door de gemachtigde bij brief van 16 juni 2003 is aangevoerd, is naar de mening van verweerder op geen enkele wijze nader onderbouwd, laat staan aangetoond. Dat eiseres en referent geen contact hebben met mensen in Angola die papieren voor hen kunnen regelen leidt niet tot het oordeel dat eiseres vrijgesteld dient te worden van het vereiste te beschikken over een gelegaliseerde verklaring waaruit de familierechterlijke relatie blijkt. Niet valt in te zien dat zij daarvoor contact dient te hebben met mensen in Angola en dat het voor haar onmogelijk is om zonder hulp van derden in het bezit te worden gesteld van een dergelijke gelegaliseerde verklaring. Op geen enkele wijze is aangetoond dat eiseres serieuze inspanningen heeft verricht om in het bezit te worden gesteld van een gelegaliseerde verklaring waaruit de familierechterlijke relatie blijkt. Dat er een DNA-onderzoek geïnitieerd zou behoren te worden valt niet in te zien nu dit ingevolge hoofdstuk B2/12.5 eerst aan de orde is als er sprake is van bewijsnood.

Verweerder stelt zicht tevens op het standpunt dat niet is gebleken van bijzondere feiten of omstandigheden op grond waarvan, bij afweging van alle aan de orde komende belangen, aanleiding bestaat de aanvraag toch in te willigen. Een beroep op het driejarenbeleid alsmede op TBV 2003/7 faalt. In een reguliere procedure wordt het driejarenbeleid (enkel) uitgewerkt als een beperking van de afwijzingsgronden, in die zin dat voorbij wordt gegaan aan twee afwijzingsgronden waarop een aanvraag afgewezen zou kunnen worden, te weten het middelenvereiste en het mvv-vereiste. De overige afwijzingsgronden blijven van toepassing. Ook heeft eiseres geen aanspraak op een vergunning ingevolge het driejarenbeleid met toepassing van TBV 2003/7. Om daarvoor in aanmerking te komen dient voor 1 januari 2001 een aanvraag voor een verblijfsvergunning met als doel: ‘zonder beperkingen’ of vanwege ‘klemmende redenen van humanitaire aard’ te zijn ingediend. Eiseres heeft weliswaar voor 1 januari 2000 een aanvraag ingediend, doch heeft destijds als beperking ‘gezinshereniging bij ouder C, loonarbeid’ opgegeven. Dat in het bezwaarschrift van 21 juni 1999 is betoogd dat eiseres eventueel een vergunning op humanitaire gronden dient te worden verleend, maakt dit niet anders nu bij de beoordeling of eiseres in aanmerking komt voor een vergunning op grond van TBV 2003/7 van de oorspronkelijke aanvraag wordt uitgegaan.

De weigering om aan eiseres verblijf hier te lande toe te staan brengt geen schending van het recht op eerbiediging van het familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: artikel 8 EVRM) mee. Er is, aldus verweerder, immers niet aangetoond dat er sprake is van familie- of gezinsleven als hiervoor bedoeld, tussen eiseres en referent, aangezien op geen enkele wijze middels objectief verifieerbare (gelegaliseerde) bescheiden is aangetoond dat eiseres daadwerkelijk een kind is van referent.

Tot slot heeft verweerder gesteld dat op grond van artikel 7:3, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is afgezien is van het horen van eiseres.

Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij weliswaar in Angola niet bij haar vader heeft gewoond, doch dat er intussen sprake is van gezinsleven hier in Nederland. Verweerder heeft pas na bijna vijf jaar uitsluitsel gegeven op haar aanvraag op een verblijfsvergunning, terwijl zij gedurende die tijd met medeweten van verweerder bij haar vader heeft gewoond. Weliswaar voorziet de Vc daar niet in, doch in de geest van de Vc zou dit aspect meegewogen moeten worden. Voorts is eiseres van mening dat van haar niet kon worden verwacht dat zij door middel van gelegaliseerde bescheiden haar familierechtelijke betrekking met haar vader aantoont. In Angola heerst een burgeroorlog en zij en haar vader zijn het land ontvlucht en zijn alle contacten met achterblijvers kwijtgeraakt. Het is twijfelachtig in hoeverre officiële instanties in Angola nog stukken kunnen leveren. Eiseres verzoekt verweerder om een DNA-onderzoek om zodoende haar familieband aan te kunnen tonen. Eiseres stelt dat verweerder weigert om daar aan mee te werken omdat bewijsnood niet aannemelijk zou zijn gemaakt echter volgens de VC 1994, is het niet aan verweerder om daarover te oordelen maar aan de Minister van Buitenlandse Zaken. Hem moet informatie worden gevraagd en op basis van die informatie moet worden beoordeeld of er sprake is van bewijsnood. De beschikking is op dit punt onvoldoende gemotiveerd. Voorts stelt eiseres dat verweerder heeft geweigerd een oordeel te geven over de vraag of zij in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op humanitaire gronden, waarmee de beschikking ook op dit punt onvoldoende is gemotiveerd.

Voorts heeft eiseres gesteld dat in de beschikking onvoldoende is gemotiveerd waarom een beroep op artikel 8 EVRM niet kan slagen nu er in Nederland gezinsleven is ontstaan omdat verweerder na indiening van het bezwaarschrift de zaak vier jaar heeft laten liggen, waarbij het niet van belang is of verzoekster verzorgd wordt door haar echte vader, of door iemand die zich als een pleegvader heeft opgeworpen.

Tot slot is eiseres van mening dat het driejarenbeleid onredelijk is, nu voldoende relevant tijdsverloop er slechts toe leidt dat de inkomens- en mvv-eis niet meer wordt tegengeworpen. Het driejarenbeleid beoogt de periode van onzekerheid te beperken tot uiterlijk drie jaar omdat de wetgever het inhumaan vindt dat mensen nog langer in onzekerheid te laten. Bij aanvragen waar de onzekerheid geen betrekking heeft op de inkomens- en/of de mvv-eis gaat de onzekerheid na drie jaar gewoon door. Bovendien valt haar aanvraag onder de werking van TBV 2003/7 en komt zij op grond daarvan in aanmerking voor een verblijfsvergunning.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Aan eiseres is geweigerd haar een vergunning te verlenen in verband met verblijf bij haar vader. Bij het bestreden besluit is dit besluit na bezwaar gehandhaafd. Tevens is in het bestreden besluit, in primo, geoordeeld dat eiseres niet in aanmerking komt voor een vergunning ingevolge het zogenoemde driejarenbeleid. Dit (deel)besluit waarin ambtshalve een verblijfsvergunning vanwege het feit dat na drie jaren niet onherroepelijk is beslist op een aanvraag onthouden wordt, geeft aanleiding voor de ambtshalve toets of de rechtbank ter zake bevoegd is. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe het volgende.

Vorenbedoeld besluit dient te worden aangemerkt als een eerste besluit betreffende een reguliere vergunning. Hierop is het procesrecht dat is neergelegd in afdeling 3 van hoofdstuk 7 van de Vw 2000 (waaronder artikel 80) niet van toepassing.

Daaruit volgt dat tegen het gedeelte van het besluit dat ertoe strekt een reguliere vergunning te onthouden, op grond van artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) eerst bezwaar gemaakt moet worden bij verweerder.

De rechtbank zal het beroep ter zake van de verblijfsvergunning als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken, niet-ontvankelijk verklaren en het beroepschrift met toepassing van artikel 6:15 van de Awb als zijnde een bezwaarschrift doorzenden aan verweerder.

Met betrekking tot het overige deel van het besluit oordeelt de rechtbank als volgt.

Blijkens artikel 13 Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning slechts ingewilligd indien:

a. internationale verplichtingen daartoe nopen;

b. met de aanwezigheid van vreemdelingen een wezenlijk Nederlands belang is gediend;

c. klemmende redenen van humanitaire aard daartoe nopen.

Blijkens artikel 15 Vw 2000 wordt in de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 14, tweede lid, bepaald dat de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 Vw 2000 kan worden verleend onder een beperking verband houdende met gezinshereniging en gezinsvorming, aan gezinsleden van Nederlanders en vreemdelingen die rechtmatig verblijven als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vw 2000.

Op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder g, Vw 2000 kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 Vw 2000 worden afgewezen indien de vreemdeling niet voldoet aan de beperking, verband houdende met het doel waarvoor hij wil verblijven.

In artikel 3.13 Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) is bepaald dat de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 van de wet, onder een beperking verband houdende met gezinshereniging of gezinsvorming wordt verleend aan het in artikel 3.14 genoemde gezinslid van de in artikel 3.15 bedoelde hoofdpersoon, indien wordt voldaan aan alle in de artikelen 3.16 tot en met 3.22 genoemde voorwaarden. Het tweede lid bepaalt dat in de overige gevallen verblijfsvergunning kan worden verleend.

Ingevolge artikel 3.14 Vb wordt de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 3.13, eerste lid, verleend aan het minderjarige biologische of juridische kind van de hoofdpersoon, dat naar het oordeel van Onze Minister feitelijk behoort en reeds in het land van herkomst feitelijk behoorde tot het gezin van die hoofdpersoon en dat onder het rechtmatige gezag van die hoofdpersoon staat.

Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres in het buitenland feitelijk niet behoorde tot het gezin van referent. Eiseres woonde bij haar grootmoeder van moederskant. Eiseres voldoet derhalve niet aan de in artikel 3.14 onder c gestelde eis.

Indien niet aan de eisen als gesteld in de artikelen 3.16 tot en met 3.22 Vb kan worden voldaan heeft verweerder geen verplichting een verblijfsvergunning te verlenen in verband met gezinshereniging, doch kán verweerder een verblijfsvergunning verlenen.

In het beleid zoals neergelegd in hoofdstuk B2/6.1 van de Vc ter uitwerking van de discretionaire bevoegdheid als bedoeld in artikel 3.13, tweede lid Vb, wordt in alle gevallen als voorwaarde gesteld dat er sprake is geweest van het feitelijk behoren tot het gezin van referent. Eiseres voldoet derhalve evenmin aan de in het beleid geformuleerde eisen.

De rechtbank ziet geen aanleiding het beleid van verweerder op dit punt in zijn algemeenheid onredelijk te achten. Evenmin is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van zodanige bijzondere individuele omstandigheden dat verweerder gebruik had moeten maken van zijn bevoegdheid als bedoeld in artikel 4:84 Algemene wet bestuursrecht (Awb). De enkele omstandigheid dat de oma van eiseres is overleden en dat haar oom die haar daarna verzorgde, hiertoe niet langer bereid is, is daartoe onvoldoende. De omstandigheid dat eiseres gedurende een lange periode in onzekerheid heeft verkeerd en al langdurig in Nederland verblijft kan evenmin een bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 4:84 opleveren. Nu verweerder ten aanzien van een dergelijke omstandigheid speciaal beleid voert in de vorm van het zogenoemde driejarenbeleid, dient deze omstandigheid getoetst te worden in het kader van dat beleid.

De procedure inzake het besluit inzake het driejarenbeleid verkeert echter, zoals hierboven overwogen, nog in de bezwaarfase en staat thans niet ter beoordeling.

Verweerder heeft niet inhoudelijk getoetst aan de vraag of het niet inwilligen van de aanvraag schending van artikel 8 EVRM op zou kunnen leveren, omdat er geen sprake is van gelegaliseerde stukken waaruit blijkt dat referent de vader van eiseres is.

Eiseres heeft zich in dit verband beroepen op bewijsnood. Verweerder heeft gesteld dat er van bewijsnood geen sprake is. Eiseres heeft een aantal omstandigheden aangevoerd op grond waarvan zij meent dat er sprake is van bewijsnood. Zo heeft eiseres aangegeven dat in Angola chaos heerst na een jarenlange burgeroorlog en dat het uiterst twijfelachtig is in hoeverre officiële instanties in Angola nog stukken kunnen leveren.

De rechtbank stelt vast dat in het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van april 2003 inzake documenten het volgende wordt gesteld: “Geschat wordt dat slechts tussen de 10% en 30% van de Angolese bevolking over identiteitsdocumenten beschikt. Het overgrote deel hiervan woont in Luanda en de provinciale hoofdsteden. Documenten zijn het gemakkelijkst te verkrijgen in Luanda. Buiten de steden is het erg moeilijk is om aan documenten te komen. De provinciale autoriteiten moeten het vaak stellen zonder de faciliteiten om documenten te maken, waardoor het noodzakelijk is om connecties te hebben met personen die die documenten elders kunnen laten maken. Als gevolg van de burgeroorlog is de burgerlijke stand in de provincies vaak in erbarmelijke staat.”

In hoofdstuk B2/6.3 Vc 2000 wordt bepaald dat de familierechtelijke relatie tot degene bij wie verblijf wordt beoogd, door middel van officiële gelegaliseerde bescheiden dient te worden aangetoond, tenzij een van de uitzonderingen genoemd in B2/12 Vc 2000 van toepassing is. Ingevolge B2/12.5 Vc 2000 kan de persoon van de voorwaarde van het overleggen van uit het buitenland afkomstig gelegaliseerde documenten worden vrijgesteld, die wegens bewijsnood niet in staat is dergelijke documenten over te leggen. Om dergelijke bewijsnood aan te nemen is vooraf overleg met het Ministerie van Buitenlandse Zaken noodzakelijk door de IND. Daartoe legt de korpschef de zaak voor aan de IND door middel van formulier M63.

De IND verzoekt het ministerie van Buitenlandse Zaken om nadere informatie terzake. De IND stelt op grond van de door het ministerie van Buitenlandse Zaken verstrekte informatie vast of de door betrokkene overgelegde documenten alsnog kunnen worden gelegaliseerd en/of geverifieerd. Indien dit het geval is wordt de aanvraag ter verdere behandeling aan de korpschef overgedragen. Indien dit niet het geval is, wordt door de IND nader onderzoek naar de overgelegde documenten gedaan. Alleen indien het documentenonderzoek geen uitsluitsel biedt wordt betrokkene gewezen op de mogelijkheid van DNA-onderzoek teneinde vast te stellen of er sprake is van een biologische afstammingsrelatie zoals door betrokkene is verklaard.

De rechtbank is van oordeel dat, nu eiseres gemotiveerd heeft aangegeven waarom er in haar situatie sprake is van bewijsnood, het op de weg van verweerder had gelegen om, ook bij de toepassing van artikel 8 EVRM, advies te vragen bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken inzake de mogelijke bewijsnood van eiseres, als is aangegeven in de Vc 2000. Verweerder heeft in redelijkheid zonder een dergelijk nader onderzoek het beroep op artikel 8 EVRM niet kunnen afwijzen, enkel met verwijzing naar het ontbreken van gelegaliseerde stukken inzake de familieverwantschap.

Op grond van vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd.

Eiseres heeft voorts in de gronden van bezwaar gesteld dat zij van mening is dat het in strijd is met de humaniteit om haar, op zo jonge leeftijd, terug te sturen naar Angola, waar zij is gedoemd maatschappelijk ten onder te gaan. De rechtbank laat in het midden of daar een nieuwe aanvraag in te lezen valt om een verblijfsvergunning op humanitaire gronden te ontvangen. Verweerder heeft echter verzuimd om in het bestreden besluit inhoudelijk hierop in te gaan en heeft slechts beoordeeld of eiseres in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van TBV 2003/7. Het bestreden besluit ontbeert ook op dit punt derhalve een deugdelijke motivering.

De rechtbank is gelet op vorenstaande overwegingen van oordeel dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt.

Het beroep is derhalve gegrond.

Voor vergoeding van het betaalde griffierecht of veroordeling van een partij in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, bestaat aanleiding.

BESLISSING

De rechtbank

- verklaart het beroep niet ontvankelijk ten aanzien van het gedeelte van het besluit waarbij verweerder eiseres een verblijfsvergunning vanwege het feit dat na drie jaren niet onherroepelijk is beslist op een asielaanvraag onthouden wordt.

- verklaart het beroep voor het overige gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon om het betaalde griffierecht ad EUR 116,- aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad EUR 644,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan eiseres moet voldoen.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open

Aldus gegeven door mr. B.I. Klaassens, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van L. Nijenhuis als griffier op 15 oktober 2004.

Afschrift verzonden op: 27 oktober 2004