Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2004:AR5354

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-10-2004
Datum publicatie
21-02-2005
Zaaknummer
AWB 03/51420
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Overgangsrecht / rechtsmiddelen.

De rechtbank kan verweerder niet volgen in zijn standpunt dat het bestreden besluit valt onder de werking van de per 1 september 2003 in werking getreden Veegwet II, zodat op grond van het bij deze Wet toegevoegde derde lid van artikel 79 Vw 2000 rechtstreeks beroep bij de rechtbank zou openstaan. Op grond van het bepaalde in artikel II, eerste lid, van voormelde Veegwet II, is artikel 79, derde lid, Vw 2000 slechts van toepassing op een beschikking op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 Vw 2000 is bij besluit van 10 september 2001 afgewezen. Dit asielbesluit is door de uitspraak van 31 januari 2003 van deze rechtbank, reeds onherroepelijk geworden. Het thans bestreden besluit behelst uitsluitend een ambtshalve weigering een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 te verlenen. Nu geen beschikking op een asielaanvraag voorligt, mist artikel 79, derde lid, Vw 2000 op grond van artikel II, eerste lid, Veegwet II toepassing. Beroep niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

ZITTINGHOUDENDE TE ROERMOND

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Vreemdelingenkamer

Uitspraak van de rechtbank ex artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Proc.nr. : AWB 03/51420

Inzake : A, eiseres,

gemachtigde mr. W. de Vilder, advocaat te Beek,

tegen : de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie te ‘s-Gravenhage, verweerder.

I. PROCESVERLOOP

Op 25 september 2003 heeft eiseres beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 12 september 2003, waarbij eiseres ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) werd geweigerd.

Eiseres heeft bij faxen d.dis 20 oktober 2003 en 5 november 2003 de gronden van het beroep ingediend.

Verweerder heeft naar aanleiding van het beroep de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 21 september 2004, alwaar eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mw. mr. I.J.A. Klep.

II. OVERWEGINGEN

Eiseres, geboren op [...] 1982 en van Angolese nationaliteit, heeft op 21 januari 2000 een aanvraag om toelating als vluchteling ingediend.

Bij een op 20 juli 2001 aan de gemachtigde van eiseres toegezonden schrijven is eiseres in kennis gesteld van het voornemen om voornoemde aanvraag af te wijzen op grond van artikel 31, eerste lid, juncto artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000, alsmede van het voornemen tot het niet ambtshalve verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000, juncto artikel 3.56 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000).

Verweerder heeft vervolgens bij besluit van 10 september 2001 de aanvraag van eiseres om toelating als vluchteling conform het voornemen afgewezen.

Het door eiseres tegen dit besluit ingestelde beroep is bij uitspraak van 31 januari 2003 van deze rechtbank, zittinghoudende te ’s-Hertogenbosch, ongegrond verklaard.

Op 12 september 2003 heeft verweerder ambtshalve het hierboven in rubriek I vermelde bestreden besluit genomen.

In deze procedure ligt mitsdien thans de vraag voor of het besluit van 12 september 2003 in rechte stand kan houden.

Alvorens aan de materiële beantwoording van die vraag te kunnen toekomen, ziet de rechtbank zich geplaatst voor de vraag of eiseres in haar beroep kan worden ontvangen.

Door verweerder is in dit verband - desgevraagd - ter zitting betoogd dat het bestreden besluit valt onder de werking van de per 1 september 2003 in werking getreden Veegwet II, zodat op grond van het bij deze wet toegevoegde derde lid van artikel 79 van de Vw 2000 rechtstreeks beroep open staat bij de rechtbank.

De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

Bij Wet van 19 juni 2003 tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000, alsmede van enkele andere wetten teneinde enkele technische verbeteringen aan te brengen (de Veegwet, Stb. 2003, 269), in werking getreden op 1 september 2003, is aan artikel 79 van de Vw 2000 een derde lid toegevoegd. Door de toevoeging van dit derde lid wordt de ambtshalve afwijzing van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 onder de reikwijdte van Afdeling 3 van hoofdstuk 7 van de Vw 2000 gebracht, mits de vreemdeling in de gelegenheid is geweest om zijn zienswijze te geven over het voornemen tot ambtshalve weigering om de voornoemde verblijfsvergunning te verlenen.

Op grond van het bepaalde in artikel II, eerste lid, van de eerder vermelde Veegwet, is artikel 79, derde lid, van de Vw 2000 slechts van toepassing op een beschikking op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000, die wordt bekendgemaakt op of na de dag waarop de Veegwet in werking treedt.

Vast staat dat het thans bestreden besluit is bekend gemaakt op 12 september 2003, derhalve ná de in werkingtreding van de Veegwet.

Echter, het voorliggende besluit behelst - uitsluitend - een ambtshalve weigering een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 te verlenen. Niet wordt in dit besluit beslist op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28. Immers op deze aanvraag is reeds bij besluit van 10 september 2001 beslist, welk besluit inmiddels door de uitspraak van de rechtbank van 31 januari 2003 onherroepelijk is geworden.

Dit maakt dat artikel 79, derde lid van de Vw 2000 in de onderhavige procedure toepassing mist. Dientengevolge is Afdeling 3 van hoofdstuk 7 van de Vw 2000 evenmin van toepassing op het voorliggende besluit, zodat op grond van het bepaalde in de artikelen 8:1 Awb, juncto 7:1 van de Awb, eerst bezwaar dient te worden ingesteld, alvorens beroep open staat.

De rechtbank zal dan ook, onder toepassing van artikel 6:15 van de Awb, het beroep van eiseres doorzenden aan verweerder teneinde het alsnog in behandeling te nemen als bezwaarschrift.

Uit vorengaande overwegingen volgt dat het beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. De rechtbank komt derhalve niet toe aan een inhoudelijke beoordeling.

Van omstandigheden op grond waarvan één van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank:

verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

Aldus gedaan door mr. L.M.J.A. Dassen in tegenwoordigheid van mr. Y.J.M.L. Dijk als griffier en uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2004.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van "hoger beroep vreemdelingenzaken", Postbus 16113, 2500 BC te 's-Gravenhage. Ingevolge artikel 85 Vw 2000 bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak. Artikel 6:5 van de Awb bepaalt onder meer dat bij het beroepschrift een afschrift moet worden overgelegd van de uitspraak.