Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2004:AR5322

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-11-2004
Datum publicatie
08-11-2004
Zaaknummer
KG 04/1161
Formele relaties
Op verzet tegen : ECLI:NL:RBSGR:2001:AD6510
Op verzet tegen : ECLI:NL:RBSGR:2002:AF2232
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Bij beschikking van 7 september 2004 heeft de minister van Justitie de uitlevering van eiseres aan Turkije toegestaan. Eiseres vordert in kort geding gedaagde te veroordelen om haar niet uit te leveren aan Turkije. Zij voert aan dat de beslissing om haar uit te leveren aan Turkije onrechtmatig is, omdat de minister handelt in strijd met artikel 3 juncto artikel 1 EVRM en artikel 3 VN Verdrag tegen Foltering (AFV) en uitlevering aan Turkije bovendien een flagrante schending van artikel 6 EVRM oplevert. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de minister volgens vaste jurisprudentie een eigen verantwoordelijkheid heeft om al dan niet tot uitlevering te besluiten ondanks toelaatbaarverklaring door de rechter. Bij de beoordeling of de minister onrechtmatig heeft gehandeld door te besluiten de uitlevering van eiseres toe te staan, komt de voorzieningenrechter een marginale toetsing toe. De beleidsvrijheid van de minister in deze wordt echter ingeperkt door de in het geding zijnde verplichtingen die voortvloeien uit het EVRM. De voorzieningenrechter verbiedt gedaagde om eiseres uit te leveren aan Turkije, omdat de minister, uitgaande van de thans door de Turkse Ambassade gegeven garanties, in redelijkheid niet tot de beslissing kon komen om de uitlevering van eiseres aan Turkije toe te staan. De minister had geen genoegen mogen nemen met de in algemene bewoordingen geuite verzekering van de Turkse ambassade dat de Turkse autoriteiten zich jegens eiseres zullen houden aan hun internationale verplichtingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2005, 28
JV 2004/487
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

sector civiel recht - voorzieningenrechter

Vonnis in kort geding van 8 november 2004,

gewezen in de zaak met rolnummer KG 04/1161 van:

[eiseres],

thans verblijvende in de Penitentiaire Inrichting te Breda,

eiseres,

procureur mr. H.J.A. Knijff,

advocaten mrs. V.L. Koppe en B. Böhler te Amsterdam,

tegen:

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie),

zetelende te 's-Gravenhage,

gedaagde,

procureurs mrs. C.M. Bitter en W. Heemskerk.

1. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 1 november 2004 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1. Op 14 januari 2002 hebben de Turkse autoriteiten de uitlevering van eiseres gevraagd met het oog op haar vervolging wegens haar lidmaatschap van de Presidentiële Raad van de Koerdische Organisatie PKK. Eiseres wordt er ook van verdacht verantwoordelijk te zijn voor de training van vrouwelijke terroristen in deze organisatie en te hebben deelgenomen aan een aantal gewapende aanvallen in Turkije.

1.2. Op 10 december 2002 heeft de rechtbank Amsterdam de uitlevering ontoelaatbaar verklaard, omdat het de rechtbank niet mogelijk was gebleken de dubbele strafbaarheid vast te stellen.

1.3. Bij tussenarrest van 17 juni 2003 heeft de Hoge Raad de uitspraak van de rechtbank vernietigd; de Hoge Raad oordeelde dat de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn, namelijk deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, strafbaar gesteld in artikel 140 Wetboek van Strafrecht.

1.4. De Hoge Raad heeft voorts bevolen om eiseres op te roepen ter zitting van 4 september 2003 om te worden gehoord omtrent het verzoek tot haar uitlevering.

1.5. Eiseres is uiteindelijk verschenen ter zitting van 5 maart 2004. Bij arrest van 7 mei 2004 heeft de Hoge Raad de uitlevering toelaatbaar verklaard; eveneens op 7 mei 2004 heeft Hoge Raad de Minister van Justitie (hierna: de Minister) geadviseerd het verzoek in te willigen. In zijn advies heeft de Hoge Raad het volgende overwogen.

"Bij de behandeling van het uitleveringsverzoek is door de verdediging -met een beroep op art. 3 EVRM en art. 3 van het VN-Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing - aangevoerd dat de opgeëiste persoon het reële risico loopt dat zij na haar uitlevering zal worden gefolterd. Uit het Algemeen Ambtsbericht Turkije van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van november 2003 volgt dat die vrees niet van elke grond is ontbloot. Blijkens genoemd ambtsbericht is wel sprake van een verbetering van de situatie gedurende de laatste jaren, maar niettemin kwamen er in het recente verleden in de praktijk kennelijk - meer dan incidentele - onregelmatigheden op dit terrein voor. Het voorgaande in de beschouwingen betrekkend, ziet de Hoge Raad onvoldoende grond te adviseren de verzochte uitlevering om de aangevoerde reden niet toe te staan. Wel geeft hij U in overweging in overleg met de Turkse autoriteiten te bevorderen dat op dit punt voorafgaand aan de uitlevering de nodige waarborgen worden geschapen.

Voorts is door en namens de opgeëiste persoon betoogd dat zij na haar uitlevering niet een eerlijk proces als bedoeld in art.6 EVRM zal krijgen.

De Hoge Raad acht ook in dit opzicht onvoldoende grond aanwezig om te adviseren de verzochte uitlevering niet toe te staan. Wel vindt de Hoge Raad in de voor Nederland uit art. 1 EVRM voortvloeiende verplichtingen en de gegrondverklaring door het EHRM van vele tegen de verzoekende Staat ingediende klachten over de naleving van art.6 EVRM aanleiding Uw bijzondere aandacht te vragen voor het beroep op dreigende schending van art.6 EVRM. De Hoge Raad geeft in overweging het daarheen te leiden dat ook de naleving van art. 6 EVRM voldoende is verzekerd - met name wat betreft de realisering van de verdedigingsrechten - alvorens het verzoek tot uitlevering wordt ingewilligd dan wel de opgeëiste persoon ter beschikking van de autoriteiten van de verzoekende Staat wordt gesteld."

1.6. Naar aanleiding van voormeld advies heeft de Minister van Buitenlandse Zaken de Turkse autoriteiten verzocht verdere informatie te verschaffen teneinde de twijfel die de Hoge Raad heeft genoemd, weg te nemen.

1.7. Bij nota van 25 mei 2004 heeft de Turkse Ambassade de Minister van Buitenlandse Zaken laten weten dat Turkije ten zeerste hecht aan nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van internationale verdragen.

1.8. Bij nota van 12 juli 2004 heeft de Minister van Buitenlandse Zaken de Ambassade verzocht te bevestigen dat de nota van 25 mei 2004 zodanig kan worden uitgelegd dat de daarin gedane bevestiging dat Turkije zich zal houden aan de verplichtingen uit internationale verdragen ook geldt voor eiseres in het bijzonder.

1.9. Bij nota van 26 juli 2004 heeft de Turkse Ambassade de Minister van Buitenlandse Zaken meegedeeld dat de eerdere mededelingen uitdrukkelijk op eiseres van toepassing waren. Voorts heeft de Turkse Ambassade meegedeeld dat eiseres een eerlijk proces zal krijgen met de garanties van het EVRM en dat zij alle rechten zal genieten die uit dat verdrag voortvloeien.

1.10. Bij beschikking van 7 september 2004 heeft de Minister van Justitie (hierna: de Minister) de uitlevering van eiseres aan Turkije toegestaan.

2. De vordering, de gronden daarvoor en het verweer

Eiseres vordert -zakelijk weergegeven- gedaagde te veroordelen om eiseres niet uit te leveren aan Turkije.

Daartoe voert eiseres - kort samengevat - het volgende aan.

De beslissing om eiseres uit te leveren aan Turkije is onrechtmatig. Door eiseres uit te leveren handelt de Minister in strijd met artikel 3 juncto artikel 1 EVRM en artikel 3 VN Verdrag tegen Foltering (AFV). Bovendien levert uitlevering aan Turkije een flagrante schending op van artikel 6 EVRM.

De toetsing met betrekking tot voormelde artikelen dient door de voorzieningenrechter integraal plaats te vinden, aangezien dit vraagstuk door het systeem van de uitleveringswet niet of nauwelijks aan de orde komt bij de procedure bij de uitleveringsrechter en vanwege het systeem van de uitleveringswet is opgedragen aan de Minister.

Bij de beoordeling of gehandeld wordt in strijd met artikel 3 en 6 EVRM moet naast het ambtsbericht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken alle relevante en beschikbare informatie worden betrokken. In het algemeen kan uit recente rapportages over Turkije worden afgeleid dat er een beweging richting verbetering in de mensenrechtensituatie in Turkije is waar te nemen. De goede intenties hebben tot op heden in praktijk echter nog niet tot de gewenste resultaten geleid. De aannemelijkheid dat juist eiseres als prominent PKK-kaderlid - ondanks de gestelde vooruitgang - onderworpen zal worden aan martelingen en/of vernederende en/of onmenselijke behandeling volgt uit verschillende rapporten en brieven daterend van 2003 en 2004, zoals van het US State Department, de Europese Commissie, The European Committee for the Prevention of Torture (CPT), de IHD (Human Rights Association te Turkije), Amnesty International en Human Rights Watch. Voorts geven de klachten tegen Turkije bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) een patroon weer van consistente en grove schendingen van artikel 3 EVRM waarbij in de regel nagelaten wordt effectief en zorgvuldig onderzoek te doen wanneer de gemartelde persoon hierover klaagt. Dit geldt met name voor van separatisme verdachte Koerden die in handen vallen van de Turkse veiligheidstroepen, de Jandarma en de anti-terreurpolitie. Voorts is er geen enkel geval bekend waarbij aan PKK leden, laat staan leidinggevenden van de PKK, de rechten van artikel 6 EVRM zijn gewaarborgd.

De diplomatieke garanties die ertoe zouden moeten leiden dat eiseres niet zal worden onderworpen aan een met eerdervermelde bepalingen strijdige behandeling zijn volstrekt onvoldoende en niet betrouwbaar. Organisaties als Human Rights Watch en Amnesty International hebben hun wantrouwen uitgesproken ten aanzien van de door Turkije gegeven garanties. Ook de Commissioner for Human Rights van de Raad van Europa zet vraagtekens bij de waarde van dergelijke garanties.

De Special Rapporteur on Torture bij de Verenigde Naties heeft aanleiding gezien om op 28 mei 2004 een "urgent appeal" te zenden aan de Minister van Buitenlandse Zaken, waarin hij expliciet ingaat op de wijze waarop de garanties vorm gegeven moeten worden. De door Turkije gegeven garanties voldoen daar niet aan.

De wettelijke hervormingen in Turkije en de aanvang met de uitvoering daarvan zijn bij lange na niet afdoende om aan te nemen dat eiseres de bescherming zal genieten van de in het EVRM gegeven rechten.

Gedaagde voert gemotiveerd verweer dat hierna, voorzover nodig, zal worden besproken.

3. De beoordeling van het geschil

3.1. Vooropgesteld wordt dat de Minister volgens vaste jurisprudentie een eigen verantwoordelijkheid heeft om al dan niet tot uitlevering te besluiten ondanks toelaatbaarverklaring door de rechter. Ter beoordeling is thans of, zoals eiseres aanvoert, de Minister onrechtmatig handelt door te besluiten de uitlevering van eiseres toe te staan. De voorzieningenrechter komt in deze een marginale toetsing toe, waarbij opmerking verdient dat de beleidsvrijheid van de Minister in deze wordt ingeperkt door de in het geding zijnde verplichtingen die voortvloeien uit het EVRM.

3.2. Bij de beoordeling of de rechten van eiseres als bedoeld in artikel 3 en 6 EVRM voldoende zijn gewaarborgd heeft de Minister in zijn beschikking met betrekking tot artikel 3 EVRM overwogen dat, naast de individuele garanties die de Turkse Ambassade heeft gegeven, op basis van het ambtsbericht van Buitenlandse Zaken van november 2003 over de algemene situatie in Turkije vastgesteld moet worden dat de Turkse autoriteiten de strijd tegen foltering en mishandeling thans aanmerkelijk voortvarender ter hand nemen dan in het verleden het geval is geweest. Zo zijn er volgens de Minister niet alleen wettelijke hervormingen, maar kan aan de hand van de toename van het aantal strafzaken dat aanhangig wordt gemaakt tegen verdachten van foltering of mishandeling en de daarbij opgelegde hogere straffen, worden geconcludeerd dat het de Turkse autoriteiten ernst is.

De Minister overweegt voorts dat er, gelet op specifiek terzake van de opgeëiste persoon gegeven garantie dat zij de rechten voortvloeiende uit het EVRM volledig geniet, alsmede de recente ontwikkelingen op het gebied van regelgeving en de uitvoering daarvan, geen reden is om aan te nemen dat de opgeëiste persoon daadwerkelijk te vrezen zou hebben voor foltering of mishandeling.

Ten aanzien van artikel 6 EVRM overweegt de Minister dat er, gelet op de specifiek terzake van de opgeëiste persoon gegeven garantie dat zij de rechten voortvloeiende uit het EVRM volledig geniet, alsmede de recente ontwikkelingen op het gebied van regelgeving en de uitvoering daarvan, geen reden is om aan te nemen dat de opgeëiste persoon door haar uitlevering zou worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig haar ingevolge artikel 6 eerste lid EVRM toekomend recht, noch dat zij in het geval daarvan toch sprake zou blijken te zijn na haar uitlevering niet een rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM ten dienste staat.

Gedaagde heeft aangevoerd, dat de Minister naast het ambtsbericht van Buitenlandse Zaken ook rapportages van mensenrechtenorganisaties, rapportages van de Europese Commissie, van de Parlementaire Assemblee van de Raad van Europa etc. bij de beoordeling heeft betrokken.

3.3. Uit de door eiseres overgelegde rapporten van gouvernementele en non-gouvernementele organisaties die in 2003 en 2004 hebben gerapporteerd over de mensenrechtensituatie in Turkije kan echter ook worden opgemaakt dat Turkije zich, ondanks de hervormingen, nog steeds schuldig maakt aan in de het verleden vastgestelde schendingen van de mensenrechten. Uit die rapporten en brieven worden hierna enkele hier van belang zijnde passages weergegeven.

Het 2004 Regular Report on Turkey's Progress towards Accession van de Europese Commissie d.d. 6 oktober 2004 vermeldt onder meer dat de Turkse Mensenrechtenorganisatie in de eerste zes maanden van 2004 692 klachten ontving die betrekking hadden op marteling van mensen in detentie. De Commissie constateert in haar rapport voorts dat, ondanks de hervormingen, "numerous cases of ill-treatment including torture still continue to occur and further efforts will be required to eradicate such practices."

De CPT (European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment) constateert in haar rapport van 18 juni 2004 dat ondanks een aanzienlijke daling in "heavy torture" nog steeds sprake is van flagrante schendingen bij procedures van ondervraging bij antiterreureenheden.

Het Ambtsbericht van Buitenlandse Zaken van 11 november 2003 vermeldt in dat verband dat personen die worden verdacht van lidmaatschap van de PKK/KADEK worden overgebracht naar de antiterreureenheid van de politie en dat bij die antiterreureenheid onderwerping van de verdachte aan foltering of mishandeling niet is uitgesloten. Voorts vermeldt het ambtsbericht dat vrouwen in voorarrest vaak te maken krijgen met seksuele intimidatie en soms zwaardere vormen van seksueel misbruik.

Het Country Report on Human Rights Practices 2003 on Turkey van het US State Department d.d. 25 februari 2004 rapporteert dat ondanks een verbod in de Grondwet "widespread reports of torture continued, particularly in the southeast." Daarbij wordt vermeld dat "leftists and Kurdish right activists were more likely than others to suffer torture".

Bij brief van 28 mei 2004 aan de Minister heeft de Special Rapporteur on torture bij de Verenigde Naties zijn bezorgdheid uitgesproken dat eiseres bij terugkeer het risico loopt te worden onderworpen aan marteling. Hij doet een dringend beroep op de Minister af te zien van uitlevering van eiseres, tenzij hij een betrouwbare en ondubbelzinnige garantie verkrijgt van de Turkse autoriteiten dat eiseres niet zal worden onderworpen aan marteling of enige andere vorm van slechte behandeling en voorts "that she will not be held incommunicado, that she will have immediate access to legal counsel, and that a system of independent, prompt and close monitoring and follow-up reporting be put in place so as to ensure that she will be treated with full respect for her human dignity".

Bij brieven van 1 juni 2004 en 17 september 2004 heeft Amnesty International de Minister erop gewezen dat het niet is uitgesloten dat eiseres bij terugkeer het slachtoffer wordt van een wrede, een onmenselijke dan wel vernederende behandeling of bestraffing dan wel marteling, nu door de Minister in navolging van het advies van de Hoge Raad niet om specifieke garanties is gevraagd. Voorts heeft zij onder de aandacht gebracht dat Turkije door het Europese Hof voor de Rechten van de Mens veelvuldig veroordeeld is vanwege het feit dat Turkije haar onderdanen geen eerlijk proces bood en dat er daarom door de Minister specifieke garanties gevraagd hadden moeten worden ten aanzien van onder meer de vrije toegang van advocaten en de tijdige beschikking over de voor de verdediging van belang zijnde stukken.

Bij brief van 24 mei 2004 aan de Minister heeft Human Rights Watch gemotiveerd uiteengezet dat er bij uitlevering van eiseres aan Turkije een reële kans is op marteling of slechte behandeling en dat er niet op kan worden vertrouwd dat eiseres een eerlijk proces zal krijgen.

Bij brief van 28 oktober 2004 aan de Minister heeft Human Rights Watch haar ernstige bezorgdheid uitgesproken over de beslissing van de Minister. Zij stelt onder meer dat de Turkse Staat geen controle heeft over degenen die zich daadwerkelijk schuldig maken aan folteren.

Bij brief van 3 juni 2004 aan de Minister heeft de Turkse mensenrechtenorganisatie IHD bericht dat volgens haar rapport van 2003 marteling nog steeds plaatsvindt. Weliswaar is marteling bij de wet verboden, maar er zijn volgens de IHD geen adequate maatregelen genomen om deze jarenlange praktijken te voorkomen. Met betrekking tot het recht op een eerlijk proces meldt de IHD dat de staatsveiligheidsrechtbanken weliswaar zijn afgeschaft, maar dat de kwaliteit van de rechtbanken daarmee nog niet is veranderd.

3.4. De minister gaat in zijn beschikking niet in op de negatieve signalen die in voormelde rapporten worden gemeld. Ook heeft hij geen gevolg gegeven aan het dringende beroep van de verschillende organisaties als hierboven vermeld, in die zin dat hij op specifieke onderwerpen garanties heeft gevraagd aan de Turkse autoriteiten, bijvoorbeeld op de wijze als door de Special Rapporteur on torture bij de VN in zijn "urgent appeal" is aangegeven (zie onder 3.3.). Dat had in dit geval wel op zijn weg gelegen. De Hoge Raad is in zijn advies afgeweken van het tussen verdragspartijen geldende vertrouwensbeginsel dat meebrengt dat de aangezochte staat erop mag vertrouwen dat de staat die om uitlevering heeft verzocht verplichtingen uit hoofde van verdragen waarbij beide staten partij zijn, nakomt en hij heeft de Minister geadviseerd van de Turkse autoriteiten de nodige waarborgen te verkrijgen ten aanzien van de in artikelen 3 en 6 EVRM gegarandeerde rechten. Tegen die achtergrond en gelet op hetgeen in bovenvermelde rapporten en brieven ten aanzien van de mensenrechtensituatie in Turkije wordt vermeld - de inhoud van de rapporten is overigens door gedaagde niet betwist -, mocht de Minister geen genoegen nemen met de in algemene bewoordingen geuite verzekering van de Turkse Ambassade dat de Turkse autoriteiten zich jegens eiseres zullen houden aan hun internationale verplichtingen.

Gedaagde heeft nog aangevoerd dat Turkije zich op een cruciaal moment van haar (politieke) geschiedenis bevindt en dat alle ogen op Turkije zijn gericht, maar -hoewel vaststaat dat er in Turkije vele ontwikkelingen ten aanzien van de mensenrechten in positieve zin zijn waar te nemen- biedt die stelling, gelet op al het voorgaande, onvoldoende zekerheid.

3.5. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de Minister uitgaande van de thans door de Turkse Ambassade gegeven garanties in redelijkheid niet tot de beslissing kon komen om de uitlevering van eiseres aan Turkije toe te staan. De vordering van eiseres zal daarom worden toegewezen.

Gedaagde zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

verbiedt gedaagde eiseres uit te leveren aan Turkije;

veroordeelt gedaagde in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van eiseres begroot op € 1.127,40, waarvan € 816,-- aan salaris procureur, € 241,-- aan griffierecht en € 70,40 aan dagvaardingskosten, welke kosten op de voet van artikel 243 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering moeten worden betaald aan de griffier van deze rechtbank;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Paris en uitgesproken ter openbare zitting van 8 november 2004 in tegenwoordigheid van de griffier.

evm