Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2004:AR5223

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-10-2004
Datum publicatie
05-11-2004
Zaaknummer
09-074629-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Een beslissing tot ten uitvoerlegging van de vervangende hechtenis dient te worden genomen door de officier van justitie; die beslissing kan niet worden overgelaten of gemandateerd aan het CJIB. De officier van justitie heeft ter zitting overlegd een bericht aan het CJIB van 2 juli 2004 waarin staat vermeld: "Hierbij de beslissing naar aanleiding van het niet (volledig) uitvoeren van een taakstraf". Dat stuk is door de officier van justitie ondertekend. Hieruit blijkt dus dat de officier van justitie in deze zaak zelf de beslissing als bedoeld in artikel 22g lid 1 van het Wetboek van Strafrecht heeft genomen. Ingevolge de laatste volzin van meergenoemd eerste lid van artikel 22g van het Wetboek van Strafrecht geeft het Openbaar Ministerie van de beslissing tot ten uitvoerlegging van de vervangende hechtenis kennis aan veroordeelde. De rechtbank merkt op dat in de wet niet is voorgeschreven dat de door de officier van justitie getekende beslissing zelf aan de verdachte moet worden betekend. Ingevolge de wet is voldoende dat van die beslissing kennis wordt gegeven. Dat laatste kan naar het oordeel van de rechtbank geschieden door tussenkomst van het CJIB.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2004, 696
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE, STRAFSECTOR

parketnummer 09-074629-03

kenmerk RK 04/1385

BESLISSING EX ARTIKEL 22g SR

De veroordeelde; procesgang

Bij vonnis van de politierechter in deze rechtbank, d.d. 21 januari 2004 is -onder toepassing van artikel 9, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht - aan

[veroordeelde],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [adres],

hierna te noemen veroordeelde,

een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de tijd van 60 uur opgelegd.

De politierechter heeft daarbij bevolen, voor het geval de veroordeelde niet met de taakstraf zou aanvangen of de taakstraf niet naar behoren zou verrichten, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 30 dagen.

Het openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis bevolen, aangezien de veroordeelde naar het oordeel van het openbaar ministerie niet met de taakstraf is aangevangen. De kennisgeving daarvan is aan veroordeelde betekend op 17 juli 2004.

Veroordeelde heeft tegen die kennisneming een bezwaarschrift ingediend, welk bezwaarschrift op 30 juli 2004 bij de griffier van de rechtbank is binnengekomen

Ontvankelijkheid van het bezwaarschrift.

Veroordeelde heeft het bezwaarschrift tijdig, te weten binnen veertien dagen na betekening van de kennisgeving ex artikel 22g van het Wetboek van Strafrecht, ingediend.

Het bezwaarschrift

Het ingediende bezwaarschrift strekt er toe dat de rechtbank primair zal bevelen dat de voorlopige hechtenis niet ten uitvoer zal worden gelegd, dan wel dat aan [veroordeelde] een tweede kans wordt gegeven om de werkstraf alsnog uit te voeren.

De behandeling in raadkamer.

Het onderzoek is gehouden in raadkamer van 14 oktober 2004.

De veroordeelde is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

De raadsman van veroordeelde, mr. J.W. van Leeuwen advocaat te 's-Gravenhage, die verklaarde bepaaldelijk gevolmachtigd te zijn is in raadkamer gehoord.

De officier van justitie heeft in raadkamer geconcludeerd tot ongegrond verklaring van het bezwaarschrift.

De beoordeling van de vordering.

De raadsman heeft betoogd dat de vordering van de officier van justitie moet worden afgewezen. Hij heeft daarbij verwezen naar de uitspraak van de Rechtbank Utrecht van

21 april 2004 (Nieuwsbrief Strafrecht 2004, 271) en naar het vonnis van de rechtbank Haarlem van 21 juli 2004 (Nieuwsbrief Strafrecht 2004, 350). Immers, aldus de raadsman, is niet gebleken dat de officier van justitie zelf de beslissing tot de tenuitvoerlegging van de voorlopige hechtenis heeft genomen, en in ieder geval ontbreekt een door de officier van justitie ondertekende beslissing als bedoeld in artikel 22g lid 1 van het Wetboek van Strafrecht. De veroordeelde heeft slechts een bericht van het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) betekend gekregen, gedateerd 02-08-2004 ( waarop met de hand staat bijgeschreven "moet worden gelezen als 07-07-'04") welk bericht niet is ondertekend.

De rechtbank overweegt het volgende.

Een beslissing tot ten uitvoerlegging van de vervangende hechtenis dient te worden genomen door de officier van justitie; die beslissing kan niet worden overgelaten of gemandateerd aan het CJIB. De officier van justitie heeft ter zitting overlegd een bericht aan het CJIB van 2 juli 2004 waarin staat vermeld: "Hierbij de beslissing naar aanleiding van het niet (volledig) uitvoeren van een taakstraf". Dat stuk is door de officier van justitie ondertekend. Hieruit blijkt dus dat de officier van justitie in deze zaak zelf de beslissing als bedoeld in artikel 22g lid 1 van het Wetboek van Strafrecht heeft genomen. Ingevolge de laatste volzin van meergenoemd eerste lid van artikel 22g van het Wetboek van Strafrecht geeft het Openbaar Ministerie van de beslissing tot ten uitvoerlegging van de vervangende hechtenis kennis aan veroordeelde. De rechtbank merkt op dat in de wet niet is voorgeschreven dat de door de officier van justitie getekende beslissing zelf aan de verdachte moet worden betekend. Ingevolge de wet is voldoende dat van die beslissing kennis wordt gegeven. Dat laatste kan naar het oordeel van de rechtbank geschieden door tussenkomst van het CJIB.

Het standpunt van de raadsman wordt in het licht van het voorgaande verworpen.

Uit het dossier, in het bijzonder uit de brief van de Stichting Reclassering Nederland, arrondissement Den Haag d.d. 3 juni 2004, en uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat het geheel niet verrichten van de taakstraf uitsluitend en alleen is toe te schrijven aan het gedrag en de houding van veroordeelde.

Dit betekent dat het bezwaarschrift ongegrond moet worden verklaard.

Beslissing.

De rechtbank:

verklaart het bezwaarschrift ongegrond;

Deze beslissing is gegeven door

mr De Boer, vice-president, in tegenwoordigheid van mr D'Arnaud Gerkens, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 oktober 2004.