Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2004:AR4694

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-05-2004
Datum publicatie
24-11-2004
Zaaknummer
AWB 04/21489
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / grenshospitium / voortzetten maatregel.

WBV 2004/32 vloeit voort uit de keuze van verweerder voor een restrictievere doorplaatsing van aan de grens geweigerde vreemdelingen naar een opvangcentrum. In casu is de asielaanvraag van de vreemdeling niet in het AC afgedaan, maar heeft verweerder toch besloten met toepassing van WBV 2004/32 de maatregel in het grenshospitium voort te zetten om nader te onderzoeken of de asielaanvraag moet worden afgewezen. Met WBV 2004/32 worden de wettelijke grenzen van artikel 6, eerste en tweede lid, Vw 2000 niet overschreden. Ook kan het beleid niet kennelijk onredelijk worden geacht. Derhalve ligt de vraag voor of verweerder het beleid juist heeft toegepast. Volgens het WBV wordt de vreemdeling doorgeplaatst naar een opvangcentrum als het asielverzoek kansrijk moet worden geacht. Derhalve moet de rechtbank beoordelen of verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten dat het asielrelaas van eiseres onvoldoende kansrijk is. Aangezien verweerder zich de vraag of het asielrelaas onvoldoende kansrijk is niet heeft gesteld, is de beslissing om de maatregel in het grenshospitium voort te zetten in strijd met het WBV. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank ’s-Gravenhage

nevenzittingsplaats Alkmaar

enkelvoudige kamer

UITSPRAAK

Artikel 8:70 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 94 en 106 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg.nr: AWB 04/21489 VRONTN

inzake: A, geboren op [...] 1974, van Kongolese nationaliteit,

verblijvende in het grenshospitium De Tafelbergweg, eiseres,

gemachtigde: mr. M. Soffers, advocaat te Den Haag,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,

gemachtigde: mr. O.J. Elbertsen , ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

I. Ontstaan van het geding

1. Op 5 mei 2004 is eiseres op grond van artikel 3 Vw 2000 op de luchthaven Schiphol de verdere toegang tot Nederland geweigerd. Eiseres is op dezelfde datum de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, eerste jº tweede lid, Vw 2000 opgelegd.

Bij kennisgeving ex artikel 94, eerste lid, Vw 2000 van 7 mei 2004, ter griffie van deze rechtbank ontvangen op dezelfde datum, heeft verweerder de rechtbank hiervan in kennis gesteld. Hiermee wordt eiseres geacht beroep te hebben ingesteld tegen de vrijheidsontnemende maatregel. Ingevolge artikel 94, eerste lid, Vw 2000 strekt het beroep tevens tot een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

2. Op 8 mei 2004 heeft eiseres een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel.

3. Het beroep is behandeld ter openbare zitting van 14 mei 2004. Eiseres is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig de heer Schmidt, tolk in de Engelse taal. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

4. Op 19 mei 2004 is het onderzoek heropend, en is verweerder verzocht een kopie van zijn brief van 11 mei 2004, waarin eiseres is meegedeeld dat de haar opgelegde maatregel zal worden voortgezet in het Grenshospitium, over te leggen. Op diezelfde datum is de gevraagde kopie van verweerder ontvangen, en is het onderzoek gesloten.

II. Overwegingen

1. Eiseres heeft ter zitting - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. De plaatsingsbeschikking van 5 mei 2004 is eiseres ten onrechte in de Engelse taal uitgereikt, in plaats van in de Franse taal. Voorts heeft verweerder ten onrechte besloten eiseres in het Grenshospitium te plaatsen, voor nader onderzoek naar haar asielaanvraag. Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (WBV) 2004/32 geeft verweerder op dit punt dermate ruime bevoegdheden, dat het beleid niet meer strookt met de zogenaamde UNHCR Guidelines over de detentie van asielzoekers. Voorts had verweerder op het moment dat werd besloten de maatregel voort te zetten op de grond dat nader onderzoek naar de asielaanvraag nodig is, een nieuwe plaatsingsbeschikking moeten nemen. Ten slotte is het asielverzoek van eiseres kansrijk, zodat de maatregel ook om deze reden onrechtmatig is voortgezet. Daarbij is in de eerste plaats van belang dat de identiteit en nationaliteit van eiseres niet geding zijn. Nu in WBV 2004/32 is neergelegd dat de maatregel dient te worden opgeheven indien het asielverzoek kansrijk is, dient de rechtbank in de onderhavige procedure te onderzoeken of sprake is van een kansrijk verzoek. De rechtbank kan dit echter niet beoordelen, aangezien het rapport van nader gehoor zich niet in het dossier bevindt. Alleen al om deze reden dient het beroep gegrond te worden verklaard.

2. Verweerder heeft ter zitting - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. Er is geen reden om te veronderstellen dat eiseres bij de uitreiking van de plaatsingsbeschikking de haar meegedeelde reden en strekking van de beschikking niet heeft begrepen. Aan eiseres is bij brief van 11 mei 2004 meegedeeld dat de maatregel wordt voortgezet in het Grenshospitium, teneinde nader onderzoek te verrichten naar het asielrelaas van eiseres. Een nieuwe plaatsingsbeschikking was op dat moment nog niet noodzakelijk, aangezien eiseres toen nog in het Aanmeldcentrum (AC) verbleef. Voortzetting van de maatregel is in overeenstemming met de wet, aangezien eiseres de toegang tot Nederland is geweigerd. Of het asielverzoek van eiseres kansrijk is, is in deze procedure niet aan de orde. Dit zal moeten worden beoordeeld door de rechter in de AC-procedure.

De rechtbank overweegt het volgende.

3. De rechtbank stelt vast dat eiseres op grond van artikel 3 Vw 2000 de toegang tot Nederland is geweigerd en dat hiertegen geen rechtsmiddel is ingediend.

4. De ambtenaar belast met grensbewaking is op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, Vw 2000 bevoegd een vreemdeling aan wie toegang tot Nederland is geweigerd, een ruimte of plaats als bedoeld in het eerste en tweede lid van dit artikel aan te wijzen, waar hij zich dient op te houden.

5. Verweerder voert het beleid, als weergegeven in paragraaf C3/12.3.3.1 Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), dat onder meer tot (voortzetting van) de maatregel ex artikel 6 Vw 2000 wordt besloten indien er nader onderzoek of analyse van de asielzoeker, zijn identiteit en nationaliteit, asielrelaas of overgelegde documenten noodzakelijk is teneinde te bepalen of de asielaanvraag dient te worden afgewezen.

Bij Wijzigingsbesluit Vc 2000 (WBV) 2004/32 van 20 april 2004 (gepubliceerd in de Staatscourant van 26 april 2004) is aan het hiervoor genoemde beleid de volgende passage toegevoegd:

ad d. Hier wordt met name gedoeld op alle gevallen waarin de asielzoeker zijn identiteit of nationaliteit niet aannemelijk heeft kunnen maken, verder onderzoek hiernaar noodzakelijk is en dit onderzoek naar verwachting binnen zes weken kan worden afgerond. Hierbij kan onder andere gedacht worden aan de situatie waarin documenten van de asielzoeker verder onderzocht dienen te worden op echtheid of authenticiteit, taalanalyse of onderzoek naar de gestelde leeftijd is geïndiceerd of ander herkomstonderzoek nodig wordt geacht. Voorts zal oplegging of voortzetting van de maatregel plaatsvinden wanneer verder onderzoek naar het asielrelaas is geïndiceerd en dit onderzoek naar verwachting binnen zes weken kan worden afgerond. Ook hierbij kan onder meer gedacht worden aan onderzoek van documenten. Tevens kan dit aan de orde zijn wanneer de asielzoeker tijdelijk niet gehoord kan worden.

Indien het onderzoek niet binnen zes weken is afgerond zal steeds een belangenafweging gemaakt worden omtrent de voortzetting van de maatregel. De maatregel zal in beginsel worden opgeheven, tenzij redenen, gelegen in de persoon van de asielzoeker of zijn gedragingen, dat indiceren. Met name moet daarbij worden gedacht aan de situatie dat de asielzoeker niet meewerkt aan de spoedige voortgang van het onderzoek.

Blijkens de toelichting bij het WBV is deze toevoeging een uitvloeisel van het in de bij brief van 21 november 2003 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer aangeboden Terugkeernota tot uitdrukking gebrachte keuze voor een restrictievere doorplaatsing van aan de grens geweigerd vreemdelingen vanuit Aanmeldcentrum Schiphol naar een opvangcentrum. Van deze mogelijkheid zal in elk geval gebruik worden gemaakt indien de asielzoeker zijn identiteit, waaronder zijn nationaliteit, niet aannemelijk heeft kunnen maken en verder onderzoek naar de identiteit noodzakelijk is en dit onderzoek naar verwachting binnen zes weken kan worden afgerond.

Daarnaast zal blijkens de toelichting de maatregel worden toegepast als onderzoek naar het asielrelaas is geïndiceerd en dit onderzoek naar verwachting binnen zes weken kan worden afgerond. Asielzoekers wier verzoek kansrijk lijkt zullen in beginsel niet worden geplaatst in het Grenshospitium, maar worden doorgeplaatst naar een opvangcentrum.

6. Over de stelling van eiseres dat de hiervoor genoemde beleidswijziging geen stand kan houden overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank stelt vast dat artikel 6, eerste en tweede lid, Vw 2000 enkel de toegangsweigering als criterium voor oplegging van de maatregel noemt. Daarom kan niet worden geoordeeld dat verweerder met deze beleidswijziging de wettelijke grenzen heeft overschreden. Voorts is de rechtbank niet gebleken dat het beleid kennelijk onredelijk moet worden geacht. De enkele stelling van eiseres dat de beleidswijziging niet strookt met de Guidelines van de UNHCR over de detentie van asielzoekers kan niet slagen bij gebreke van enige inhoudelijke onderbouwing. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder in redelijkheid tot het beleid heeft kunnen komen.

7. Derhalve ligt de vraag voor of verweerder, gelet op het beleid als neergelegd in WBV 2004/32, in redelijkheid heeft mogen besluiten de maatregel in het Grenshospitium voort te zetten, teneinde nader te onderzoeken of te analyseren of de asielaanvraag moet worden afgewezen.

8. Volgens WBV 2004/32, zal de asielzoeker, indien het asielverzoek kansrijk moet worden geacht, in beginsel worden doorgeplaatst naar een opvangcentrum (OC). De rechtbank ziet zich derhalve gesteld voor de vraag of verweerder in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat het asielrelaas van eiseres onvoldoende kansrijk is om haar door te plaatsen naar een OC. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn stelling dat deze kansrijkheid niet in de onderhavige procedure maar door de rechter in de AC-procedure dient te worden beoordeeld, aangezien de asielaanvraag van eiseres nu juist niet het AC is afgedaan en derhalve niet door de rechter in de AC-procedure zal worden beoordeeld. Nu voorts, mocht de asielaanvraag van eiseres worden afgewezen, ook bij toetsing door de rechtbank van deze afwijzing niet aan de orde zal zijn of verweerder de aanvraag als onvoldoende kansrijk heeft mogen aanmerken, ziet de rechtbank geen andere mogelijkheid dan deze vraag in de onderhavige procedure te beoordelen.

9. De rechtbank stelt vast dat verweerder desgevraagd ter zitting geen antwoord heeft kunnen geven op de vraag of de asielaanvraag van eiseres al dan niet kansrijk moet worden geacht, en, zo de aanvraag onvoldoende kansrijk moet worden geacht, om welke reden. Gelet op het feit dat verweerder kennelijk niet heeft beoordeeld of het asielrelaas kansrijk moet worden geacht is de rechtbank van oordeel dat de beslissing van verweerder om de maatregel voor nader onderzoek of analyse voort te zetten in het Grenshospitium strijdig is met het beleid als neergelegd in WBV 2004/32.

10. Hieruit volgt dat de toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten. Derhalve wordt het beroep gegrond verklaard en wordt de opheffing van de bewaring bevolen.

11. De rechtbank ziet in het vorenstaande aanleiding eiseres ten laste van de Staat der Nederlanden een vergoeding als bedoeld in artikel 106 Vw 2000 toe te kennen en wel tot een bedrag van € 45,- per dag dat eiseres ten onrechte in het grenshospitium De Tafelbergweg aan de vrijheidsontnemende maatregel onderworpen is geweest en € 70,- per dag dat eiseres in het aanmeldcentrum Schiphol ten onrechte aan de vrijheidsontnemende maatregel onderworpen is geweest , derhalve in totaal een bedrag van € 685,-

12. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is er aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken, welke zijn begroot op € 322,- als kosten van verleende rechtsbijstand.

III. Beslissing

De rechtbank:

1. verklaart het beroep gegrond;

2. beveelt dat de maatregel met ingang van heden wordt opgeheven;

3. veroordeelt de Staat der Nederlanden tot vergoeding van de schade, groot € 685,- (zegge: zeshonderdvijfentachtig euro), te betalen door de griffier van de rechtbank aan eiseres;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag groot € 322,- (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier van deze rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan en in het openbaar uitgesproken op 24 mei 2004 door mr. J.S. Reid, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. Heringa als griffier.

RECHTSMIDDEL

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Hoger beroep vreemdelingenzaken, postbus 16113, 2500 BC Den Haag; zie ook www.raadvanstate.nl. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen een week na verzending van deze uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak.

Afschrift verzonden op: 24 mei 2004

Conc: RH

Bp:

D: B