Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2004:AR4571

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-10-2004
Datum publicatie
26-10-2004
Zaaknummer
AWB 04/23718
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Somalië / terugkeer / ambtsbericht.

In geschil is de beoordeling van de aanvaardbaarheid van de voorgenomen gedwongen terugkeer van eiseres naar het relatief veilige gebied in Somalië. Uit overgelegde stukken, die merendeels dateren van ver na de in de literatuurbijlage bij het ambtsbericht van 24 maart 2004 vermelde bronnen, komt naar voren dat minderheden, meer in het bijzonder ontheemde minderheden (IDP’s), in Somaliland en Puntland bloot staan aan afpersing, beroving, uitbuiting, verkrachting en andere mensenrechtenschendingen door leden van machtige clans en zij daartegen in het algemeen niet de bescherming van de autoriteiten kunnen verkrijgen. Deze informatie staat haaks op de vermelding in het ambtsbericht. Verweerder heeft bij zijn besluitvorming derhalve niet uit kunnen gaan van de juistheid van de informatie in het ambtsbericht, voorzover dit ziet op de situatie van (ontheemde) minderheidsgroepen in Somaliland en Puntland. Voor zijn standpunt dat een verblijfsalternatief kan worden tegengeworpen, heeft verweerder zich gebaseerd op het ambtsbericht. Zoals de rechtbank heeft overwogen, zijn er concrete aanknopingspunten op grond waarvan getwijfeld moet worden aan de volledigheid en juistheid van de ook voor deze beoordeling relevante delen het ambtsbericht. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank ’s-Gravenhage

nevenzittingsplaats Haarlem

meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken

U I T S P R A A K

artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

artikel 71 Vreemdelingenwet 2000 (Vw)

reg.nr: AWB 04 / 23718 BEPTDN F (gevoegde zaak)

inzake: A, geboren op [...] 1982, van Somalische nationaliteit,

eiseres,

gemachtigde: mr. M. Timmer, advocaat te 's-Gravenhage,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, voorheen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. A. van Leeuwen, advocaat te ’s-Gravenhage.

1. GEGEVENS INZAKE HET GEDING

1.1 Bij besluit van 22 mei 2004 is de aanvraag van eiseres van 19 mei 2004 tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd asiel -in het kader van de zogenoemde aanmeldcentrumprocedure- afgewezen. Tegen dit besluit heeft eiseres op 22 mei 2004 beroep ingesteld.

1.2 Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden.

1.3 In zijn verweerschrift heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

1.4 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 12 augustus 2004 . Eiseres is daar in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is verschenen bij zijn gemachtigde. Ter zitting is de onderhavige zaak gevoegd met de volgende procedures: AWB 04/24315, AWB 04/23987 en AWB 03/19311.

1.5 Ter zitting heeft de rechtbank beslist, dat een door eiseres op 11 augustus 2004 ingezonden bericht van de United Nation High Commissioner of Refugees van diezelfde datum niet in de beoordeling wordt betrokken.

2. OVERWEGINGEN

2.1 Eiseres heeft aan haar asielaanvraag het volgende ten grondslag gelegd. Zij behoort tot de Reer Hamar bevolkingsgroep en is afkomstig uit Mogadishu. Eiseres was nog jong toen twee broers van haar tijdens de oorlog zijn omgekomen ten gevolge van een artilleriegranaat die op de ouderlijke woning was gevallen. In Somalië is eiseres veelal binnenshuis gebleven om te voorkomen dat zij verkracht zou worden. Zij is naar Nederland gekomen om een veilig bestaan op te bouwen en te werken. Vanwege de vrees van eiseres voor seksueel misbruik kan zij niet terug naar Somalië. Evenmin kan zij zich elders in Somalië vestigen omdat het daar ook onveilig is en zij daar niet wordt toegelaten.

2.2 In dit geding dient te worden beoordeeld of de afwijzing van de door eiseres ingediende aanvraag in rechte stand kan houden. Daartoe moet worden bezien of dit besluit de toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

Toepasselijke regelgeving

2.3 Ingevolge artikel 28, eerste lid en artikel 29, eerste lid, Vw kan een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd onder meer worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen;

c. van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst;

d. voor wie terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van Onze Minister van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar.

2.4 Ingevolge artikel 31 Vw wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd asiel afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

Standpunten van partijen

2.5 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres geen gegronde vrees voor vervolging heeft in de zin van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen. Tevens heeft zij, aldus verweerder, niet aannemelijk gemaakt dat zij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat zij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen. Van eiseres kan worden verwacht dat zij terugkeert naar haar land van herkomst.

De redenen voor het vertrek van eiseres kunnen ook niet leiden tot verlening van een verblijfsvergunning op de c-grond van artikel 29 Vw. Gelet op het tijdsverloop kan de dood van haar broers niet meer leiden tot verblijfsaanvaarding op grond van het traumatabeleid. Tevens valt eiseres niet onder het beleid dat is neergelegd in Tussentijds Bericht Vreemdelingencirculaire (TBV) 2003/4, aangezien zij voor haar vertrek uit Somalië bij haar ouders woonde en dus niet alleenstaand was. Ten slotte leidt terugkeer naar het land van herkomst niet tot bijzondere hardheid in verband met de algemene situatie aldaar, aangezien zij kan verblijven in de relatief veilige gebieden in Somalië.

2.6 Eiseres heeft daartegen – samengevat - aangevoerd dat zij bij terugkeer naar Somalië wel degelijk voor vervolging te vrezen heeft. Hierbij heeft zij zich beroepen op het feit dat zij een vrouw is, behoort tot een minderheidsgroep en vreest voor seksueel misbruik. Zij heeft ook verwezen naar het bijzondere beleid voor Reer Hamar. Eiseres heeft voorts gesteld dat zij bij uitzetting naar het relatief veilige deel van Somalië een reëel risico loopt op een behandeling welke in strijd is met artikel 3 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Daartoe heeft zij aangevoerd dat verweerder zijn besluit niet heeft kunnen baseren op het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken over Somalië van 24 maart 2004, omdat verweerder de risico’s in het relatief veilige gebied van Somalië voor minderheidsgroepen, in het bijzonder voor vrouwen behorend tot die groepen, niet juist inschat. Het ambtsbericht kan dan ook niet een juiste feitelijke onderbouwing vormen voor verweerders standpunt omtrent de (veiligheids)situatie in Somalië. Tegenover de weigering haar geen vergunning te verlenen op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, Vw heeft eiseres zich op het standpunt gesteld dat verweerder miskend heeft dat zij zich heeft beroepen op het beleid dat is neergelegd in C1/4.4.2.4 Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Eiseres heeft tenslotte aangevoerd dat voornoemd ambtsbericht een ondeugdelijke feitelijke onderbouwing vormt voor het besluit geen beleid van categoriale bescherming te voeren.

2.7 Ter onderbouwing van hetgeen door eiseres is aangevoerd met betrekking tot het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken over Somalië van 24 maart 2004 heeft eiseres zich onder meer beroepen op de volgende stukken:

- Position paper on the return of rejected Asylum-Seekers to Somalia van de UNHCR van januari 2004; - samenvatting van het rapport “Global IDP Profile of internal displacement: Somalia” van de Norwegian Refugee Council van 6 mei 2004;

- brief van Artsen zonder Grenzen van 26 mei 2004 aan de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie met een bijlage van mei 2004 over de situatie in Galkayo;

- brief van Amnesty International van 27 mei 2004 aan de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, kenmerk dir/dv/2004059;

- operational guidance note Somalia van het (Britse) Home Office van mei 2004;

- rapport van de United Nations Security Council van 9 juni 2004, kenmerk S/2004/469;

- de analyse “Put to the test: Sources of the Dutch Foreign Office Country Report on Somalia” van VluchtelingenWerk Nederland van juni 2004;

- krantenartikel “Somaliërs vermoord na uitzetting” uit de Trouw van 29 juli 2004;

- krantenartikel “Twee uitgewezen Somaliërs gedood na thuiskomst” uit de Volkskrant van 29 juli 2004.

Voor zover deze stukken niet reeds zijn overgelegd bij de aanvraag of de zienswijze, danwel een (nadere) onderbouwing vormen van door eiseres ingenomen standpunten, heeft de rechtbank deze stukken op de voet van artikel 83 Vw in de beoordeling betrokken. Verweerder heeft zich in de nadere reacties in de procedures ter verkrijging van een voorlopige voorziening, in de verweerschriften en in de pleitnota schriftelijk uitgelaten over de ingebrachte stukken en zijn besluit gehandhaafd.

Overwegingen van de rechtbank

Ten aanzien van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw

2.8 In hoofdstuk C8 Vc “Somalië” zoals dat luidde ten tijde van het bestreden besluit, heeft verweerder als zijn beleid neergelegd dat de positie van leden van de Reer Hamar zodanig is dat een individueel lid reeds als vluchteling moet worden aangemerkt indien slechts in geringe mate blijkt van op de persoon gerichte daden van vervolging welke in verband kunnen worden gebracht met de etnische afkomst. Verweerder heeft het beroep op dat beleid op goede gronden verworpen, omdat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is geweest van enige op haar persoonlijk gerichte daden van vervolging als bedoeld in dat beleid. Het relaas van eiseres wettigt ook overigens niet de conclusie dat er sprake is van specifiek op haar persoon gerichte negatieve aandacht, die rechtvaardigt dat zij bij terugkeer in verband met een van de vervolgingsgronden moet vrezen voor seksueel misbruik. Hetgeen eiseres in beroep in dit verband nog heeft aangevoerd, dat er op neerkomt dat bedoelde vrees steeds een onzekere toekomstige gebeurtenis is en dat de situatie voor vrouwen, met name behorend tot de minderheidsgroepen, in Mogadishu slecht is, noopt niet tot een ander oordeel. Verweerder heeft derhalve toereikend gemotiveerd dat eiseres geen verdragsvluchteling is en daarmee terecht geconcludeerd dat eiseres niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a Vw.

Ten aanzien van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw

2.9 De rechtbank stelt voorop, dat verweerder van eiseres niet verlangt dat zij terugkeert naar haar eigen woonplaats, die gelegen is in één van de zogenaamde conflictgebieden in Zuid-Somalië. Van voorgenomen uitzetting in de zin van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw naar dat gebied is ook geen sprake. In geschil is slechts de beoordeling van de aanvaardbaarheid van de voorgenomen gedwongen terugkeer van eiseres naar het zogenoemde relatief veilige gebied in Somalië. Die gedwongen terugkeer vormt de in geschil zijnde uitzetting in de zin van de b-grond van het eerste lid van artikel 29 Vw.

2.10 Tot het relatief veilige gebied rekent verweerder de volgende gebieden: de zes noordelijke provincies Awdal, Galbeed, Toghdeer, Sahil, Sanaag en Sool, de noordoostelijke provincies Bari, Nugal en het noorden van Mudug (tezamen Somaliland en Puntland), het zuiden van Mudug en de centrale provincies Hiiran en Galgadud (voorzover niet in het overgangsgebied), alsook de eilanden voor de kust van Zuid-Somalië. Verweerder heeft zich hierbij gebaseerd op de algemene ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse Zaken over Somalië, waarvan de laatste van 24 maart 2004 (hierna aan te duiden als: het ambtsbericht) de meest recente beschrijving bevat.

2.11 In het verweerschrift heeft verweerder aangegeven dat blijkens de ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse Zaken de veiligheid van minderheden in Somaliland en Puntland in het algemeen niet in gevaar is. Verwezen is daarbij naar blz. 59 van het ambtsbericht. Voorts is door verweerder gesteld dat de ambtsberichten geen aanleiding geven te veronderstellen dat in het overige deel van het relatief veilige gebied sprake is van een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM ten aanzien van minderheidsgroepen. Verwezen is naar de paragrafen 2.3 van de laatste drie ambtsberichten, waaronder dat van 24 maart 2004.

2.12 De rechtbank stelt voorop dat de algemene gegevens over de situatie in het relatief veilige deel van Somalië van belang zijn voor een zorgvuldige beoordeling van risico’s die aan uitzetting naar dat gebied zijn verbonden (zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 7 november 2003, JV 2004/17). De juistheid van de gegevens die verweerder aan zijn besluit ten grondslag heeft gelegd en die hij heeft ontleend aan het ambtsbericht, dient dan ook vast te staan. Eiseres heeft de juistheid en de volledigheid daarvan betwist.

2.13 Bij de beantwoording van de vraag of van de juistheid of volledigheid van die gegevens kan worden uitgegaan, is het volgende van belang.

2.14 Een algemeen ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken omtrent de situatie in een land kan worden aangemerkt als een deskundigenadvies aan verweerder ten behoeve van de uitoefening van diens bevoegdheden. Daartoe dient het op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze informatie te verschaffen, onder aanduiding – voor zover mogelijk en verantwoord – van de bronnen waaraan deze is ontleend. Indien aan deze eisen is voldaan mag verweerder bij de besluitvorming op asielaanvragen van de juistheid van die informatie uitgaan, tenzij er concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan.

2.15 In paragraaf 2.3 (Veiligheidssituatie) van het ambtsbericht is Somalië, na een beschrijving per gebied van de omvang waarin zich al dan niet gewapende confrontaties tussen clans, facties of milities hebben voorgedaan, ingedeeld in een conflictgebied, een overgangsgebied en een relatief veilig deel. Deze indeling is gemaakt op grond van (een inschatting van) de mate van risico die de burgerbevolking loopt om slachtoffer te worden van oorlogs- en/of politiek geweld. In de hierboven onder 2.10 genoemde, relatief veilige gebieden hebben zich volgens de Minister van Buitenlandse Zaken in de verslagperiode geen gewapende confrontaties van enige omvang voorgedaan.

Met betrekking tot de vraag in hoeverre minderheidsgroepen zich in het relatief veilige deel van Somalië kunnen (her)vestigen heeft die Minister in paragraaf 4.2 (Feitelijke vestigingsgebieden) van het ambtsbericht het volgende opgenomen:

“In deze paragraaf wordt nader ingegaan op de vraag in hoeverre de verschillende Somali clans en Somalische minderheidsgroepen zich kunnen vestigen in het relatief veilige gebied in Somalië” (par. 4.2, blz. 52). In noot 85 is vermeld dat tenzij anders aangegeven, met de term ‘vestigen’ in dit hoofdstuk wordt bedoeld: wonen, verblijven, zich verplaatsen en in zijn levensonderhoud voorzien. (…)

“In het ‘relatief veilige gebied’ van Somalie zijn de lokale en regionale besturen in het algemeen in staat de openbare orde te handhaven.” (blz. 53).

(…)

“Hervestiging”

De beperkingen en mogelijkheden met betrekking tot hervestiging in Somalië voor specifieke clan(families), zoals die op dit moment gelden, worden hieronder genoemd. Ook wordt ingegaan op de vestigingsgebieden voor minderheden.”(blz. 56). (…)

“Ook minderheden hebben zich in Puntland en Somaliland gevestigd, zij het in verschillende aantallen.(…) Of, en zo ja, in hoeverre, zij zich ook in de overige gebieden van het relatief veilige deel in Somalië gevestigd hebben, is onbekend.” (blz. 57 en 58).

(…)

“De in Somaliland en Puntland aanwezige minderheidsgroepen worden niet vervolgd en in het algemeen is hun veiligheid niet in gevaar. Wel is hun sociaal-economische situatie vaak hachelijk, dit wil zeggen dat zij vaak onvoldoende inkomen kunnen verwerven om in hun voedselbehoefte te voorzien, en worden zij gediscrimineerd, onder meer op het vlak van werk en toegang tot voorzieningen. Zij slagen er evenwel in het algemeen in om in hun levensonderhoud te voorzien door flexibel in te spelen op de lokale arbeidsmarkt en door allerlei soorten werk aan te pakken. Een aantal van hen is in staat relatief zelfstandig met hun vak een inkomen te verwerven. Nieuwkomers vinden veelal aansluiting bij leden van de desbetreffende minderheid indien die in enige getale aanwezig zijn. Alleenstaande vrouwen van minderheden kunnen zich veilig vestigen in het relatief veilige deel van Somalië indien deze vrouwen terug kunnen vallen op leden van de eigen minderheidsgroep of indien zij zelfstandig in hun levensonderhoud kunnen voorzien. Is dit niet het geval dan zou haar situatie, ook in het veilige gebied, als gevaarlijk moeten worden beoordeeld. Omdat zij geen bescherming zou ontvangen, zou zij het risico lopen gemakkelijk slachtoffer te worden van ernstige schending van mensenrechten als verkrachting, mishandeling en uitsluiting. Overigens zijn geen gevallen bekend van alleenstaande vrouwen uit minderheidsgroepen die zich gevestigd hebben in Somaliland of Puntland zonder dat zij kunnen terugvallen op leden van hun eigen minderheidsgroep en/of zelfstandig in hun levensonderhoud kunnen voorzien.” (blz. 59).

2.16 Bij de beantwoording van de hiervoor onder 2.14 opgeworpen vraag heeft de rechtbank de volgende, door eiseres overgelegde, informatie betrokken:

a. uit de samenvatting van het rapport van de Norwegian Refugee Council van 6 mei 2004 (blz. 1, eerste alinea, vanaf de tweede zin):

Internally displaced people (IDPs) in Somalia are the most vulnerable of the vulnerable as they have lost all their assets and are subject to multiple human rights violations. They lack access to protection from clan affiliation; the de facto authorities throughout Somalia do not protect them and often divert humanitarian assistance. Most displaced are from southern minority groups and continue to suffer political and economic discrimination. In the insalubrious urban slums where they flee, they receive little or no assistance and most survive through casual work and begging. Income is barely sufficient for one meal a day. In Somaliland, the selfproclaimed entity in the north-west, displaced people are at risk of deportation from a new directive. As Somali leaders are negotiating peace in the south, the future of IDPs remains uncertain. Unless international support drastically increases, their chances of reintegration will remain illusory..

b. uit de Operational Guidance Note Somalia, Version 6 (May 04) (paragraaf 3.7.3.7):

Those minority groups that are (politically and economically) the weakest, including the Bravanese/Benadiri, are least able to secure protection from extortion, rape and other human right abuses by criminal elements of more powerful clans and are vulnerable to discrimination and exclusion wherever they reside. Internal relocation would not be a reasonable option for those claiming to be affiliated to the Bravanese/Benadiri groups.

(...) Persons of Bajuni or Bravanese ethnicity are likely to face persecution and cannot reasonably relocate, particularly if they are female.

c. uit de brief van Artsen zonder Grenzen van 26 mei 2004 (blz. 1, derde alinea):

Artsen zonder grenzen is werkzaam in Puntland en Zuid Somalië. Onze medische teams ter plekke worden dagelijks geconfronteerd met de onveilige en zorgwekkende humanitaire situatie van de bevolking in deze gebieden. De situatie die wordt geschetst in het ambtsbericht van het Ministerie van Buitenlandse zaken van april 2004 komt niet overeen met onze ervaringen in het veld. (...) Uit onze ervaring blijkt dat de clans, die volgens het ambtsbericht veilig zijn, in de praktijk wel degelijk het doelwit zijn van geweld. Tevens zien we dat ook minderheden het doelwit zijn van gewelddadigheden en blijken de “autoriteiten” onvoldoende betrokken en/of bereid te zijn om deze groepen bescherming te bieden. We willen ook de ernst van de algehele rechteloosheid en het wijd verspreide banditisme in Puntland onder uw aandacht brengen. De bevolking is continu blootgesteld aan dit willekeurig geweld ). In de bijlage bij deze brief vindt u een meer inhoudelijke onderbouwing. (...)

In our hospital in Galkayo we experience the systematic and continuous targeting of women and minorities (bijlage, blz. 3, vijfde tekstonderdeel).

d. uit het rapport “Put to the test” van VluchtelingenWerk Nederland van juni 2004:

* blz. 4 – citaat uit het rapport van 30 november 2003 van de onafhankelijk expert Ghanim Alnajjar aan de UN Human Rights Commission:

“ While ‘de facto’ authorities are accountable for the human rights situation in the areas they control, many are either not aware of or choose to ignore international conventions, or do not have the capacity to enforce justice. As a result, an environment of impunity reigns in many areas, which presents a major challenge for UN agencies and NGOs seeking to strengthen measures to ensure the protection of civilians. (…) For many, income received from irregular, cheap casual labour barely covers their food needs and, isolated from their own relatives, they often face difficulties accessing clan support systems and receiving remittances. Moreover, they lack full protection and, often viewed as undesirables or ‘guests’ by the local community, can be subjected to an array of human rights violations, including beatings, robberies and other forms of harassment, especially if they compete with local labour or beg in the streets. Most live in sprawling shanty towns on the outskirts of urban areas. (…) The chronic and widespread level of underdevelopment in Somalia makes a large portion of the population vulnerable not only to humanitarian crisis, but also to violations of their human rights. Somalis with no clan affiliation, and thus protection, are the most vulnerable to such violations, including predatory acts by criminal and militias, as well economic, political, cultural and social discrimination. The lack of clan affiliation can depend on location, i.e. a member of major clan living in an area where his clan is not dominant is more vulnerable to human rights violations than when he is among his own relatives. Socio-economic standing and sex are also factors in determining one’s level of risk.”

* blz. 5 – citaat uit the Global IDP-Profile van de Norwegian Refugee Council (NRC) van 6 mei 2004

(…)

On the subject of the labour market for IDPs (including southern minorities): IDPs living in the slums of northern Somalia have only a few, informal, work opportunities; in some regions up to 93 per cent of IDPs depend on begging to survive, barely sufficient to provide one meal per day (UNCU, 30 July 2002, pp.15,27). Unlike returnees and local residents, few IDPs benefit from remittances or from kin support. In addition, the prolonged and continued livestock import ban imposed by the Gulf States since 2000, as well as the closure of the Al-Barakaat Bank (main channel for remittances), following accusations of abetting terrorism, seriously reduced income levels and purchasing power. As a result, competition over jobs increased sharply and so did social discrimination against IDPs.

* blz. 7 – informatie ontleend aan de Global IDP-Profiles van de NRC van 20 juni 2003 en 6 mei 2004, het rapport van de Deense Immigratiedienst van maart 2004 en de UNHCR Position on the return of rejected Asylum-seekers to Somalia van Januari 2004:

“ The minority groups continue to live in conditions of great poverty and suffer numerous forms of discrimination and exclusion. The security and human rights situation of the minority groups and minor clans has not changed for the better. Minorities are still subject to human rights abuses, attacks, discrimination, exploitation, displacement and land dispossession by militias and bandits. They still remain marginalized and are more often not afforded protection by authorities in the absence of a functioning legal system. They suffer discrimination and denial of basic rights by local authorities and local communities. In Somalia protection, the legal framework and the labour market are regulated by clan and sub clan networks. According to the various reports, the most vulnerable groups in Somalia are IDPs, returnees and minorities. While many other categories of vulnerability have been identified, these groups, which include woman and children, qualify as the ‘most vulnerable of the vulnerable’, primarily due to having suffered from: 1) the loss of assets through exposure to a major shock, whether it be economic, climatic or conflict-related; 2) having little or no access to protection from other clan affiliations, and 3) being exposed to multiple vulnerabilities or risks.

(…)

The UN estimates that between 372.880 and 376.630 people out of a total 7 million Somalis are displaced. IDPs often come from the minority groups and clans with low status in the community. Children and woman make up 75% of them. Most displaced persons live in the IDP camps. These camps have emerged spontaneously and are not managed by government, UNHCR or other NGO’s/organisations.

* blz. 7 – informatie ontleend aan een UN- rapport van 30 november 2003:

Comprising predominantly of woman and children from weak, minority groups, they have little clan protection and are often at the mercy of ‘camp managers’ who restrict their movements and who divert aid intended for IDPs. They are also vulnerable to prostitution, human trafficking as well as forcible recruitment by militia leaders.

* blz. 7 : The independent expert reported to the UN Human Rights Commission that minorities are routinely persecuted and marginalized. During his visit to Hargeisa, the expert’s attention was drawn to allegations of marginalisation of minority groups in political representation and employment opportunities. (...) The IDPs are living in extreme poverty and in appalling conditions. Their continuing situation constitutes al clear violation of human rights.

(…)

According to the UN-report (26 February 2003) “... internally displaced persons continued to live in congested and unsanitary conditions, lacked access to basic services and were subject to rape and other human rights violations from armed elements in and around the camps”.

*blz. 8 – informatie ontleend aan de Global IDP-Profiles van de NRC van 6 mei 2004:

“People from southern Somalia are easy recognisable in northern Somalia: as for those southerners displaced to the north, they are simply referred to as ‘Gudhu’ of ‘foreign speakers’ since their Somali dialect can be easily differentiated from that spoken by Somalis in the Northwest. ‘Ghudu’ is thus a linguistic designation, which, far more than racial or cultural distinctions, distinguishes displaced persons arriving from central and southern Somalia.

IDPs living in the slums of northern Somalia have only a few, informal, work opportunities; taking into account the IDPs from the south alone, the percentage of households whose income includes begging is over 80%, in some regions up to 93% of IDPs depend on begging to survive, barely sufficient to provide one meal per day.

In Somaliland and Puntland there are a total of 19 camps. Three camps are set on fire, killing people and leaving thousands of people homeless. (Bosasso, September 2002, Buulo Elay IDP Bosasso, July 2003 and ‘New Hargeisa’ camp). The IDPs are considered as economic migrants or criminals who brought bad habits such as drug abuse. They are considered to be ‘undesirable guests’ by local communities: a burden to society. IDPs are often beaten, robbed and harassed when they compete with local workers and when they beg on the streets”.

* blz. 8 – citaat uit de UNHCR Position paper van januari 2004:

The UNHCR describes the situation of IDPs in Somaliland and Puntland as ‘exceeding by far their absorption capacity’: “In the absence of clan protection and support, which means weak or negligible social networks, a Somali originating from another area would be likely to join the many other underprivileged IDPs who suffer from lack of protection, limited access to education and health services, vulnerability to sexual exploitation and abuse and labour exploitation, eviction, destruction and confiscation of assets. Depending on the goodwill of the local community and what meagre humanitarian assistance may be available, persons perceived as ‘outsiders’ may be forced to live in a state of chronic humanitarian need and a lack of respect for their rights. Specifically, in Somaliland, a self-proclaimed independent state, those not originating from this area (non-Somalilanders) would be considered as foreigners, and face significant acceptance and integration problems, particularly taking into account the already extremely difficult socio-economic situation of those native to the territory.

In the Somali context, the concept of guri (local) versus gelti (outsider) is ever-present, and a profoundly important undercurrrent in human relations and allocation of resources. It cannot be expected that ‘outsiders’, meaning those not originating from a local clan, are accorded the respect, protection and resources that the “locals” consider rightfully theirs, unless this is brought about by the force of arms.”.

* blz. 8 – informatie ontleend aan de Global IDP-Profile van de NRC van 20 juni 2003 en het rapport van de Deense Immigratiedienst van maart 2004:

Most displaced persons lack clan protection and social support and the de facto authorities throughout Somalia do not protect the displaced and often divert humanitarian assistance. According to the Danish Immigration Service also in Somaliland and Puntland the local, regional or national administrations are themselves sometimes the source of human rights violations.

* blz. 8 en 9 – informatie ontleend aan de Global IDP-Profile van de NRC van 6 mei 2004 en het rapport van de Deense immigratiedienst van maart 2004:

Gender based discrimination and violence, particularly rape of young girls and women, is widespread, especially in the IDP camps. Women are attacked when they go out to collect firewood or earn living for the family. Women are vulnerable to both internal male attacks as well as to attacks from other clans.

Women suffer most because of both gender and ethnic discrimination; therefore, they have very limited access to resources. Moreover, women suffer from rape, abduction and forced marriage. Rape is used as a military strategy to terrorise and demoralise the enemy. Women who have been subjected to rape face entrenched social attitudes and traditions that hamper their family relations in the long run. Apart from physical injuries and personal trauma, rape victims suffer social stigma within their communities. Rape in the Somali tradition is considered as shame. Commonly, when a woman or girl from a minority group was a victim of rape, nothing was done to stop the crime.

Moreover, the situation is being exacerbated by the financial conditions of the people, as they have no means to pay for dowry to marry, a problem that did not exist before the civil war. (…) Now in a situation of displacement, it is difficult for the male population of IDP’s to do so. As a result, forced marriage leading to domestic violence, rape, elopement and abduction has become the alternative norm.

In addition to the use of rape as a weapon in wartime, criminal gangs and roaming militias are committing this crime with near impunity. They target women in socially weak and vulnerable groups, which pose little or no threat of retaliation. This has been a particular human right crisis for female IDP’s.

* blz. 10 – informatie ontleend aan de Global IDP-Profile van de NRC van 6 mei 2004 en de UNHCR Position Paper van januari 2004:

It is essential to be aware of the overall impact of more than half a million voluntary returnees (organised and spontaneously) on the already overstretched services and resources of Somaliland and Puntland. As a result, in many cases the return population remains marginalized, often forced to live in squalid conditions and in a disturbing state of poverty.

In addition, according tot the Danish Immigration Service-report, any Somali who returns to Somalia from abroad would be perceived as having some resources (cash or other). This will be the case both for persons returned by force and for Somalis with residence abroad who visit Somalia independently. As a result of this perception among Somalis within Somalia, a person in this category will be in a greater risk of being robbed, extorted or attacked by militia than persons permanently residing in Somalia. Young Somalis returning from abroad (particularly western countries, but also neighhbouring countries such as Kenya) are vulnerable to physical abuse and are viewed with suspicion by their relatives and local communities. Young females in particular are at risk of rape and FGM. It has been suggested that thousands of young girls are at risk of being outcast in this way.

e. uit het rapport van de United Nations Security Council van 9 juni 2004 (blz. 4, onder punt 5.3)

In March, “Somaliland” authorities reinterated their intent, first announced in September 2003, to deport “illegal immigrants” from areas under their control. However, the deadline has been extended several times. Included in the classification of “illegal immigrants” are some 40,000 internally displaced persons, mainly from southern Somalia. United Nations agencies continue to work with the “Somaliland” authorities to assure the protection of the human rights and humanitarian needs of these groups (p.4).(...) Meanwhile the environment for “foreigners” in general and internally displaced persons from southern Somalia in particular has continued to deteriorate in Somaliland. Harrassment, exploitation and extortion of these groups is quite common. These conditions have forced many of those affected to flee to Puntland, where they are living in squalid conditions. United Nations agencies in Ethiopia have also reported the presence of “deportees” from Somaliland in the Somali region (Zone V) in Ethiopia, where they are placing an additional burden on the region’s limited resources.

2.17 De rechtbank is van oordeel dat bovengenoemde informatie, die is gebaseerd op verschillende openbare en gezaghebbende bronnen, concrete aanknopingspunten biedt voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van het ambtsbericht voor zover dat algemene informatie bevat, die relevant is voor een zorgvuldige beoordeling van risico’s die aan uitzetting zijn verbonden. Hierbij is onder meer het volgende in aanmerking genomen.

2.18 De rechtbank stelt voorop geen aanleiding te zien, zoals door verweerder bepleit, de UNHCR Position paper van januari 2004 niet bij de beoordeling te betrekken. De omstandigheid dat de Afdeling ten aanzien van dit rapport afzonderlijk geoordeeld heeft dat het niet significant afwijkt van het vorige rapport van de UNHCR en het mitsdien geen concrete aanknopingspunten bood voor twijfel aan de volledigheid of juistheid van het ambtsbericht, betekent niet dat aan dat stuk, bezien in samenhang met de andere stukken, geen betekenis kan toekomen. Overigens is het standpunt van de UNHCR in het ambtsbericht niet juist weergegeven. Op blz. 63 van het ambtsbericht is vermeld dat de UNHCR programma’s ondersteunt voor georganiseerde vrijwillige terugkeer van groepen Somaliërs uit Ethiopië, Kenia, Djibouti, Jemen en Egypte naar Somaliland en Puntland en: UNHCR beschouwt deze gebieden als voldoende veilig voor terugkeer van Somaliërs. Uit de Position paper (blz. 5) komt echter naar voren dat de UNHCR Somaliland en Puntland veilig acht voor Somaliërs die daar vandaan komen.

2.19 Uit bovenaangehaalde stukken, die merendeels dateren van ver na de in de literatuurbijlage bij het ambtsbericht vermelde bronnen, komt naar voren dat minderheden, meer in het bijzonder ontheemde minderheden (IDP’s), in Somaliland en Puntland bloot staan aan afpersing, beroving, uitbuiting, verkrachting en andere mensenrechtenschendingen door leden van machtige clans en zij daartegen in het algemeen niet de bescherming van de de facto autoriteiten kunnen verkrijgen. De onafhankelijk expert Ghanim Alnajjar spreekt zelfs van een routinematige vervolging en marginalisering van minderheden. Zij die uit westerse landen terugkeren lopen daarbij nog een groter risico. Deze informatie is niet te rijmen met de vermelding in het ambtsbericht dat de in Somaliland en Puntland aanwezige minderheidsgroepen niet worden vervolgd en in het algemeen hun veiligheid niet in gevaar is. Een specifieke motivering van deze conclusie in het ambtsbericht met relevante bronverwijzing ontbreekt. Daardoor kon verweerder niet de thans door eiseres ingebrachte informatie als niet ter zake dienende ter zijde schuiven. Voorts is niet gebleken dat verweerder de door eisers overgelegde gegevens heeft voorgelegd aan de Minister van Buitenlandse Zaken voor commentaar.

Uit bovengenoemde stukken blijkt voorts dat leden van – met name ontheemde - minderheidsgroepen kwetsbaar zijn voor politieke, sociale en economische discriminatie en uitsluiting. Zij leven in extreme armoede en onder afschuwelijke omstandigheden. Slechts weinigen zijn in staat om werk te vinden en 80% van hen – in sommige regio’s oplopend tot 93% - is aangewezen op bedelen. Bij het zoeken naar werk en bij het bedelen lopen zij het risico dat zij als “vreemdelingen” of “ongewenste gasten” door leden van de plaatselijke gemeenschappen mishandeld of beroofd worden. Deze informatie staat haaks op de vermelding in het ambtsbericht dat zij er, in weerwil van hun hachelijke economische situatie, er in het algemeen in slagen om in hun levensonderhoud te voorzien door flexibel in te spelen op de lokale arbeidsmarkt en door allerlei soorten werk aan te pakken. In het ambtsbericht wordt bij deze conclusie verwezen naar het rapport van Khalid Medani uit 2000. Van de zijde van eiseres zijn diverse recentere, onder 2.16 geciteerde bronnen aangehaald, die de juistheid van dat rapport weerleggen. Ook hier ontbreekt een nadere motivering, op basis waarvan verweerder aan de met recenter materiaal onderbouwde stellingen van eiseres voorbij kan gaan.

2.20 Verweerder heeft bij zijn besluitvorming derhalve niet uit kunnen gaan van de juistheid van de informatie in het ambtsbericht, voor zover dit ziet op de situatie van (ontheemde) minderheidsgroepen in Somaliland en Puntland.

2.21 Met betrekking tot verweerders standpunt dat leden van minderheidsgroepen, zoals eiseres, zonder in strijd te komen met artikel 3 EVRM kunnen worden uitgezet naar de relatief veilige gebieden van Somalië, anders dan Somaliland of Puntland, overweegt de rechtbank het volgende.

2.22 De informatie in het ambtsbericht over die gebieden ziet op de veiligheidssituatie van de burgerbevolking in het algemeen, verband houdende met oorlogs- en politiek geweld als gevolg van gewapende confrontaties tussen clans en milities. In het ambtsbericht is op blz. 58 e.v. eerst aangegeven dat onbekend is of en zo ja in hoeverre minderheidsgroepen zich in de overige gebieden van het relatief veilig deel van Somalië hebben gevestigd. Van enkele minderheidsgroepen is verder aangegeven dat zij zich in Puntland, Somaliland en het overige deel van het relatief veilige gebied hebben gevestigd, maar dat hun aantallen (enkele tientallen) te klein zijn om algemene uitspraken over te doen. Van andere minderheidsgroepen is niets bekend. Het ambtsbericht bevat derhalve, anders dan ten aanzien van Somaliland en Puntland, geen informatie over de situatie van minderheden in die gebieden, die relevant is voor een zorgvuldige beoordeling van risico’s die aan uitzetting zijn verbonden. De door eisers ingebrachte informatie ziet op de positie van (ontheemde) minderheden (IDP’s) in alle (relatief veilige) delen van Somalië. Gelet op die informatie uit andere bronnen kan, anders dan door de Afdeling is overwogen in de uitspraak van 24 juni 2003 (200302075/1), uit het ontbreken van die informatie in het ambtsbericht niet geconcludeerd worden dat aan verblijf van die minderheidsgroepen in die gebieden geen in het licht van artikel 3 EVRM relevante risico’s zijn verbonden.

2.23 Verweerder heeft dus evenmin kunnen uitgaan van de juistheid van de informatie in het ambtsbericht, voor zover dit ziet op overige relatief veilige gebieden van Somalië.

2.24 Voor zover verweerder zich op het standpunt stelt dat vrouwen, behorende tot een minderheidsgroep, zoals eiseres, naar de relatief veilige gebieden kunnen terugkeren, overweegt de rechtbank het volgende.

Uit de onder 2.16 vermelde informatie komt naar voren dat vrouwen uit minderheidsgroepen in het bijzonder blootstaan aan etnisch en seksueel geweld en dat geweld wijdverspreid is en zowel in als buiten de ontheemdenkampen voorkomt. In die informatie wordt, anders dan in het ambtsbericht, geen onderscheid gemaakt tussen alleenstaande en niet-alleenstaande vrouwen. Evenmin wordt onderscheid gemaakt tussen alleenstaande vrouwen die wel en die niet kunnen terugvallen op leden van de eigen minderheidsgroep en ook niet tussen vrouwen die wel en die niet zelfstandig in hun onderhoud kunnen voorzien. Integendeel, uit die informatie is af te leiden dat ook vrouwen uit (ontheemde) minderheidsgroepen in de relatief veilige gebieden, die in familieverband wonen, aan dat geweld blootstaan. Zo wordt in de bijlage bij de brief van Artsen zonder Grenzen meerdere voorbeelden genoemd van (groeps)verkrachtingen van vrouwen in het bijzijn van hun echtgenoten. In die bijlage is voorts een verklaring opgenomen van de directeur van het Women Centre for Education Development te Galkayo. Deze geeft aan dat de situatie in het algemeen voor alleenstaande vrouwen, tot welke clan ook behorend, onveilig is en dat het voor wat betreft vrouwen behorend tot een minderheidsgroep geen verschil maakt of er al dan niet een echtgenoot is. Het ambtsbericht is dus ook in zoverre onvolledig.

2.25 Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat, nu niet van de juistheid van de informatie in het ambtsbericht kan worden uitgegaan, verweerder niet zorgvuldig de aan de uitzetting van eiseres verbonden risico’s heeft kunnen beoordelen.

Ten aanzien van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, Vw

2.26 In C1/4.4.2.4 Vc heeft verweerder als beleidsregel onder andere neergelegd dat er sprake is van een bijzondere situatie die aanleiding kan geven tot het verlenen van een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, Vw, in het geval de vreemdeling afkomstig is uit een gebied ten aanzien waarvan is bepaald dat dit in beginsel categoriaal beschermingswaardig is, maar waarvoor dit categoriaal beschermingsbeleid niet wordt uitgevoerd omdat er in een ander deel van dat land een verblijfsalternatief is. Er kunnen ten tijde van het vertrek klemmende redenen van humanitaire aard aanwezig zijn die ertoe hebben geleid dat de vreemdeling niet naar het verblijfsalternatief kon gaan.

2.27 De rechtbank constateert dat verweerder er in het bestreden besluit geen blijk van heeft gegeven dat hij de aanvraag aan de beleidsregel in paragraaf C1/4.4.2.4 Vc heeft getoetst. Verweerder heeft enkel aan paragraaf C1/4.4.2.2 Vc (het zogenaamde traumatabeleid) getoetst en aan het bijzondere beleid voor alleenstaande Somalische vrouwen, die behoren tot de minderheden, in TBV 2003/4. Verweerder heeft niet getoetst of sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard op grond waarvan eiseres ten tijde van haar vertrek uit haar land van herkomst niet naar het verblijfsalternatief kon gaan, terwijl eiseres in haar zienswijze uitdrukkelijk op dit beleid een beroep heeft gedaan. Het besluit is ook op dit punt onvoldoende gemotiveerd.

Ten aanzien van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw

2.28 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat terugzending van eiseres niet van bijzondere hardheid is. In hoofdstuk C8 “Somalië” Vc heeft verweerder aangegeven dat de algehele veiligheidssituatie het voeren van een beleid van categoriale bescherming voor het conflict- en overgangsgebied in het Zuiden van Somalië indiceert, maar dat personen die afkomstig zijn uit dat gebied, niet voor categoriale bescherming in aanmerking komen, omdat een verblijfsalternatief bestaat in het relatief veilige gebied.

2.29 De vraag of een asielzoeker op de voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw 2000 voor toelating in aanmerking komt, moet worden beantwoord aan de hand van een beoordeling van de algehele situatie in het land van herkomst.

2.30 Voor zijn standpunt dat een verblijfsalternatief kan worden tegengeworpen, heeft verweerder zich gebaseerd op de hiervoor onder 2.15 genoemde delen van het ambtsbericht. Zoals de rechtbank in de daarna volgende rechtsoverwegingen heeft overwogen, zijn er concrete aanknopingspunten op grond waarvan getwijfeld moet worden aan de volledigheid en juistheid van die delen het ambtsbericht.

2.31 Het besluit geen vergunning te verlenen op de d-grond van het eerste lid van artikel 29 Vw is derhalve niet zorgvuldig voorbereid.

2.32 De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren. Het bestreden besluit zal worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 en 3:46 Awb.

2.33 In dit geval ziet de rechtbank aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten, zulks met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De kosten zijn op voet van het bepaalde in het bovengenoemde Besluit vastgesteld op € 966,-- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1,5). Aangezien ten behoeve van eiseres een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge het tweede lid van artikel 8:75 Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier.

3. BESLISSING

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit;

3.3 draagt verweerder op opnieuw te beslissen op de aanvraag van 19 mei 2004, met inachtneming van hetgeen is overwogen in deze uitspraak;

3.4 veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 966,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank, nevenvestigingsplaats Haarlem, moet voldoen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.M. Bruin, voorzitter, en mrs. H.C. Greeuw en A.C. van den Boogaard, leden van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken, en uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2004, in tegenwoordigheid van mr. C.J. ten Hoopen als griffier.

afschrift verzonden op: 18 oktober 2004

Coll:

RECHTSMIDDEL

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen één week na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak.