Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2004:AR4464

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-10-2004
Datum publicatie
25-10-2004
Zaaknummer
09/925045-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

[...] Verdachte heeft zeven zeer jonge meisjes - een aantal daarvan had de leeftijd van 5 jaren nog niet eens bereikt - betast aan hun al dan niet blote geslachtsdelen. De rechtbank is van oordeel dat deze ontuchtige handelingen ernstige strafbare feiten zijn. Ontuchtige handelingen vormen een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van kinderen en kunnen leiden tot psychische schade. Verdachte had zich daarvan bewust moeten zijn. Hij heeft het vertrouwen dat de kinderen in hem stelden ernstig beschaamd en daarmee mogelijk hun vertrouwen in volwassenen in het algemeen. Verdachte heeft enkel oog gehad voor zijn eigen gevoelens en genoegens. [...]

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09/925045-04

rolnummer 0001

's-Gravenhage, 22 oktober 2004

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

adres: [adres].

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 8 oktober 2004.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr E.G.S.N. Asselbergs, is verschenen en gehoord.

Er hebben zich benadeelde partijen gevoegd.

De officier van justitie mr I.C.M.E. Meissen heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding onder de feiten 1 primair, 2 primair, 3 primair, 4 primair, 5 primair, 6 primair en 7 telastgelegde wordt vrijgesproken en tot nietigverklaring van feit 8 en dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding onder de feiten 1 subsidiair, 2 subsidiair, 3 subsidiair, 4 subsidiair, 5 subsidiair en 6 subsidiair telastgelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 31 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, en tot een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, alsmede tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar met een proeftijd van 3 jaren en als bijzondere voorwaarde een verplicht reclasseringscontact, ook indien dat inhoudt een behandeling bij De Waag.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen bij wijze van voorschot:

- [benadeelde partij 1] een bedrag van € 500,=;

- [benadeelde partij 2] een bedrag van € 600,=.

Daarbij heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van voormelde bedragen groot € 500,=, subsidiair 10 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde partij 1], en € 600,=, subsidiair 12 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 2].

De telastlegging.

Aan verdachte is telastgelegd - na wijziging van de telastlegging ter terechtzitting - hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A, en van de vordering wijziging telastlegging, gemerkt A1.

De geldigheid van de dagvaarding.

De officier van justitie stelt tijdens het onderzoek ter terechtzitting dat feit 8 op de dagvaarding nietig verklaard dient te worden. De tenlastelegging is onvoldoende feitelijk, aangezien het een zogeheten verzamelfeit is.

De rechtbank is van oordeel dat de tenlastelegging met betrekking tot feit 8 onvoldoende feitelijk is omschreven, nu uit het onderzoek ter terechtzitting en uit het dossier niet voldoende duidelijk is geworden om welk concreet feit het gaat, zodat verdachte zich daartegen niet goed kan verdedigen. De rechtbank zal derhalve feit 8 op de dagvaarding nietig verklaren.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

De officier van justitie vermeldt tijdens het onderzoek ter terechtzitting met betrekking tot het op de dagvaarding onder feit 5 tenlastegelegde, dat deze zaak in het verleden is geseponeerd, doch dat zij thans toch tot vervolging daarvan overgaat.

De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

De Hoge Raad heeft in diverse uitspraken het vertrouwensbeginsel als procesrechtelijk beginsel erkend. Dit impliceert dat concrete toezeggingen van de officier van justitie, zoals in de onderhavige zaak, om niet te vervolgen, het Openbaar Ministerie in beginsel binden. Veranderde omstandigheden, zoals nieuwe bewijzen, kunnen met zich meebrengen dat op de toezegging gerechtvaardigd kan worden teruggekomen (artikel 167, aantekening 6, Wetboek van Strafvordering Tekst en Commentaar). De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van feit 5 thans nieuw bewijs voorhanden is. Tijdens het onderzoek van diverse nieuwe aangiften jegens verdachte, heeft hij - na in het verleden ontkend te hebben - zowel bij de politie als tijdens het onderzoek ter terechtzitting bekend het onderhavige feit te hebben gepleegd, hetgeen als nieuw bewijs te bestempelen is. De rechtbank zal de officier van justitie derhalve ontvankelijk verklaren in haar vervolging van verdachte ter zake van feit 5.

Vrijspraak.

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte bij dagvaarding onder de feiten 1 primair, 2 primair, 3 primair, 4 primair, 5 primair, 6 primair en 7 is telastgelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen.

P.M.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen -elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft- staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast en is de rechtbank op grond daarvan tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat verdachte de bij dagvaarding onder 1 subsidiair, 2 subsidiair, 3 subsidiair, 4 subsidiair, 5 subsidiair en 6 subsidiair vermelde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht -en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering verdachte niet in de verdediging is geschaad- de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straffen en/of maatregelen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden, waaronder zij zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zeven zeer jonge meisjes - een aantal daarvan had de leeftijd van 5 jaren nog niet eens bereikt - betast aan hun al dan niet blote geslachtsdelen. De rechtbank is van oordeel dat deze ontuchtige handelingen ernstige strafbare feiten zijn. Ontuchtige handelingen vormen een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van kinderen en kunnen leiden tot psychische schade. Verdachte had zich daarvan bewust moeten zijn. Hij heeft het vertrouwen dat de kinderen in hem stelden ernstig beschaamd en daarmee mogelijk hun vertrouwen in volwassenen in het algemeen. Verdachte heeft enkel oog gehad voor zijn eigen gevoelens en genoegens.

De rechtbank houdt rekening met het feit dat uit een op naam van verdachte staand uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister d.d. 13 januari 2004 blijkt, dat hij geen eerdere justitiecontacten heeft, alsmede met de gevorderde leeftijd van verdachte.

De rechtbank heeft kennis genomen van het pro justitia rapport d.d. 29 maart 2004 betreffende verdachte, opgemaakt en ondertekend door drs. G.M. Jansen, psycholoog. Zij acht verdachte enigszins verminderd toerekeningsvatbaar. Tevens heeft de rechtbank kennis genomen van het voorlichtingsrapport d.d. 6 oktober 2004, opgemaakt en ondertekend door N. IJgosse, reclasseringswerker, en W.A. Verhoeven, regiomanager. Alle voornoemde personen adviseren als bijzondere voorwaarde een verplicht reclasseringscontact op te leggen, ook indien dat inhoudt een behandeling bij De Waag.

De rechtbank is, gelet op al het hiervoor overwogene, van oordeel dat een gevangenisstraf, waarvan het grootste deel voorwaardelijk, en een werkstraf passend en geboden is. Een voorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd teneinde te trachten te voorkomen dat verdachte wederom soortgelijke feiten zal plegen. Conform het advies van voornoemde deskundigen zal de rechtbank daarbij als bijzondere voorwaarde een verplicht reclasseringscontact opleggen, ook indien dat inhoudt een behandeling bij De Waag.

De vorderingen van de benadeelde partijen.

[benadeelde partij 1], wonende te [woonplaats], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 500,=.

Deze vordering is door de verdediging niet weersproken, en is door de bij het Voegingsformulier gevoegde overgelegde bescheiden gestaafd, terwijl die vordering, die eenvoudig van aard is, rechtstreeks - naar uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken - haar grondslag vindt in het bij dagvaarding onder 2 subsidiair aan verdachte telastgelegde en bewezenverklaarde feit. De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partij ontvankelijk is in haar vordering en zal deze vordering toewijzen als vergoeding voor de tot op heden geleden schade.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

[benadeelde partij 2], wonende te [woonplaats], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 600,=.

Deze vordering is door de verdediging niet weersproken, terwijl die vordering, die eenvoudig van aard is, rechtstreeks - naar uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken - haar grondslag vindt in het bij dagvaarding onder 5 subsidiair aan verdachte telastgelegde en bewezenverklaarde feit. De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partij ontvankelijk is in haar vordering en zal deze vordering toewijzen als vergoeding voor de tot op heden geleden schade.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel.

Nu verdachte jegens de slachtoffers naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de onder 2 subsidiair en 5 subsidiair bewezenverklaarde strafbare feiten zijn toegebracht en verdachte voor deze feiten zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag groot € 500,= ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde partij 1] voor de tot op heden geleden schade en een bedrag groot € 600,= ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde partij 2] voor de tot op heden geleden schade.

De toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen straffen en/of maatregelen zijn gegrond op de artikelen:

- 9, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 24c, 36f, 57 en 247 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart het bij dagvaardig onder 8 telastgelegde feit nietig;

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding onder 1 primair, 2 primair, 3 primair, 4 primair, 5 primair, 6 primair en 7 telastgelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding onder 1 subsidiair, 2 subsidiair, 3 subsidiair, 4 subsidiair, 5 subsidiair en 6 subsidiair telastgelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

Feiten 1 subsidiair, 2 subsidiair, 3 subsidiair, 4 subsidiair, 5 subsidiair en 6 subsidiair:

Met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 365 dagen;

bepaalt, dat een gedeelte van die straf, groot 334 dagen niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 3 jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit alsmede onder de hierna te noemen bijzondere voorwaarde:

- dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften hem te geven door of namens de stichting Reclassering Nederland, ressort Den Haag, zolang die instelling zulks nodig acht, ook indien dat inhoudt een behandeling bij De Waag;

- geeft hierbij opdracht aan bovengenoemde reclasseringsinstelling krachtens het bepaalde bij artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

in verzekering gesteld op : 12 januari 2004

in voorlopige hechtenis gesteld op : 14 januari 2004

welke voorlopige hechtenis werd geschorst op :12 februari 2004

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;

veroordeelt verdachte te dier zake voorts tot:

een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de tijd van 240 uren;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 120 dagen;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partijen toe en veroordeelt verdachte voorts:

om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan:

- [benadeelde partij 1], wonende te [woonplaats], een bedrag van € 500,= voor de tot op heden geleden schade;

- [benadeelde partij 2], wonende te [woonplaats], een bedrag van € 600,= voor de tot op heden geleden schade;

met veroordeling tevens in de proceskosten door de benadeelde partijen gemaakt tot aan de dag van de uitspraak begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag groot

€ 500,= ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde partij 1] voor de tot op heden geleden schade en een bedrag groot € 600,= ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde partij 2] voor de tot op heden geleden schade;

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 10 respectievelijk 12 dagen;

bepaalt dat voldoening van de betalingsverplichtingen aan de benadeelde partijen de betalingsverplichtingen aan de staat doet vervallen, alsmede dat voldoening van de betalingsverplichtingen aan de staat de betalingsverplichtingen aan de benadeelde partijen doet vervallen;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mrs Verkleij, voorzitter,

Kroft en Lely, rechters,

in tegenwoordigheid van mr Jansen, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 oktober 2004.